Uitspraak · Personen- en familierecht

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 30 juli 2026

ECLI:NL:RBZWB:2026:8339Zaaknummer C/02/450898 / FA RK 26-3982

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
30 juli 2026
Publicatiedatum
26 oktober 2026
Zaaknummer
C/02/450898 / FA RK 26-3982
Rechtsgebied
Civiel recht, Personen- en familierecht
Procedure
Rekestprocedure, Beschikking
Zittingsplaats
Breda
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

WZD. Verzoek afgewezen, ontbreekt aan verzet. Betrokkene wil vrijwillig in het verpleeghuis verblijven.

De rechtbank:

wijst het verzoek af.

Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 30 juli 2026 door mr. Van Dun, rechter, in aanwezigheid van Oonincx, griffier en op schrift gesteld op 7 augustus 2026.

Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 Het verloop van de procedure
  2. 2 Wat vaststaat
  3. 3 Het verzoek
  4. 4 De standpunten
  5. 5 De beoordeling
  6. 6 De beslissing

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht

Locatie Breda

Zaaknummer: C/02/450898 / FA RK 26-3982

Datum uitspraak: 30 juli 2026

Beschikking voortzetting inbewaringstelling

op het verzoek van het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) voor

[betrokkene],

geboren op [geboortedag] 1939 in [geboorteplaats],

hierna te noemen betrokkene,

wonende aan [adres] te [plaats 1],

verblijvende in de [accommodatie], [plaats 2].

advocaat mr. M.M.M. Heesmans uit Roosendaal.

1 Het verloop van de procedure

1.1.

De rechtbank neemt het volgende stuk mee in de beoordeling:

- het verzoekschrift met bijlagen, binnengekomen bij de rechtbank op 28 juli 2026.

1.2.

De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 30 juli 2026 in de hierboven genoemde accommodatie. Daarbij zijn gehoord:

  • betrokkene, bijgestaan door zijn advocaat;
  • de heer [persoon 1], de zoon van betrokkene;
  • mevrouw [persoon 2], specialist ouderengeneeskunde;
  • mevrouw [persoon 3], verpleegkundige.

2 Wat vaststaat

2.1.

Betrokkene verblijft met een inbewaringstelling in [accommodatie]. De burgemeester van Rucphen heeft de inbewaringstelling op 27 juli 2026 afgegeven.

3 Het verzoek

3.1.

Het CIZ verzoekt de rechtbank een machtiging tot voorzetting van de inbewaringstelling te verlenen voor de duur van zes weken.

4 De standpunten

4.1.

Betrokkene laat weten dat hij het in de accommodatie naar zijn zin heeft. Betrokkene geeft verder aan dat hij problemen met zijn gebit heeft.

4.2.

De zoon licht toe dat de thuissituatie onhoudbaar is geworden. Zowel zijn vader, als moeder zijn dementerend. Dit leidt tot onderlinge agressie, zoals slaan en schoppen. De zoon en zijn zus bieden de ouders veel ondersteuning aan, maar dit is niet mogelijk in de avonden en nachten. Gelet op alle problematiek kan betrokkene volgens zijn zoon niet meer terug naar huis. Volgens de zoon is te zien dat zijn vader rust ervaart in de accommodatie.

4.3.

De specialist ouderengeneeskunde verklaart dat betrokkene onlangs is opgenomen vanwege agressie in de thuissituatie. Betrokkene was tijdens de opname zeer geagiteerd, onrustig en hij wilde naar huis. Inmiddels gaat het goed met betrokkene op de afdeling. Betrokkene krijgt een enkele keer medicatie om rustig te blijven. Er is en wordt geen verzet meer waargenomen. Betrokkene zal op korte termijn overgeplaatst worden naar een andere afdeling of verpleeghuis, omdat hij op een tijdelijke crisisplek verblijft. Het is de specialist ouderengeneeskunde vooralsnog onbekend waar betrokkene terecht kan.

4.4.

De advocaat voert aan dat er niet wordt voldaan aan de wettelijke criteria. Betrokkene toont geen verzet en accepteert het verblijf in het verpleeghuis. Het verzoek dient dan ook te worden afgewezen.

5 De beoordeling

5.1.

Blijkens de stukken was er bij betrokkene thuis sprake van een crisissituatie en werd betrokkene daarom op grond van een door de burgemeester van Rucphen op de voet van artikel 29 Wzd genomen beschikking opgenomen in [accommodatie]. 5.2. Uit de stukken is gebleken en tijdens de mondelinge behandeling is ook toegelicht dat betrokkene zich tegen die opname verzette.5.3. Tijdens de mondelinge behandeling is de rechtbank van enig (verder) verzet van betrokkene tegen de opname en het daaropvolgend verblijf in " [accommodatie] " echter niet gebleken. Integendeel, tijdens de mondelinge behandeling leek betrokkene naar het oordeel van de rechtbank op zijn gemak te zijn in de accommodatie, terwijl hij toen hem tijdens de mondelinge behandeling door de rechtbank werd gevraagd of hij langer wilde blijven ook duidelijk aangaf dat hij dat prima vindt. De rechtbank betrekt hierbij nog dat de zoon van betrokkene aangaf dat hij constateert dat zijn vader rust vindt in de accommodatie en de specialist oudergeneeskunde expliciet aangaf dat er niet langer sprake is van verzet. 5.4. De rechtbank kan dan ook niet anders dan concluderen dat er reeds, omdat er geen sprake is van verzet, niet voldaan wordt aan de wettelijk vereisten voor de gevraagde rechterlijke machtiging. Daarom zal de rechtbank het verzoek afwijzen.

6 De beslissing

De rechtbank:

wijst het verzoek af.

Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 30 juli 2026 door mr. Van Dun, rechter, in aanwezigheid van Oonincx, griffier en op schrift gesteld op 7 augustus 2026.

Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.