Uitspraak · Personen- en familierecht

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 30 juli 2026

ECLI:NL:RBZWB:2026:8343Zaaknummer C/02/447326 / JE RK 26-676

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
30 juli 2026
Publicatiedatum
26 oktober 2026
Zaaknummer
C/02/447326 / JE RK 26-676
Rechtsgebied
Civiel recht, Personen- en familierecht
Procedure
Rekestprocedure, Beschikking
Zittingsplaats
Breda
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

OTS Omgang te beperkt voor hechtingsrelatie kind met vader. Ouders niet in staat afspraken te maken, moeder kan contact met vader niet aan. Moeder zegt vrijwillig kader niet benut maar maakt voortgang situatie waarin stappen gezet worden niet mogelijk.

6 De beslissing

De kinderrechter:

6.1.

stelt [minderjarige] onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming Brabant met ingang van 30 juli 2026 tot 30 juli 2027;

6.2.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beslissing is gegeven door mr. Van Leuven, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 30 juli 2026, in aanwezigheid van Dekkers als griffier.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 Het verloop van de procedure
  2. 2 De feiten
  3. 3 Het verzoek, het verweer en de reactie op het verweer
  4. 4 De standpunten
  5. 5 De beoordeling
  6. 6 De beslissing

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht

Locatie Breda

Zaaknummer: C/02/447326 / JE RK 26-676

Datum uitspraak: 30 juli 2026

Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling

in de zaak van

RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING,

Regio Zeeland–West-Brabant, locatie Breda,

hierna te noemen de Raad,

over

[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2022 in [geboorteplaats],

hierna te noemen [minderjarige].

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[de moeder],

hierna te noemen de moeder,

wonende in [woonplaats],

advocaat mr. M.A. Stoffijn uit Waalwijk,

[de vader],

hierna te noemen de vader,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat mr. S.S. Zijderveld uit Wageningen.

De kinderrechter merkt als informant aan:

de gecertificeerde instelling Stichting Jeugdbescherming Brabant,

locatie Tilburg, hierna te noemen de GI.

1 Het verloop van de procedure

1.1.

De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:

  • het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 14 april 2026;
  • het verweerschrift van de moeder, ontvangen op 6 juli 2026;
  • de reactie op het verweerschrift, ontvangen op 13 juli 2026.
1.2.

De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 16 juli 2026. Daarbij waren aanwezig:

- de moeder met haar advocaat;

- de vader met zijn advocaat;

- een vertegenwoordiger van de Raad;

- twee vertegenwoordigers van de GI (via een videoverbinding).

1.3.

De zaak is gelijktijdig behandeld met de samenhangende zaak met nummer C/02/423396 / FA RK 24-2682. In de samenhangende zaak zal bij aparte beschikking worden beslist.

2 De feiten

2.1.

De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige].

2.2.

[minderjarige] woont bij de moeder.

2.3.

Bij beschikking van 12 november 2024 heeft de rechtbank, voor zover in deze van belang, toestemming aan de vader verleend, ter vervanging van de ontbrekende toestemming van de moeder, om (nu genoemd) [minderjarige] te erkennen. Verder heeft de rechtbank, kort gezegd, bepaald dat de voornamen van (nu genoemd) [minderjarige] worden gewijzigd en komen te luiden: [minderjarige]. De ouders en [minderjarige] zijn voor een (jeugd)hulptraject verwezen naar het loket van de samenwerkende gemeenten in de zorgregio Midden-Brabant. De rechtbank heeft een voorlopige omgangsregeling tussen de vader en [minderjarige] vastgesteld. De definitieve beslissing op de verzoeken van de ouders over de omgangsregeling tussen de vader en [minderjarige] is aangehouden.

2.4.

De Raad heeft onderzoek gedaan op verzoek van de rechtbank in het kader van de rapportage, uitgebracht binnen voornoemd (jeugd)hulptraject. De Raad heeft het onderzoek uitgebreid met een beschermingsonderzoek.

3 Het verzoek, het verweer en de reactie op het verweer

3.1.

De Raad verzoekt [minderjarige] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

3.2.

De moeder voert verweer tegen het verzoek van de Raad en verzoekt dat de rechtbank bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, dit verzoek afwijst.

3.3.

De vader reageert op het verweerschrift van de moeder en verzoekt dat de rechtbank het verzoek van de Raad toewijst.

4 De standpunten

4.1.

In het verzoekschrift en de daarbij gevoegde onderbouwing in het raadsrapport is het verzoek en het standpunt van de Raad toegelicht. Tijdens de zitting is (in aanvulling daarop) samengevat verklaard dat [minderjarige] vanaf haar geboorte beperkt omgang heeft met de vader. Deze omgang is zodanig minimaal dat zij geen volwaardige hechtingsrelatie met elkaar kunnen opbouwen of dat de mogelijkheden van de vader kunnen worden opgebouwd. Professionele begeleiding in de omgang is noodzakelijk zodat daar zicht op komt. Het is goed om feedback richting de vader te kunnen geven. Daarnaast is het goed dat [minderjarige] door de moeder op de omgang met de vader wordt voorbereid en dat zij na afloop van de omgang door de moeder opgevangen wordt. Het persoonlijke stuk van de moeder moet niet wringen in de omgang tussen de vader en [minderjarige]. Sterk Huis heeft aangegeven dat MASIC dan wel een andere methode kan worden ingezet om te onderzoeken wat de impact op de huidige situatie is. Hoe dan ook moeten de ouders verder en moeten zij vormgeven aan hun ouderschap. Dat kan met hulpverlening binnen een Parallel Solo-constructie. Het zou mooi zijn als de ouders op enig moment tot een vorm van samenwerking kunnen komen maar gezien wordt dat dit nu niet mogelijk is. Er moet echter wel duidelijkheid komen over de rol van de vader. Wat kan zijn rol zijn? Hoe uitgebreid kan deze rol zijn? Hoe begeleiden de ouders [minderjarige] daar zo goed mogelijk bij? Dat wordt bedoeld met een traject van ouderschapsbemiddeling. Het woord ‘bemiddeling’ zit echter genesteld in het hoofd van de moeder en dat kan zij er nu niet bij hebben. Er zijn nog geen mogelijkheden dat de ouders samen om de tafel gaan. De hoop is dat er snel zicht komt op de omgangsbegeleiding. Het proces om samen een vorm te vinden om samen vorm te geven aan het ouderschap zal naar verwachting van de Raad het komende jaar, anderhalf jaar in beslag nemen. De vader zegt hierin zijn medewerking toe, de moeder is daarin terughoudend. Het is goed als er een neutrale derde is om te kunnen beoordelen of er misschien een stap terug moet worden gedaan of juist een stap vooruit omdat de situatie van [minderjarige] daarom vraagt. De verwachting van de Raad is dat de ouders deze neutrale derde nodig hebben die stappen kan nemen in het belang van [minderjarige]. De vader zal altijd sneller in het proces willen en de moeder juist niet. Dit is zonder een ondertoezichtstelling niet haalbaar. Daarom is deze ultimum remedium verzocht.

4.2.

In het verweerschrift is het standpunt van de moeder toegelicht. Van de zijde van de moeder is tijdens de zitting (in aanvulling daarop) samengevat aangevoerd dat zij heel veel moeite heeft om met de vader in één ruimte te zitten. De spanningen bij de moeder zijn, ook voorafgaand aan de zitting, enorm hoog en zij ervaart hier veel fysieke klachten van. Desondanks zet de moeder zich in, in het belang van [minderjarige]. Zij wil, evenals de vader, tot afspraken komen. Ouderschapsbemiddeling is voor de moeder niet haalbaar. Als de vader echt bereid is tot medewerking kan er beweging komen. Er moet vertrouwen komen bij de moeder dat de vader zich aan de afspraken houdt en dat [minderjarige] veilig is bij hem. Op dit moment is er geen zicht op de situatie van de vader. De moeder heeft daarover haar zorgen geuit. Daarnaast is nog niet gekeken naar waar de klachten van [minderjarige] vandaan komen. Daarvoor is het inzetten van MASIC belangrijk. Dit heeft de moeder tien maanden geleden al verzocht maar is nog niet van de grond gekomen. Dit is echt de eerst te zetten stap. De moeder ziet geen meerwaarde in een ondertoezichtstelling. Zeker nu er bij de GI een wachttijd is zal er enkel noodcontactpersoon zijn en wordt er geen hulpverleningslijn uitgezet. Hulpverlening in het vrijwillige kader is nog niet geprobeerd omdat instanties de casus terugleggen bij de rechtbank. Dit kan niet op het bord van de moeder worden gelegd. Een ondertoezichtstelling is een ultimum remedium, de opties in een vrijwillig kader zijn nog niet benut. Wanneer professionele omgangsbegeleiding wordt ingezet, wordt er nog geen MASIC ingezet, wat verdere vertraging geeft. Met verwijzing naar een recente beschikking van deze rechtbank van 23 april 2026 (ECLI:NL:RBZWB:2026:4511) is via een verwijzing van partijen naar een traject in het kader van het Uniform Hulpaanbod (UHA) MASIC ingezet. Daarna kan worden bepaald welke specifieke hulpverlening nodig is. De omgang moet veilig zijn en er moet vertrouwen zijn. In voornoemde zaak is MASIC ook in een vrijwillig kader ingezet. Het is heftig om de stap binnen vrijwillige hulpverlening over te slaan. Er wordt dan over de moeder heen gestapt, waardoor de kans van slagen van de hulpverlening in gevaar komt. De moeder mag niet omvallen voor [minderjarige], aldus de advocaat.

4.3.

In de reactie op het verweerschrift is het standpunt van de vader toegelicht. Door en namens de vader is tijdens de zitting (in aanvulling daarop) samengevat naar voren gebracht dat hij in beweging wil komen. Hij heeft zich op de achtergrond gehouden, ook uit respect voor de moeder. Hij wil [minderjarige] het liefst zoveel mogelijk zien. Hij is teleurgesteld dat het traject in het kader van het UHA niet is gelukt. Hij wil overal aan meewerken maar hij wil wel dat er beweging komt. De moeder is echter niet in staat om die beweging te maken. Wanneer de moeder aangeeft dat zij hulpverlening wil, afspraken wil maken en de vader omgang met [minderjarige] gunt kunnen er stappen worden gezet. De vader heeft er echter geen vertrouwen in dat er beweging komt zonder een kader van ondertoezichtstelling. Het gaat om [minderjarige], zij heeft recht op omgang met haar beide ouders. Nu wordt de vader een kans op het opbouwen van een band met [minderjarige] ontnomen. Er worden steeds nieuwe voorwaarden door de moeder geschept, terwijl zij haar wantrouwen in de vader niet onderbouwt. De inzet van hulpverlening in een vrijwillig kader is uitgeput omdat de moeder daarvan geen gebruik wil maken. Een jeugdbeschermer gaat in het kader van een ondertoezichtstelling toezien op de medewerking vanuit de moeder. Dat is in het belang van [minderjarige]. De vader is bereid om zijn medewerking te verlenen aan professionele omgangsbegeleiding. Regie is nodig in deze. Juist gelet op de kwetsbaarheid van de moeder is een ondertoezichtstelling noodzakelijk, meent de advocaat.

4.4.

Namens de GI is samengevat opgemerkt dat zij het verzoek van de Raad ondersteunt en dat zij bereid is de ondertoezichtstelling bij het uitspreken daarvan uit te voeren. Gelet op de wachttijd bij de GI zal een monitorwerker met de ouders een plan van aanpak maken en de nodige hulpverlening inzetten. Daarbij kan MASIC worden ingezet. Tevens is van belang dat er zicht komt op de situatie wanneer de vader en [minderjarige] samen zijn. Daarnaast dient de situatie van de moeder inzichtelijk worden gemaakt, nu zij spanningen ervaart rondom het thema ‘vader’. Solo Parallel Ouderschap kan worden ingezet, waarbij de hoop is dat de ouders in de toekomst samen afspraken kunnen maken. Van belang is dat er in ieder geval afspraken voor [minderjarige] gemaakt worden.

5 De beoordeling

5.1.

In artikel 1:255 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) staat, kort gezegd, dat de kinderrechter een minderjarige onder toezicht kan stellen als hij/zij ernstig in zijn/haar ontwikkeling wordt bedreigd en die ontwikkelingsbedreiging niet (voldoende) kan worden weggenomen met vrijwillige hulpverlening.

5.2.

De kinderrechter is gelet op de stukken en hetgeen tijdens de zitting besproken is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling is voldaan. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.

5.3.

De ontwikkeling van [minderjarige] wordt ernstig bedreigd. Hoewel [minderjarige] zich op dit moment over het algemeen goed lijkt te ontwikkelen, is zij nog erg jong. Om een eigen identiteit te kunnen ontwikkelen is van belang dat een kind juist vanaf een jonge leeftijd een gezonde gehechtheidsrelatie met beide ouders heeft. Dit ontbreekt bij [minderjarige]. Zij ziet de vader al heel lange tijd zeer beperkt, om de drie weken gedurende twee uur onder begeleiding van grootouders moederszijde, waarbij de vader geen opvoedersrol heeft. Daarbij komt dat [minderjarige] de spanningen bij de volwassenen om haar heen voelt, ook al doen zij hun best om dat voor haar te verbergen. Zo is namens de moeder tijdens de zitting aangegeven dat de spanningen voorafgaand aan de zitting al erg opliepen en zij veel fysieke klachten daarvan ervaart. Hoewel de moeder haar medewerking verleent aan de omgang tussen [minderjarige] en de vader, maakt zij zich veel zorgen over de veiligheid van [minderjarige]. De vader heeft zorgen over de vraag of hij de ruimte krijgt om zijn vaderrol te kunnen vervullen. Grootouders moederszijde zijn eveneens bezorgd over de huidige situatie. Dit alles merkt [minderjarige] en dat belast haar en belemmert haar in het ontwikkelen van een onbelast contact met beide ouders. Hierop reageert [minderjarige]. Zij laat zorgelijk gedrag en weerstand zien rondom de omgang met de vader en doet uitspraken over hem. Tussen de ouders is al jaren geen contact. Zij uiten zorgen over elkaar en zij zijn niet in staat om in het belang van [minderjarige] samen afspraken over haar te maken. De moeder heeft ook aangegeven dat contact met de vader voor haar nu niet mogelijk is. Als gevolg van traumatische ervaringen in het eerdere contact met de vader en haar aanhoudende onzekerheid, stress en angst voor de toekomst, zijn er zorgen over de mogelijkheden van de moeder om [minderjarige] daadwerkelijk emotionele toestemming te geven voor onbelast contact met de vader. De moeder is kwetsbaar, functioneert in een overlevingsstand en heeft nog niet goed kunnen profiteren van therapie. Wanneer het de moeder niet lukt om dit ten positieve te keren, zijn er ook zorgen over de mentale en emotionele beschikbaarheid van de moeder voor [minderjarige].

5.4.

De ernstige ontwikkelingsbedreiging kan niet of onvoldoende worden weggenomen met vrijwillige hulpverlening. In voormelde beschikking van 12 november 2024 heeft de rechtbank onder meer overwogen dat de beperkte omgangsregeling tussen de vader en [minderjarige] niet in het belang van [minderjarige] is. Er is geen plan opgesteld om de omgang op korte termijn uit te breiden en dit wordt ook niet binnen een kort tijdsbestek verwacht. De rechtbank heeft daarom professionele begeleiding daarin van belang geacht en partijen verwezen naar zorg in het kader van het UHA, in de vorm van omgangsbegeleiding. Dit traject is echter volledig vastgelopen. Een nieuwe verwijzing naar zorg in het kader van het UHA zal de inmiddels jarenlange constante situatie niet ineens doen keren. Er is verandering en stevige regie nodig om duidelijkheid en rust te kunnen creëren. Bij het nemen van stappen lijkt nu iedere stap met voorwaarden omkleed te worden. Iedere opening wordt afgehouden. Dit is in een vrijwillig kader niet te doorbreken. Ter zitting is getracht om tot een traject van professionele omgangsbegeleiding te komen. Wanneer uit de evaluatieverslagen van die begeleiding blijkt dat de omgang tussen de vader en [minderjarige] goed verloopt kan eventueel daarna MASIC worden ingezet. Zijdens de moeder is echter aangegeven dat MASIC tegelijk met een traject van professionele omgangsbegeleiding moet worden ingezet. De moeder heeft gesteld dat hulpverlening in een vrijwillig kader nog niet is benut maar maakt een voortgang in de huidige situatie waarin daadwerkelijk stappen gezet worden in ieder geval ter zitting niet mogelijk.

5.5.

De ondertoezichtstelling is daarom gelet op het voorgaande noodzakelijk. De kinderrechter stelt [minderjarige] onder toezicht voor de duur van een jaar, zoals verzocht. In de komende periode zal worden gewerkt aan de volgende doelen:

- [minderjarige] kan een fijne, veilige en ontspannen relatie opbouwen en onderhouden met haar beide ouders, waarbij zij rust, duidelijkheid en voorspelbaarheid ervaart in haar opvoedingssituatie en vertrouwen bij haar ouders.

Van belang is dat [minderjarige] vader regelmatig ziet in een fijne en veilige omgeving (elders dan bij grootouders). De contacten kunnen voorlopig begeleid plaatsvinden om [minderjarige] en vader ondersteuning te bieden bij het contact en om meer zicht te krijgen op het verloop van de interactie tussen [minderjarige] en vader en op de opvoedingsmogelijkheden van vader.

- [minderjarige] krijgt emotionele toestemming van moeder om contact te hebben en een relatie op te bouwen met vader.

Het vertrouwen bij moeder zal kunnen groeien door de informatie over het verloop van de begeleide omgang.

- Ouders nemen deel aan een ouderschapsbemiddelingstraject "op maat", met een individueel traject en waarbij moeder ook de ruimte heeft voor de behandeling van de traumaklachten om hierna het traject weer te vervolgen.

Met inzet van MASIC kan meer zicht ontstaan op de eerdere ervaringen en onderlinge dynamiek in het contact/ de relatie tussen ouders, de impact op het huidige functioneren en de mogelijkheden voor een vervolg van het ouderschapsbemiddelingstraject. Dit traject zal in eerste instantie vooral gebruikt worden voor het bespreken van het verloop van de begeleide omgang. Daarnaast is van belang om zicht te krijgen op wat moeder nodig heeft om [minderjarige] te kunnen ondersteunen. Tot slot zal binnen het ouderschapsbemiddelingstraject, rekening houdend met de uitkomsten van de MASIC en de begeleide omgang, worden bekeken of ouders tot afspraken kunnen komen over afstemming/samenwerking en over de zorg- en opvoeding van [minderjarige].

- [minderjarige] krijgt, in ieder geval gedurende de begeleide omgang, professionele

individuele begeleiding dan wel therapie geboden.

Om voornoemde doelen te kunnen behalen is de kinderrechter van oordeel dat de regie over de invulling/uitbreiding van de (begeleide) omgangsregeling van de vader en [minderjarige] bij de GI dient te liggen.

5.6.

De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6 De beslissing

De kinderrechter:

6.1.

stelt [minderjarige] onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming Brabant met ingang van 30 juli 2026 tot 30 juli 2027;

6.2.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beslissing is gegeven door mr. Van Leuven, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 30 juli 2026, in aanwezigheid van Dekkers als griffier.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Deze uitspraak verwijst naar

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.