Uitspraak · Personen- en familierecht

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 30 juli 2026

ECLI:NL:RBZWB:2026:8338Zaaknummer C/02/450121 / JE RK 26-1214

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
30 juli 2026
Publicatiedatum
26 oktober 2026
Zaaknummer
C/02/450121 / JE RK 26-1214
Rechtsgebied
Civiel recht, Personen- en familierecht
Procedure
Rekestprocedure, Beschikking
Zittingsplaats
Breda
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Verlenging ondertoezichtstelling

6 De beslissing

De kinderrechter:

6.1.

verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] met ingang van 13 augustus 2026 tot 13 februari 2027;

6.2.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 30 juli 2026 door mr. M. Pellikaan, kinderrechter, in aanwezigheid van I.H.E. van Diepen als griffier, en op schrift gesteld op 14 augustus 2026.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 Het verloop van de procedure
  2. 2 De feiten
  3. 3 Het verzoek
  4. 4 De standpunten
  5. 5 De beoordeling
  6. 6 De beslissing

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht

Locatie Breda

Zaaknummer: C/02/450121 / JE RK 26-1214

Datum uitspraak: 30 juli 2026

Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling

in de zaak van

de gecertificeerde instelling

STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT,

gevestigd in Etten-Leur,

hierna te noemen de GI,

over

[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2012 in [geboorteplaats],

hierna te noemen [minderjarige].

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[de moeder],

hierna te noemen de moeder,

wonende in [woonplaats 1],

[de vader],

hierna te noemen de vader,

wonende in [woonplaats 2].

1 Het verloop van de procedure

1.1.

De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:

  • het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 8 juli 2026;
  • de brief van de GI d.d. 14 juli 2026, ontvangen op 15 juli 2026.
1.2.

De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 30 juli 2026. Daarbij waren aanwezig:

- de vader;

- twee vertegenwoordigers van de GI.

De moeder is niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de moeder wel juist is opgeroepen.

1.3

De kinderrechter heeft [minderjarige] naar zijn mening over het verzoek gevraagd. [minderjarige] heeft geen mening gegeven. Na afloop van de zitting is gebleken dat de uitnodiging voor het kindgesprek naar het gezinshuis is gestuurd, terwijl [minderjarige] al bij zijn vader verbleef. De gezinshuisouders waren op het moment van ontvangst op vakantie, waardoor de uitnodiging [minderjarige] niet tijdig heeft bereikt.

2 De feiten

2.1.

De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige].

2.2.

De kinderrechter in deze rechtbank heeft de ondertoezichtstelling van [minderjarige] bij beschikking van 28 januari 2026 verlengd met ingang van 13 februari 2026 tot 13 augustus 2026. Tevens is bij die beschikking het restantverzoek van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een gezinsgerichte voorziening toegewezen met ingang van 13 februari 2026 tot 13 augustus 2026.

2.3.

[minderjarige] woont sinds 10 juli 2026 weer bij zijn vader.

3 Het verzoek

3.1.

De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van zes maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4 De standpunten

4.1.

Namens de GI wordt aangevoerd dat in goed overleg met de gezinshuisouders, de vader en [minderjarige] is gekomen tot een thuisplaatsing van [minderjarige] bij de vader. Ondanks dat er de afgelopen periode nog enkele incidenten hebben plaatsgevonden, is er sprake van een positieve groei bij zowel [minderjarige] als de vader. Nu [minderjarige] pas weer sinds 10 juli 2026 bij zijn vader woont, vindt de GI een verlenging van de ondertoezichtstelling nog noodzakelijk om te kunnen blijven monitoren of het goed blijft gaan, ook als [minderjarige] dadelijk weer naar school zal gaan. Ook het contact met de moeder blijft een aandachtspunt in het kader van de ondertoezichtstelling. Op dit moment heeft [minderjarige] alleen telefonisch contact met zijn moeder. De moeder blijft [minderjarige] belasten met volwassen problematiek. De GI heeft [minderjarige] duidelijk gemaakt dat wanneer hij weer fysiek contact wil met zijn moeder hij dit kenbaar moet maken en alsdan zal worden bekeken op welke wijze het contact kan plaatsvinden. Ook in dat kader is een verlenging van de ondertoezichtstelling nog gewenst.

4.2.

De vader heeft aangegeven dat [minderjarige] sinds 10 juli 2026 weer bij hem woont en dat het goed gaat. De inschrijving op school is geregeld, zodat [minderjarige] na de zomervakantie in de omgeving van de vader naar school zal gaan. De vader stemt in met het verzoek van de GI. Hij heeft er vertrouwen in dat het goed blijft gaan nu [minderjarige] weer bij hem woont.

5 De beoordeling

5.1

De kinderrechter kan op grond van artikel 1:260 eerste lid van het Burgerlijk Wetboek (BW) de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar. Hiervoor moet aan de grond van de ondertoezichtstelling (zoals beschreven in artikel 1:255 eerste lid BW) zijn voldaan.

5.2

De kinderrechter kan op grond van artikel 1:255 eerste lid BW een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. Daarnaast moet:

a. de zorg die in verband met het wegnemen van deze bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouder(s) die het gezag uitoefenen, niet of onvoldoende door hen worden geaccepteerd, en

b. de verwachting gerechtvaardigd zijn dat de ouder(s) die het gezag uitoefenen de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van de minderjarige in staat zijn te dragen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbare termijn.

5.3

De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. [minderjarige] woont pas zeer recent weer bij zijn vader. Op dit moment gaat het goed met [minderjarige] bij zijn vader, maar de situatie is nog pril en het is belangrijk dat de situatie van [minderjarige] bij de vader gemonitord wordt, ook als [minderjarige] dadelijk weer naar school gaat. SDW zal betrokken blijven om de vader te ondersteunen in de opvoeding, het bieden van structuur en het stellen van grenzen. Het is van belang dat de GI de komende periode nog toezicht blijft houden op de situatie en indien nodig verdere ondersteuning kan bieden. Ook het contact tussen [minderjarige] en de moeder blijft een aandachtspunt. Op dit moment vindt er enkel telefonisch contact plaats tussen de moeder en [minderjarige], maar dit contact is door het handelen van de moeder niet altijd onbelast. Het is van belang dat [minderjarige] hier ook nog in ondersteund wordt.

5.4

Gelet op het voorgaande is de ondertoezichtstelling nog steeds nodig. De kinderrechter zal de ondertoezichtstelling van [minderjarige] daarom nog verlengen voor de duur van zes maanden.

5.5

De kinderrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6 De beslissing

De kinderrechter:

6.1.

verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] met ingang van 13 augustus 2026 tot 13 februari 2027;

6.2.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 30 juli 2026 door mr. M. Pellikaan, kinderrechter, in aanwezigheid van I.H.E. van Diepen als griffier, en op schrift gesteld op 14 augustus 2026.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.