Uitspraak · Socialezekerheidsrecht

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 6 oktober 2026

ECLI:NL:RBZWB:2026:9653Zaaknummer 26/1611

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
6 oktober 2026
Publicatiedatum
21 oktober 2026
Zaaknummer
26/1611
Rechtsgebied
Bestuursrecht, Socialezekerheidsrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats
Breda
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Vaststellen eigen bijdrage voor Wlz-zorg.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J. van Alphen, voorzitter, in aanwezigheid van mr. M.I.P. Buteijn, griffier, op 6 oktober 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Digitaal hoger beroep instellen kan via "Formulieren en inloggen" op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Bijlage: relevante wet- en regelgeving

Wet langdurige zorg

Artikel 3.2.5

1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat het recht op zorg slechts tot gelding kan worden gebracht indien de verzekerde de kosten daarvan gedeeltelijk draagt. De eigen bijdrage kan verschillen naar gelang de groep waartoe de verzekerde behoort, de zorg die verstrekt wordt en de wijze waarop het recht op zorg tot gelding wordt gebracht, en kan mede afhankelijk gesteld worden van het inkomen en vermogen van de verzekerde en diens echtgenoot.

2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de wijze waarop het inkomen en vermogen, bedoeld in het eerste lid, worden bepaald.

Besluit langdurige zorg

Artikel 1.1.1

In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

(…)peiljaar: tweede kalenderjaar voorafgaande aan het jaar waarin de verzekerde zijn recht op zorg tot gelding brengt;

(…).

Artikel 3.3.1.1

1. De verzekerde van achttien jaar of ouder draagt bij in de kosten van de zorg.

2. De eigen bijdrage is mede afhankelijk van het inkomen en het vermogen van de verzekerde en diens echtgenoot.

Artikel 3.3.1.3

4. Het CAK maakt voor de vaststelling van de eigen bijdrage gebruik van:

a. het inkomensgegeven, bedoeld in artikel 21, onderdeel e, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, en van andere door de inspecteur, bedoeld in artikel 2, derde lid, onderdeel b, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, verstrekte gegevens;

b. gegevens van het zorgkantoor over het verstrekken van zorg als bedoeld bij of krachtens de wet aan een verzekerde waaronder, indien van toepassing, de ingangsdatum van de periode waarover een persoonsgebonden budget wordt verleend.

Artikel 3.3.2.1

1. De eigen bijdrage bedraagt per maand een twaalfde gedeelte van het bijdrageplichtig inkomen, berekend volgens artikel 3.3.2.3, voor:

a. de ongehuwde verzekerde die in een instelling verblijft,

Artikel 3.3.2.2

1. In afwijking van artikel 3.3.2.1 bedraagt een eigen bijdrage per maand een twaalfde gedeelte van 10% van het bijdrageplichtig inkomen, berekend volgens artikel 3.3.2.4 voor:

a. de ongehuwde verzekerde gedurende de eerste vier maanden van verblijf in een instelling;

Artikel 3.3.2.3

1. Het bijdrageplichtig inkomen, bedoeld in artikel 3.3.2.1, eerste lid, wordt als volgt berekend:

a. het inkomen over het peiljaar van de ongehuwde verzekerde onderscheidenlijk de gehuwde verzekerden tezamen wordt verminderd met de door die verzekerde onderscheidenlijk die verzekerden verschuldigde of ingehouden belasting;

b. op het met toepassing van onderdeel a berekende bedrag worden in mindering gebracht:

1°. 15% van de netto-opbrengst van in het voorafgaande kalenderjaar verrichte arbeid van een loon- of salarisdoorbetaling wegens ziekte of van een uitkering ingevolge de Ziektewet dan wel, indien dit onbekend of niet beschikbaar is, 15% van de redelijkerwijs te verwachten netto-opbrengst van in het lopende kalenderjaar verrichte arbeid, van een loon- of salarisdoorbetaling wegens ziekte of van een uitkering ingevolge de Ziektewet;

2°. het in het peiljaar geldende bedrag voor zak- en kleedgeld, premies voor een zorgverzekering gecorrigeerd voor de zorgtoeslag, een aftrekpost die verschillend kan zijn voor een verzekerde die de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt en een verzekerde die die leeftijd nog niet heeft bereikt of extra vrijlatingen, een en ander volgens bij ministeriële regeling te bepalen regels;

3°. op aanvraag van de verzekerde, de in het peiljaar geldende uitkering op grond van artikel 14 van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940–1945 of op grond van artikel 20 van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940–1945;

4°. de compensatie vervallen ouderentoeslag, indien het inkomen van de verzekerde die de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt, verminderd met 4% van de grondslag sparen en beleggen, verminderd met, voor zover van toepassing, de vermogensbestanddelen als bedoeld in artikel 3.3.1.2, eerste lid, onder a en b, minder dan € 22.833 bedraagt;

5°. de compensatie vervallen ouderentoeslag van de echtgenoot, indien de echtgenoot van de verzekerde de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt en het inkomen van de echtgenoot, verminderd met 4% van zijn grondslag sparen en beleggen, verminderd met, voor zover van toepassing, de vermogensbestanddelen als bedoeld in artikel 3.3.1.2, eerste lid, onder a en b, minder dan € 22.833 bedraagt;

c. het met toepassing van onderdeel b berekende bedrag wordt vermeerderd met de vermogensinkomensbijtelling over het peiljaar.2. Op aanvraag van de verzekerde stelt het CAK, in afwijking van het eerste lid, onderdelen a en c, het bijdrageplichtig inkomen voorlopig vast op basis van het redelijkerwijs gedurende het lopende kalenderjaar te verwachten inkomen, vermeerderd met de vermogensinkomensbijtelling van het verwachte vermogen, en de over dat kalenderjaar te verwachten belasting indien toepassing van het eerste lid, onderdelen a en c, ertoe zou leiden dat na afdracht van de bijdrage maandelijks gemiddeld minder over zou blijven dan het zak- en kleedgeld, zoals dat geldt in het lopende kalenderjaar, alsmede een bedrag in verband met de standaardpremie, vermeerderd met de inkomensafhankelijke premie Zorgverzekeringswet, bedoeld in artikel 43, eerste lid, van de Zorgverzekeringswet, en verminderd met de zorgtoeslag, zoals deze bedragen gelden in het lopende kalenderjaar. Het aldus berekende bijdrageplichtig inkomen wordt, om de per maand verschuldigde bijdrage vast te stellen, gedeeld door twaalf.

Regeling langdurige zorg

Artikel 4.2

Ingevolge artikel 3.3.2.3, eerste lid, onderdeel b, onder 2°, van het Besluit worden op het bedrag, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, van dat artikel, in mindering gebracht:

a. een bedrag voor zak- en kleedgeld, genoemd in artikel 4.3;

b. een bedrag in verband met de premie zorgverzekering, genoemd in artikel 4.4;

c. een aftrekpost, genoemd in artikel 4.5, en

d. een extra vrijlating, genoemd in artikel 4.6.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. Centraal Administratiekantoor (CAK), verweerder
  2. Inleiding
  3. OverwegingenRelevante feiten en omstandigheden
  4. Beslissing
  5. Informatie over hoger beroep
  6. Bijlage: relevante wet- en regelgeving

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 26/1611

uitspraak van 6 oktober 2026 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] (eiser), uit [plaats],

(gemachtigde: mr. S.E.C. Segeren-Krijnen),

en

Centraal Administratiekantoor (CAK), verweerder

Inleiding

1. In een besluit van 3 oktober 2025 (primair besluit I) heeft het CAK eisers hoge eigen bijdrage voor zorg vanuit de Wet langdurige zorg (Wlz) vanaf 4 oktober 2025 vastgesteld op € 703,12 per hele maand.

In een besluit van 13 januari 2026 (primair besluit II) heeft het CAK primair besluit I herzien en vervangen, en eisers hoge eigen bijdrage voor Wlz-zorg vanaf 4 oktober 2025 vastgesteld op € 812,80 per hele maand.

In een besluit van 3 februari 2026 (primair besluit III) heeft het CAK primair besluit II herzien en vervangen, en eisers hoge eigen bijdrage voor zorg vanuit de Wlz vanaf 4 oktober 2025 vastgesteld op € 549,45 per hele maand.

1.1.

In het bestreden besluit van 6 februari 2026 heeft het CAK eisers bezwaren tegen primaire besluiten I en II niet-ontvankelijk verklaard, en eisers bezwaren tegen primair besluit III ongegrond verklaard. Dit betekent dat de hoge eigen bijdrage vanaf 4 oktober 2025 € 549,45 per hele maand is gebleven. Eiser heeft beroep ingesteld tegen dit besluit.

1.2.

Het CAK heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

1.3.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Breda op 15 september 2026. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Het CAK werd vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger 1] en [vertegenwoordiger 2].

OverwegingenRelevante feiten en omstandigheden

2. Eiser heeft een indicatie voor zorg vanuit de Wlz. Daardoor heeft hij recht op

Wlz-zorg en is hij een eigen bijdrage verschuldigd. In de Wlz is geregeld dat het CAK belast is met het vaststellen en innen van de eigen bijdrage. In artikel 3.3.1.1, eerste lid, van het Besluit langdurige zorg (Blz) staat dat iedere verzekerde van 18 jaar of ouder bijdraagt in de kosten van de zorg. In het Blz is verder geregeld hoe het CAK de eigen bijdrage moeten berekenen. Het CAK moet daarbij uitgaan van de zorggegevens die afkomstig zijn van het zorgkantoor en de inkomensgegevens die afkomstig zijn van Belastingdienst. Het CAK is op basis van deze systematiek overgegaan tot de bestreden besluitvorming.

Het standpunt van het CAK

3. Volgens het CAK is eisers hoge eigen bijdrage voor Wlz-zorg met ingang van 4 oktober 2025 terecht vastgesteld op € 549,45 per hele maand, op basis van de dwingendrechtelijke regels in het Blz en de Regeling langdurige zorg (Rlz). Eisers financiële situatie vormt zijn volgens de Svb geen bijzondere omstandigheid die afwijking van de wettelijke regels rechtvaardigt. Ook is de eigen bijdrage volgens het CAK niet in strijd met het evenredigheidsbeginsel, omdat deze inkomensafhankelijk is en de regelgeving een algemeen belang dient. Het CAK heeft eisers verzoek om kwijtschelding afgewezen.

Eisers standpunt

4. Eiser stelt – kort samengevat – dat een strikte toepassing van artikel 3.3.2.3, tweede lid, van het Blz leidt tot een onredelijke uitkomst, en dat het CAK wegens bijzondere omstandigheden en gelet op het evenredigheidsbeginsel niet had mogen uitgaan van eisers verwachte verzamelinkomen over het gehele jaar 2025. Eiser voert daartoe aan dat zijn

AIO-aanvulling is komen te vervallen vanaf 15 juli 2025, omdat hij langer dan drie maanden in een zorginstelling verbleef. Sindsdien bedraagt zijn inkomen nog slechts € 709,47 bruto (€ 672,16 netto) per maand. Dat zijn AIO-aanvullingzou vervallen, was volgens hem niet voorzienbaar en kan hem niet worden verweten. Eiser stelt dat het inkomen dat hij vóór 15 juli 2025 ontving niet kon worden aangewend voor de betaling van de eigen bijdrage vanaf oktober 2025 en dat hij hiervoor niet heeft kunnen reserveren.

Het relevante beoordelingskader

5. De relevante wet- en regelgeving is opgenomen in een bijlage, die is gehecht aan deze uitspraak.

Beoordeling door de rechtbank

6. Niet in geschil is dat het CAK het bijdrageplichtige inkomen conform artikel 3.3.2.3, tweede lid, van het Blz voorlopig moet vaststellen op basis van het redelijkerwijs gedurende het lopende kalenderjaar te verwachten inkomen, omdat eiser anders minder overhoudt dan het bedrag voor zak- en kleedgeld. De rechtbank stelt verder vast dat de berekening van eisers verwachte verzamelinkomen over 2025 in het bestreden besluit strookt met artikel 3.3.2.3, tweede lid, van het Blz. Dit artikel schrijft niet voor dat voor het gehele jaar moet worden uitgegaan van het laagste maandinkomen, wat zou neerkomen op twaalf maal een bedrag van € 709,47. De zaak spitst zich toe op de vraag of het CAK wegens bijzondere omstandigheden en gelet op het evenredigheidsbeginsel niet had mogen uitgaan van eisers verwachtte verzamelinkomen over 2025 van € 14.555,82, maar van een inkomen van € 709,47 bruto per maand, oftewel € 8.513,64 bruto op jaarbasis.

7. Uit vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB, zie bijvoorbeeld de uitspraken van 27 februari 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:306, en 28 maart 2025, ECLI:NL: CRVB:2025:477) volgt dat de regels van het Blz en de Rlz over de heffing en berekening van de eigen bijdrage dwingendrechtelijk van aard en limitatief zijn. De regels bevatten geen hardheidsclausule en bieden geen ruimte om rekening te houden met bijzondere omstandigheden. Niettemin kunnen er bijzondere omstandigheden zijn die maken dat in het voorliggende geval toepassing van het wettelijk voorschrift voor betrokkene zozeer in strijd komt met het evenredigheidsbeginsel dat die toepassing achterwege moet blijven. Dit betekent dat uiteindelijk ('onder de streep') moet worden beoordeeld of er bijzondere omstandigheden zijn die maken dat toepassing van het algemeen verbindende voorschrift in het voorliggende geval tot een onevenredige uitkomst zou leiden, of sprake is van onevenwichtigheid. Een besluit is onevenwichtig als het in de gegeven omstandigheden voor belanghebbende onredelijk bezwarend is.

8. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het CAK in het bestreden besluit steekhoudend onderbouwd waarom geen sprake is van bijzondere omstandigheden die maken dat de uitkomst van het bestreden besluit in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. Het CAK heeft daarbij terecht opgemerkt dat het enkele feit dat eiser door het wegvallen van de AIO-aanvulling een lager inkomen heeft gekregen, onvoldoende is om te concluderen dat sprake is van een buitensporige last of een onevenredige uitkomst. Verder blijkt uit de door eiser aangevoerde omstandigheden niet dat sprake is van een uitzonderlijke situatie waarin de toepassing van de wettelijke regeling leidt tot een resultaat dat onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen belangen. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat ter zitting is vastgesteld dat voor eiser vanaf 1 januari 2026 een lagere eigen bijdrage is vastgesteld, en dat gesteld noch gebleken is dat in de periode van 4 oktober 2025 tot en met 31 december 2026 sprake was van een moeilijke of onaanvaardbare financiële situatie.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J. van Alphen, voorzitter, in aanwezigheid van mr. M.I.P. Buteijn, griffier, op 6 oktober 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Digitaal hoger beroep instellen kan via "Formulieren en inloggen" op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Bijlage: relevante wet- en regelgeving

Wet langdurige zorg

Artikel 3.2.5

1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat het recht op zorg slechts tot gelding kan worden gebracht indien de verzekerde de kosten daarvan gedeeltelijk draagt. De eigen bijdrage kan verschillen naar gelang de groep waartoe de verzekerde behoort, de zorg die verstrekt wordt en de wijze waarop het recht op zorg tot gelding wordt gebracht, en kan mede afhankelijk gesteld worden van het inkomen en vermogen van de verzekerde en diens echtgenoot.

2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de wijze waarop het inkomen en vermogen, bedoeld in het eerste lid, worden bepaald.

Besluit langdurige zorg

Artikel 1.1.1

In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

(…)peiljaar: tweede kalenderjaar voorafgaande aan het jaar waarin de verzekerde zijn recht op zorg tot gelding brengt;

(…).

Artikel 3.3.1.1

1. De verzekerde van achttien jaar of ouder draagt bij in de kosten van de zorg.

2. De eigen bijdrage is mede afhankelijk van het inkomen en het vermogen van de verzekerde en diens echtgenoot.

Artikel 3.3.1.3

4. Het CAK maakt voor de vaststelling van de eigen bijdrage gebruik van:

a. het inkomensgegeven, bedoeld in artikel 21, onderdeel e, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, en van andere door de inspecteur, bedoeld in artikel 2, derde lid, onderdeel b, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, verstrekte gegevens;

b. gegevens van het zorgkantoor over het verstrekken van zorg als bedoeld bij of krachtens de wet aan een verzekerde waaronder, indien van toepassing, de ingangsdatum van de periode waarover een persoonsgebonden budget wordt verleend.

Artikel 3.3.2.1

1. De eigen bijdrage bedraagt per maand een twaalfde gedeelte van het bijdrageplichtig inkomen, berekend volgens artikel 3.3.2.3, voor:

a. de ongehuwde verzekerde die in een instelling verblijft,

Artikel 3.3.2.2

1. In afwijking van artikel 3.3.2.1 bedraagt een eigen bijdrage per maand een twaalfde gedeelte van 10% van het bijdrageplichtig inkomen, berekend volgens artikel 3.3.2.4 voor:

a. de ongehuwde verzekerde gedurende de eerste vier maanden van verblijf in een instelling;

Artikel 3.3.2.3

1. Het bijdrageplichtig inkomen, bedoeld in artikel 3.3.2.1, eerste lid, wordt als volgt berekend:

a. het inkomen over het peiljaar van de ongehuwde verzekerde onderscheidenlijk de gehuwde verzekerden tezamen wordt verminderd met de door die verzekerde onderscheidenlijk die verzekerden verschuldigde of ingehouden belasting;

b. op het met toepassing van onderdeel a berekende bedrag worden in mindering gebracht:

1°. 15% van de netto-opbrengst van in het voorafgaande kalenderjaar verrichte arbeid van een loon- of salarisdoorbetaling wegens ziekte of van een uitkering ingevolge de Ziektewet dan wel, indien dit onbekend of niet beschikbaar is, 15% van de redelijkerwijs te verwachten netto-opbrengst van in het lopende kalenderjaar verrichte arbeid, van een loon- of salarisdoorbetaling wegens ziekte of van een uitkering ingevolge de Ziektewet;

2°. het in het peiljaar geldende bedrag voor zak- en kleedgeld, premies voor een zorgverzekering gecorrigeerd voor de zorgtoeslag, een aftrekpost die verschillend kan zijn voor een verzekerde die de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt en een verzekerde die die leeftijd nog niet heeft bereikt of extra vrijlatingen, een en ander volgens bij ministeriële regeling te bepalen regels;

3°. op aanvraag van de verzekerde, de in het peiljaar geldende uitkering op grond van artikel 14 van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940–1945 of op grond van artikel 20 van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940–1945;

4°. de compensatie vervallen ouderentoeslag, indien het inkomen van de verzekerde die de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt, verminderd met 4% van de grondslag sparen en beleggen, verminderd met, voor zover van toepassing, de vermogensbestanddelen als bedoeld in artikel 3.3.1.2, eerste lid, onder a en b, minder dan € 22.833 bedraagt;

5°. de compensatie vervallen ouderentoeslag van de echtgenoot, indien de echtgenoot van de verzekerde de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt en het inkomen van de echtgenoot, verminderd met 4% van zijn grondslag sparen en beleggen, verminderd met, voor zover van toepassing, de vermogensbestanddelen als bedoeld in artikel 3.3.1.2, eerste lid, onder a en b, minder dan € 22.833 bedraagt;

c. het met toepassing van onderdeel b berekende bedrag wordt vermeerderd met de vermogensinkomensbijtelling over het peiljaar.2. Op aanvraag van de verzekerde stelt het CAK, in afwijking van het eerste lid, onderdelen a en c, het bijdrageplichtig inkomen voorlopig vast op basis van het redelijkerwijs gedurende het lopende kalenderjaar te verwachten inkomen, vermeerderd met de vermogensinkomensbijtelling van het verwachte vermogen, en de over dat kalenderjaar te verwachten belasting indien toepassing van het eerste lid, onderdelen a en c, ertoe zou leiden dat na afdracht van de bijdrage maandelijks gemiddeld minder over zou blijven dan het zak- en kleedgeld, zoals dat geldt in het lopende kalenderjaar, alsmede een bedrag in verband met de standaardpremie, vermeerderd met de inkomensafhankelijke premie Zorgverzekeringswet, bedoeld in artikel 43, eerste lid, van de Zorgverzekeringswet, en verminderd met de zorgtoeslag, zoals deze bedragen gelden in het lopende kalenderjaar. Het aldus berekende bijdrageplichtig inkomen wordt, om de per maand verschuldigde bijdrage vast te stellen, gedeeld door twaalf.

Regeling langdurige zorg

Artikel 4.2

Ingevolge artikel 3.3.2.3, eerste lid, onderdeel b, onder 2°, van het Besluit worden op het bedrag, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, van dat artikel, in mindering gebracht:

a. een bedrag voor zak- en kleedgeld, genoemd in artikel 4.3;

b. een bedrag in verband met de premie zorgverzekering, genoemd in artikel 4.4;

c. een aftrekpost, genoemd in artikel 4.5, en

d. een extra vrijlating, genoemd in artikel 4.6.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Deze uitspraak verwijst naar

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.