Uitspraak · Personen- en familierecht

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 30 juli 2026

ECLI:NL:RBZWB:2026:8323Zaaknummer C/02/437740 / FA RK 25-3656

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
30 juli 2026
Publicatiedatum
26 oktober 2026
Zaaknummer
C/02/437740 / FA RK 25-3656
Rechtsgebied
Civiel recht, Personen- en familierecht
Procedure
Rekestprocedure, Beschikking
Zittingsplaats
Middelburg
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Aanhouding verzoeken vervangende toestemming erkenning, geslachtsnaamwijziging, gezag, omgangs-c.q. zorgregeling in afwachting onderzoek Raad. Vaststelling informatieregeling

De rechtbank:

5.1

verstaat dat als informatieregeling met betrekking tot [minderjarige 2], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2014 en [minderjarige 1], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2016 geldt dat:

- de vrouw, door tussenkomt van en in samenspraak met de GI, de man maandelijks schriftelijk (per email) informeert omtrent gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de persoon van [minderjarige 2] en [minderjarige 1], waarbij de inhoud van de informatie wordt afgestemd tussen de vrouw en de GI en waarbij eventueel ook informatie vanuit de grootouders mz betrokken wordt, en een foto van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] verstrekt, zulks met ingang van 1 augustus 2026 en vervolgens steeds op de eerste dag van de maand;

5.2

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.3

verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming, locatie Middelburg een onderzoek in te stellen ter beantwoording van de in rechtsoverweging 4.11 vermelde vragen en daarover te rapporteren en te adviseren, welk rapport vóór hierna te noemen pro forma datum bij de rechtbank dient te worden ingediend, zulks onder gelijktijdige verstrekking van een afschrift daarvan aan (de advocaten van) partijen;

5.4

houdt iedere verdere beslissing aan tot 30 maart 2027 PRO FORMA, in afwachting van het rapport en bijbehorend advies van de Raad, de reactie van partijen hierop en het door hen gewenste procesverloop.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.B. Polak, (kinder)rechter, en in het openbaar uitgesproken op 30 juli 2026, in aanwezigheid van W. Bakker-Maljers, griffier.

Mededeling van de griffier:

Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:

- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het

gerechtshof ’s-Hertogenbosch.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 Het verdere procesverloop
  2. 2 De feiten
  3. 3 De (verdere) verzoeken
  4. 4 De nadere beoordeling
  5. 5 De beslissing

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team Familie- en Jeugdrecht

Zittingsplaats: Middelburg

Zaaknummer: C/02/437740 / FA RK 25-3656

Datum uitspraak: 30 juli 2026

beschikking over vervangende toestemming erkenning, wijziging geslachtsnaam, wijziging gezag, vaststelling zorg-/omgangsregeling en vaststelling informatieregeling

in de zaak van

[de man],

hierna: de man,

wonende in [woonplaats 1],

advocaat: mr. W. Tiggelaar in Middelburg,

tegen

[de moeder],

hierna: de moeder,

wonende in [woonplaats 2],

advocaat: mr. N. Wouters in Middelburg.

Als belanghebbenden in deze zaak worden aangemerkt:

mr. M. KALLE, advocaat te Middelburg,

in zijn hoedanigheid van bijzondere curator over [minderjarige 1], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2016 (hierna: [minderjarige 1] ),

[grootouder 1] en [grootouder 2],

hierna: de grootouders moederszijde (mz),

wonende in [woonplaats 1].

Als informant in deze zaak wordt aangemerkt:

de gecertificeerde instelling STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND,

hierna: de GI;

gevestigd in Middelburg.

Op grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg,

hierna: de Raad, de rechtbank over het verzoek geadviseerd.

1 Het verdere procesverloop

1.1

De rechtbank oordeelt op grond van de navolgende stukken:

  • de in deze zaak gegeven beschikkingen tot benoeming van een bijzondere curator over [minderjarige 1] van 13 en 16 januari 2026 en alle daarin vermelde stukken;
  • het op 7 april 2026 ontvangen verslag van de bijzondere curator;
  • het F9-formulier van 8 juli 2026 van mr. Tiggelaar met daarin een aanvullend verzoek geformuleerd.
1.2

De verzoeken zijn mondeling behandeld op 9 juli 2026. Bij die behandeling zijn gekomen partijen, bijgestaan door hun advocaat. Ook waren aanwezig de grootouders mz, de bijzondere curator, een vertegenwoordigster van de GI en een vertegenwoordigster van de Raad.

1.3

De kinderrechter heeft de minderjarigen [minderjarige 2] en [minderjarige 1] naar hun mening gevraagd. [minderjarige 2] en [minderjarige 1] hebben hierover afzonderlijk ( [minderjarige 1] in bijzijn van de bijzondere curator) een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige 2] en [minderjarige 1] hebben verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2 De feiten

2.1

Partijen hebben een affectieve relatie gehad, uit welke relatie de navolgende thans nog minderjarige kinderen zijn geboren:

- [minderjarige 2], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2014; - [minderjarige 1], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2016.

2.2

De man heeft [minderjarige 2] erkend. Daarbij hebben de man en de vrouw gezamenlijk verklaard dat [minderjarige 2] de achternaam ‘[achternaam van de man]’ zal hebben.

2.3

De vrouw oefent van rechtswege het eenhoofdig ouderlijk gezag over [minderjarige 2] en [minderjarige 1] uit.

2.4

Bij beschikking van de kinderrechter van deze rechtbank van 19 januari 2024 zijn [minderjarige 2] en [minderjarige 1] onder toezicht gesteld van de GI, zulks met ingang van 19 januari 2024 en tot 19 oktober 2024. Daarnaast is bij diezelfde beschikking een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] verleend in het netwerkgezin van de grootouders mz, eveneens met ingang van 19 januari 2024 en tot 19 oktober 2024. De ondertoezichtstelling van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] en de machtiging tot uithuisplaatsing van hen in het netwerkgezin van de grootouders mz zijn daarna telkens verlengd, voor het laatst bij beschikking van 15 oktober 2025 en gelden nog tot 19 oktober 2026.

2.5

[minderjarige 2] en [minderjarige 1] verblijven bij de grootouders mz.

3 De (verdere) verzoeken

3.1

Als toevoeging op de in de beschikking van 13 januari 2026 (gewijzigd bij beschikking 16 januari 2026) vermelde verzoeken van de man, verzoekt de man bij F9-formulier van 8 juli 2026 een (al dan niet voorlopige, in afwachting van onderzoek en/of de inzet van hulpverlening) informatieregeling vast te stellen, inhoudende dat de vrouw althans de gecertificeerde instelling de man maandelijks, uiterlijk op de 25e van iedere maand, schriftelijk (per e-mail) relevante informatie, waaronder schoolprestaties, sportactiviteiten, gezondheid en belangrijke zaken op (sociaal-)emotioneel gebied, dient te geven over [minderjarige 2] en [minderjarige 1] met bijgevoegd een recente foto van beide kinderen waarop zij zichtbaar zijn.

3.2

De vrouw voert, behoudens tegen een informatieregeling, verweer tegen de verzoeken van de man.

3.3

Op de standpunten van partijen wordt, voor zover van belang voor de beoordeling van de verzoeken, hierna ingegaan.

4 De nadere beoordeling

4.1

De man heeft ter zitting aangegeven dat het opbouwen van een band met [minderjarige 2] en [minderjarige 1] voor hem het belangrijkste is. Hij realiseert zich dat de kinderen veel hebben meegemaakt en dat zijn verzoeken bij de kinderen onrust kunnen veroorzaken. De man wil op geen enkele wijze druk op de kinderen leggen of spanningen bij hen veroorzaken. Hij begrijpt dat contact tussen hem en de kinderen opgebouwd moet worden en dat het tempo van de kinderen hierin gevolgd dient te worden. Het ontvangen van informatie over [minderjarige 2] en [minderjarige 1] en het vaker kunnen sturen van een kaartje naar hen ziet hij als eerste stap om een band te kunnen gaan opbouwen. De man kan zich er in vinden dat de Raad onderzoek gaat doen. Voorgesteld wordt om, voorafgaand aan dit onderzoek, eerst in samenspraak met de GI te gaan kijken welke stappen er nu in het opbouwen van het contact tussen de man en [minderjarige 2] en [minderjarige 1] gezet kunnen. De uitkomsten daarvan kunnen vervolgens in een op een later moment te starten raadsonderzoek betrokken worden.

4.2

Uit het verslag van de bijzondere curator van 7 april 2026 als ook uit hetgeen ter zitting door de vrouw naar voren is gebracht, volgt dat de ontbrekende toestemming van de vrouw om [minderjarige 1] door de man te laten erkennen niet zozeer in de erkenning als zodanig gelegen is, maar in de daaraan verbonden geslachtsnaamwijziging. Bij de erkenning van [minderjarige 2] door de man is namelijk door partijen voor de geslachtnaam van de man ([achternaam van de man]) gekozen. Als de man [minderjarige 1] zou erkennen, zou dat voor [minderjarige 1], die nu de achternaam van de vrouw ([achternaam van de moeder]) heeft, betekenen dat zijn achternaam in [achternaam van de man] wijzigt. De vrouw acht wijziging van de achternaam van [minderjarige 1] niet in zijn belang. [minderjarige 1] is gebaat bij rust, stabiliteit en duidelijkheid en zodra er dingen veranderen heeft dat zijn weerslag op hem. De vrouw wenst dat de Raad onderzoek gaat doen zodat er meer zicht ontstaat op de gehele situatie van de man en duidelijk wordt wat in het belang van de kinderen is.

4.3

De grootouders mz geven aan dat het van groot belang is dat de stabiliteit die [minderjarige 2] en [minderjarige 1] sinds korte tijd ervaren, gewaarborgd blijft. Beide kinderen geven aan geen contact met de man te willen. Daar dient niet aan voorbij gegaan te worden. De grootouders mz kunnen zich vinden in een onderzoek door de Raad.

4.4

De bijzondere curator acht zich onvoldoende geïnformeerd omtrent de vraag of erkenning van [minderjarige 1] door de man, met de daaraan van rechtswege verbonden wijziging van de achternaam van [minderjarige 1], leidt tot een verstoring van de evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling van [minderjarige 1]. Een raadsonderzoek zou hierover mogelijk meer duidelijkheid kunnen geven.

4.5

De GI staat achter een onderzoek door de Raad. Van belang is dat de situatie van de man goed uitgezocht wordt. [minderjarige 2] en [minderjarige 1] hebben veel meegemaakt en van groot belang is dat hun tempo gevolgd wordt. Tegen het starten met het verstrekken van informatie over en foto’s van de kinderen aan de man heeft de GI geen bezwaar. De GI kan hierin een ondersteunende rol verlenen.

4.6

Hoewel de Raad vraagtekens heeft omtrent de belastbaarheid van een raadsonderzoek voor [minderjarige 2] en [minderjarige 1], adviseert de Raad dit onderzoek toch te gelasten. Vanuit een onderzoek kan alle relevante informatie verzameld worden en kunnen alle belangen in kaart gebracht worden. Daarmee ontstaat er zicht op de gehele situatie. Gedurende het raadsonderzoek kan, onder begeleiding van de GI, gestart worden met een informatieregeling. De effecten hiervan op [minderjarige 2] en [minderjarige 1] en de stappen die hierin gezet worden, kunnen meegenomen worden in het onderzoek. De Raad adviseert alle verzoeken in afwachting van het rapport en advies aan te houden.

4.7

De rechtbank overweegt als volgt.

4.8

Op grond van de overgelegde stukken en hetgeen ter zitting naar voren is gebracht, staat vast dat tussen partijen in het verleden sprake is geweest van een zeer turbulente verhouding als gevolg van huiselijk geweld door de man, waarvoor de man zelfs strafrechtelijk is veroordeeld tot een deels voorwaardelijk gevangenisstraf met een proeftijd van vier jaar, met daaraan onder andere een contact- en locatieverbod gekoppeld. [minderjarige 2] en [minderjarige 1] hebben op jonge leeftijd al veel meegemaakt en zijn gebaat bij rust en stabiliteit. Sinds korte tijd kan gezegd worden dat zij die rust en stabiliteit ervaren, maar er is sprake van een wankel evenwicht.

4.9

Tussen de man en de vrouw staat niet ter discussie dat de man de verwekker van [minderjarige 1] is. Dat betekent dat het verzoek van de man om hem vervangende toestemming te verlenen om [minderjarige 1] te erkennen, beoordeeld dient te worden aan de hand van de geldende maatstaf of de vervangende toestemming de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met [minderjarige 1] schaadt of door die toestemming een evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling van het kind in het gedrang komt (artikel 1:204 lid 3 BW). Bij die beoordeling komt het aan op een afweging van de belangen van de betrokkenen. In dat verband merkt de rechtbank op dat een erkenning van [minderjarige 1] door de man van rechtswege een wijziging van zijn geslachtsnaam met zich zou brengen. Partijen hebben namelijk bij de erkenning van [minderjarige 2] door de man, zijnde het eerste kind van partijen, gezamenlijk verklaard dat zij de geslachtsnaam [achternaam van de man] heeft. [minderjarige 1] heeft in het gesprek met de kinderrechter aangegeven dat hij geen andere achternaam wil. Gelet hierop, alsook hetgeen door alle overige betrokkenen naar voren is gebracht, acht de rechtbank zich onvoldoende geïnformeerd om in het belang van [minderjarige 1] op het verzoek van de man tot erkenning van [minderjarige 1] een beslissing te kunnen nemen. Om meer duidelijkheid te krijgen over de impact van een eventuele erkenning van [minderjarige 1] door de man op de vrouw en/of [minderjarige 1] en de invloed die de daaraan verbonden wijziging van de achternaam daarop heeft, acht de rechtbank een onderzoek door de Raad gewenst en noodzakelijk.

4.10

De rechtbank acht een onderzoek door de Raad ook wenselijk en noodzakelijk ten aanzien van de verzoeken van de man tot het verkrijgen van het gezamenlijk gezag en het vaststellen van een omgangs- c.q. zorgregeling. Tussen partijen is sprake van een belast verleden en [minderjarige 2] en [minderjarige 1] zijn kwetsbare kinderen. Veranderingen brengen bij hen, en in het bijzonder bij [minderjarige 1], veel teweeg en dienen dan ook zorgvuldig bekeken te worden. Als veranderingen al in hun belang zijn, dienen deze vervolgens heel langzaam plaats te vinden. Daar komt bij dat [minderjarige 2] en [minderjarige 1] in de gesprekken met de kinderrechter hebben aangegeven geen contact met de man te willen. Zij vinden de kaartjes die zij van hem met hun verjaardag ontvangen prima, maar willen verder contact geen contact met hem. [minderjarige 2] wil dit in de toekomst ook niet en [minderjarige 1] wil hierover pas opnieuw nadenken als hij ouder is. Hoewel de GI in het kader van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing bij de kinderen betrokken is, acht de rechtbank het van belang dat de Raad onderzoek doet naar de gehele situatie en alle belangen in kaart brengt. Zoals hierna aan de orde komt, zal gestart worden met een informatieregeling waarbij, onder begeleiding en sturing van de GI, de vrouw maandelijks informatie over en een foto van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] aan de man verstrekt. De man zal op zijn beurt vaker een kaartje aan [minderjarige 2] en [minderjarige 1] gaan sturen. De mogelijke effecten hiervan op [minderjarige 2] en [minderjarige 1] dienen door de Raad in het onderzoek betrokken te worden. Om nu onder regie van de GI (verdere) stappen te gaan zetten in de opbouw van het contact tussen de man en de kinderen, zoals de man voorstelt, acht de rechtbank niet in hun belang.

4.11

Gelet op het vorenstaande zal de rechtbank een raadsonderzoek gelasten en aan de Raad verzoeken te rapporteren en te adviseren over de navolgende vragen:

  • Schaadt erkenning van [minderjarige 1] door de man de belangen van de vrouw bij een ongestoorde verhouding met [minderjarige 1] ? In hoeverre speelt een met die erkenning gepaard gaande wijziging van de achternaam van [minderjarige 1] hierbij een rol?
  • Komt de evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling van [minderjarige 1] in het gedrang bij een erkenning van [minderjarige 1] door de man? In hoeverre speelt een met die erkenning gepaard gaande wijziging van de achternaam van [minderjarige 1] hierbij een rol?
  • Indien erkenning van [minderjarige 1] door de man niet tot bezwaren leidt, in hoeverre is er een onaanvaardbaar risico dat [minderjarige 1] klem of verloren raakt tussen de man en de vrouw en is niet te verwachten dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering komt of is wijziging van het gezag om andere redenen in het belang van [minderjarige 1] noodzakelijk?
  • In hoeverre is er een onaanvaardbaar risico dat [minderjarige 2] klem of verloren raakt tussen de ouders en is niet te verwachten dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering komt of is wijziging van het gezag om andere redenen in het belang van [minderjarige 2] noodzakelijk?
  • Zijn er contra-indicaties voor omgang tussen de man en [minderjarige 2] en tussen de man en [minderjarige 1] en zo ja, welke?
  • In hoeverre zijn deze contra-indicaties op te heffen: hoe, onder welke voorwaarden?
  • Indien omgang mogelijk is, hoe dient de regeling qua aard, duur en frequentie vorm gegeven te worden?
  • Welke andere feiten en/of omstandigheden die uit het onderzoek naar voren zijn

gekomen, zijn niet in voorgaande vragen aan de orde gesteld, maar zijn wel van

belang om te vermelden?

4.12

In afwachting van de uitkomsten van het raadsonderzoek zal de rechtbank iedere verdere beslissing aanhouden tot 30 maart 2027 pro forma. De Raad wordt verzocht om het rapport met bijbehorend advies uiterlijk op deze datum in de procedure in te brengen, onder gelijktijdige verstrekking aan partijen. Partijen zullen vervolgens in de gelegenheid worden om binnen twee weken na ontvangst van het rapport en advies van de Raad daarop te reageren alsmede om zich uit te laten over het door hen gewenste procesverloop.

4.13

De rechtbank merkt op dat als de GI op enig moment zou merken dat er bij [minderjarige 2] en [minderjarige 1] toch wat ruimte en nieuwsgierigheid richting de man zou ontstaan, onder regie van de GI, verdere stapjes gezet kunnen worden in de opbouw van het contact tussen de man en [minderjarige 2] en [minderjarige 1]. Het raadsonderzoek hoeft daaraan niet in de weg te staan.

Informatieregeling

4.14

Partijen zijn ter zitting een informatieregeling overeengekomen, inhoudende dat de vrouw, via tussenkomst en in samenspraak met de GI, de man steeds op de eerste dag van de maand schriftelijk (per e-mail) informeert over [minderjarige 2] en [minderjarige 1] alsmede een foto van hen verstrekt. De inhoud van de te verstrekken informatie wordt tussen de vrouw en de GI afgestemd, waarbij eventueel ook informatie die via de grootouders mz wordt verkregen, betrokken kan worden. De rechtbank zal deze regeling op onderstaande wijze vaststellen.

5 De beslissing

De rechtbank:

5.1

verstaat dat als informatieregeling met betrekking tot [minderjarige 2], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2014 en [minderjarige 1], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2016 geldt dat:

- de vrouw, door tussenkomt van en in samenspraak met de GI, de man maandelijks schriftelijk (per email) informeert omtrent gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de persoon van [minderjarige 2] en [minderjarige 1], waarbij de inhoud van de informatie wordt afgestemd tussen de vrouw en de GI en waarbij eventueel ook informatie vanuit de grootouders mz betrokken wordt, en een foto van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] verstrekt, zulks met ingang van 1 augustus 2026 en vervolgens steeds op de eerste dag van de maand;

5.2

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.3

verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming, locatie Middelburg een onderzoek in te stellen ter beantwoording van de in rechtsoverweging 4.11 vermelde vragen en daarover te rapporteren en te adviseren, welk rapport vóór hierna te noemen pro forma datum bij de rechtbank dient te worden ingediend, zulks onder gelijktijdige verstrekking van een afschrift daarvan aan (de advocaten van) partijen;

5.4

houdt iedere verdere beslissing aan tot 30 maart 2027 PRO FORMA, in afwachting van het rapport en bijbehorend advies van de Raad, de reactie van partijen hierop en het door hen gewenste procesverloop.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.B. Polak, (kinder)rechter, en in het openbaar uitgesproken op 30 juli 2026, in aanwezigheid van W. Bakker-Maljers, griffier.

Mededeling van de griffier:

Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:

- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het

gerechtshof ’s-Hertogenbosch.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.