Uitspraak · Personen- en familierecht
Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 30 juli 2026
ECLI:NL:RBZWB:2026:8322Zaaknummer C/02/447068 / JE RK 26-642
- Instantie
- Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Datum uitspraak
- 30 juli 2026
- Publicatiedatum
- 26 oktober 2026
- Zaaknummer
- C/02/447068 / JE RK 26-642
- Rechtsgebied
- Civiel recht, Personen- en familierecht
- Procedure
- Rekestprocedure, Beschikking
- Zittingsplaats
- Breda
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Schriftelijke aanwijzing. In eerdere beschikking heeft rechtbank kader bepaald in omgang tussen vader en minderjarige. Moeder lijkt niet in staat om met voorwaarden in die beschikking akkoord te gaan.
8 De beslissing
De kinderrechter:
bekrachtigt de schriftelijke aanwijzing van 26 maart 2026;
legt op aan de moeder een dwangsom van € 50,= (vijftig euro) voor iedere keer dat zij de schriftelijke aanwijzing op de in 7.5. opgenomen onderdelen niet nakomt, tot een maximum van € 2.500,= (vijfentwintighonderd euro) is bereikt;
wijst het meer of anders verzochte af.
| Deze beschikking is gegeven door mr. Van Leuven, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 30 juli 2026, in aanwezigheid van Dekkers als griffier. |
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking staat geen hoger beroep open.[_65be7a3e-5af3-4ccf-8122-20b76a185174]
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/447068 / JE RK 26-642
Datum uitspraak: 30 juli 2026
Beschikking van de kinderrechter over de schriftelijke aanwijzing
in de zaak van
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats 1],
advocaat mr. L.M. Dragtenstein te Amsterdam,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2022 in [geboorteplaats],
hierna te noemen [minderjarige].
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Brabant, locatie Etten-Leur,
hierna te noemen de GI.
De kinderrechter merkt als informant aan:
[de vader],
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats 2],
advocaat mr. D.R.M. Linders te Helmond.
1 Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 9 april 2026;
- de op 14 april 2026 en 15 april 2026 van de advocaat van de moeder ontvangen producties;
- het op 29 mei 2026 van de GI ontvangen verweerschrift tevens houdende zelfstandig verzoek, met producties;
- de op 25 juni 2026 van de GI ontvangen brief.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 16 juli 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder met haar advocaat;
- de vader met zijn advocaat;
- twee vertegenwoordigers van de GI.
2 De feiten
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige].
[minderjarige] woont bij de moeder.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 11 november 2025 de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 19 november 2026.
Bij (tussen)beschikking van 30 januari 2026 heeft de kinderrechter bepaald dat:
- de vader en [minderjarige] voorlopig gerechtigd zijn tot omgang met elkaar op de volgende wijze:
- het contact(herstel) tussen de man en [minderjarige] zal plaatsvinden onder de regie van de jeugdbeschermer, waarbij de opbouw, de wijze, de duur en de frequentie van het contact door de jeugdbeschermer in samenspraak met De GezinsManager (hierna: DGM) zal worden bepaald, waarbij het volgende geldt:
- [minderjarige] krijgt zo spoedig mogelijk statusvoorlichting over wie haar vader is;
- binnen twee maanden na datum beschikking vindt er een eerste contactmoment plaats onder de begeleiding van de GI en/of DGM, maar uiterlijk vóór 9 maart 2026, tenzij de jeugdbeschermer van mening is dat [minderjarige] daar nog niet klaar voor is;
- wanneer het begeleide omgangstraject is gestart zal er minimaal eenmaal per twee weken gedurende één uur begeleide omgang plaatsvinden, in duur en frequentie uit te breiden naar inzicht van de jeugdbeschermer;
- de moeder de vader voorlopig maandelijks schriftelijk informeert omtrent belangrijke gebeurtenissen met betrekking tot [minderjarige], waarbij informatie wordt verstrekt over haar ontwikkeling, haar gezondheid (waaronder bezoeken aan het consultatiebureau, doktersbezoeken, medische behandelingen en medicijngebruik) en activiteiten, alsmede dat zij de man daarbij een actuele foto van [minderjarige] verstrekt.
De GI heeft op 26 maart 2026 de moeder een schriftelijke aanwijzing gegeven betreffende de verzorging en opvoeding van [minderjarige]. Hierin is het volgende opgenomen:
- U ondertekent het vervolg traject bij de zorgaanbieder, zodat de begeleide omgang bij de zorgaanbieder plaats kan vinden en de begeleide omgang zo voor [minderjarige] op de meest geschikte manier plaatsvindt;
- Als JBB (hierna: de GI) u berichten stuurt via mail of app, dan zorgt u ervoor dat deze binnen twee werkdagen gelezen en beantwoord worden. Als de GI in de mail een vraag stelt of een dwingend verzoek doet, dan zorgt u dat u hieraan voldoet, of zorgt u dat u binnen twee werkdagen contact opneemt met de jeugdbeschermer om te overleggen;
- U volgt de beschikking van 30 januari 2026 op; dit houdt het volgende in: In de beschikking wordt gesteld dat er bij de informatieverstrekking een foto van [minderjarige] moet worden toegevoegd. U zorgt ervoor dat er een foto wordt toegevoegd waarop [minderjarige] goed zichtbaar, van de voorkant, met haar gezicht in beeld, aan de informatievoorziening wordt toegevoegd. U zorgt ervoor dat er voldoende informatie in de informatievoorziening staat. Hierin beschrijft u de afgelopen maand over de onderwerpen algemeen, medisch en hobby’s, maar ook over de tijd dat [minderjarige] niet bij u is, zoals (sport)club, kinderdagverblijf, familie, et cetera. Zoals eerder meermaals besproken is de informatievoorziening een recht dat de vader heeft, maar is het ook voor [minderjarige] van belang dat de vader beter ingelicht wordt. Vader zal beter kunnen aansluiten als hij meer van [minderjarige] weet.
- U zorgt ervoor dat de begeleide omgang van [minderjarige] en vader bij DGM op korte termijn (binnen een week) wordt ingepland en dat u zich aan die afspraak houdt. U zal vervolgens zelf de afspraken voor daarna inplannen in overleg met DGM (één maal per twee weken, zoals in de beschikking staat).
- U werkt mee aan het volledige traject van DGM en volgt adviezen van zowel DGM als de GI op met betrekking tot contact tussen [minderjarige] en vader.
3 De verzoeken
De moeder verzoekt:
primair
de schriftelijke aanwijzing van de GI van 26 maart 2026 geheel vervallen te verklaren;
subsidiair
de schriftelijke aanwijzing gedeeltelijk te vernietigen, inhoudende dat:
- omgang alleen na risicotaxatie plaatsvindt en de vragen zoals gesteld door de moeder worden onderzocht, overeenkomstig het verzoek van 2 april 2026;
- de informatieverplichting wordt beperkt tot éénmaal per drie maanden, overeenkomstig het verzoek van 2 april 2026;
- geen fotoverplichting geldt overeenkomstig het verzoek van 2 april 2026;
- geen vereisten gelden voor wat betreft de reactietermijn of dat deze wordt verruimd naar een redelijke termijn, te weten veertien werkdagen;
tevens
de werking van de aanwijzing onmiddellijk te schorsen gedurende de procedure.
Ten slotte behoudt de moeder zich het recht voor het verzoek aan te vullen.
De GI voert verweer tegen het verzoek van de moeder en verzoekt:
I. het verzoek van de moeder tot vervallenverklaring van de schriftelijke aanwijzing van 26 maart 2026 af te wijzen;
En bij wijze van zelfstandig verzoek:
II. de door haar gegeven schriftelijke aanwijzing van 26 maart 2026 te bekrachtigen en daaraan een door de moeder te verbeuren dwangsom te verbinden ter hoogte van
€ 50,00, althans een door de rechtbank in goede justitie nadere te bepalen bedrag voor iedere dag dat de moeder de aanwijzing niet naleeft;
III. de te geven beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4 Het standpunt van de moeder
Namens de moeder is ter onderbouwing van haar verzoek schriftelijk – samengevat – het volgende aangevoerd. De moeder deelt niet de opvatting van de GI dat er tijdens begeleide omgang zicht zal ontstaan over het functioneren van de vader. Met de gegeven schriftelijke aanwijzing over het verplicht opleggen van omgang handelt de GI in strijd met een zorgvuldige besluitvorming en de veiligheidsverantwoordelijkheid die zij in acht hoort te nemen. Verder gaat de Gl er ten onrechte van uit dat de statusvoorlichting van [minderjarige] positief is verlopen. Ook is niet de vooraf afgesproken procedure gevolgd, luidende dat dat aan de moeder tijdig het conceptboekje ter goedkeuring zou worden opgestuurd. Bovendien is door DGM ten onrechte vastgesteld dat [minderjarige] gewend is aan de kinder-therapeut en aan de ruimte waar eventueel begeleid omgang zou kunnen plaatsvinden. Dit blijkt uit herhaaldelijke signalen van [minderjarige] bij aankomst op het kantoor van DGM dat zij direct terug naar huis wilde. Ook kan de kindertherapeut, ondanks de vele bezoeken, niet als een bekende van [minderjarige] worden aangemerkt, gelet op de huidige leeftijd en ontwikkelfase waarin [minderjarige] zich momenteel bevindt. Dit maakt dat de behoefte bij haar aan een primaire hechtingsfiguur, te weten de moeder en/of de oma continu aanwezig is.
De moeder wordt inhoudelijk niet geïnformeerd over de voorwaarden van totstandkoming van het contact en er wordt daarover ook vooraf geen overleg gepleegd. De afspraken over omgangsmomenten worden daardoor door de moeder als plotseling en eenzijdig ervaren, alsook dat die worden opgedrongen. Ook wordt er inmiddels geen rekening gehouden met ieders drukke agenda, waaronder die van de moeder, terwijl er eerder altijd sprake was van wederzijdse consensuele afstemming tussen haar en de GI. De moeder blijft wel voorstander van hulpverlening mits die daadwerkelijk aansluit bij de zorgbehoefte van [minderjarige]. Daarom is voor haar wederzijdse transparantie middels een concreet plan van aanpak een essentiële voorwaarde voorafgaand aan eventuele omgang. Dit vraagt ook om een inhoudelijke onderbouwing waaruit blijkt dat [minderjarige] daadwerkelijk klaar is voor contact. Anders gezegd dient er meer aandacht te zijn voor het creëren van emotionele toestemming in plaats van het onder druk zetten van snelle instemming. Het ontbreekt aan een duidelijk plan en aan inhoudelijke begeleiding gericht op emotionele toestemming en vragen hierover worden niet of onvoldoende beantwoord. De GI schiet in dat opzicht tekort in haar regierol.
De moeder stelt zich volledig open voor een gesprek met de gedragsdeskundige om het traject zorgvuldig vorm te geven. Op dat verzoek wordt echter niet ingegaan, wat de moeder zorgelijk vindt. Tot dusver voelt de moeder zich in de communicatie met DGM niet serieus genomen, nu op de vragen die zij heeft geformuleerd inhoudelijk niet wordt ingegaan. Dit geldt evenzeer voor een verzoek van de moeder om te onderzoeken of een andere zorgaanbieder mogelijk beter kan aansluiten bij de zorgbehoefte van [minderjarige] en inhoudelijk antwoord kan geven op de gestelde vragen. In beginsel is de moeder bereid om het voorgestelde traject van DGM te ondertekenen, mits de door haar geformuleerde vragen aan DGM serieus worden genomen en schriftelijk worden beantwoord.
De GI stelt geen contra-indicaties te zien en navraag te hebben gedaan bij de Politie en Veilig Thuis. Echter heeft zij dit niet met concrete stukken onderbouwd of door middel van toetsbare analyses inzichtelijk gemaakt welke contra-indicaties er zijn onderzocht. Ook geeft de GI geen inzicht in de al dan niet gebruikte methodiek die zij daarbij heeft gehanteerd. Ook is er daartoe geen onderzoeksopdracht door de rechtbank aan de Raad voor de Kinderbescherming gedaan. De beoordeling van de GI is daarmee niet controleerbaar en onvoldoende gemotiveerd. Ook de door de rechtbank gegeven tussen-beslissing kan niet als een vervanging van een actuele toets worden beschouwd.
Sinds er door de moeder en de GI gezamenlijk informatievoorzieningen zijn opgesteld, te beginnen in juli 2025, heeft moeder zelfstandig de informatievoorziening opgestuurd naar de vader met tussenkomst van de GI. Daarvan uitgaande strookt de schriftelijke aanwijzing, voor zover die ziet op het op uitgebreidere wijze verstrekken van informatie over [minderjarige] in de visie van de moeder niet met de tussenbeslissing van de rechtbank, nu in die beslissing een uitbreiding niet aan de orde is. Ook het verstrekken van een herkenbare foto van [minderjarige] aan de vader geldt volgens de moeder als disproportioneel. Daartoe acht zij van belang dat op haar, als de alleen met het gezag belaste ouder, de primaire verantwoordelijkheid rust om beslissingen te nemen die het belang, de veiligheid en de privacy van [minderjarige] waarborgen. Er bestaan zorgen over de stabiliteit en leefomstandigheden van de vader, waaronder signalen van betrokkenheid bij criminaliteit, verslavingsproblematiek, langdurige werkloosheid en omgang met risicovolle sociale kringen. Deze omstandigheden maken dat er onvoldoende zekerheid bestaat over de wijze waarop beeldmateriaal van [minderjarige] wordt bewaard, gebruikt of mogelijk verder verspreid. Hoewel een niet met het gezag belaste ouder het recht kan hebben op algemene informatie over de ontwikkeling en het welzijn van [minderjarige], is de moeder van mening dat deze plicht zich niet zover strekt dat zij gehouden is herkenbaar beeldmateriaal van [minderjarige] aan de vader te verstrekken.
De GI heeft de moeder in de afgelopen periode bestookt met correspondentie, terwijl er verschillende processen door elkaar liepen. De moeder heeft aangegeven zich daardoor overrompeld te voelen. Zij heeft vervolgens een consequente lijn aangehouden door binnen redelijke termijnen te reageren, in ieder geval, op de regulieren e-mails. Van moeder kan onmogelijk worden verwacht dat zij constant beschikbaar is voor de GI. Dit is ook niet in het belang van [minderjarige].
5 Het standpunt van de GI
Namens de GI is ter onderbouwing van haar verweer schriftelijk - samengevat -
het volgende aangevoerd. Anders dan de moeder is de GI van opvatting dat de voorbereiding is - zowel intern als met de zorgaanbieder DGM zorgvuldig is geschied. Ook is de moeder uitgebreid meegenomen in alle stappen van het traject zoals dat bij DGM is doorlopen. Daarvan is een verslag opgemaakt. De bedoeling was dat met dit traject in maart 2026 zou worden gestart, zij het dat dit niet letterlijk in het verslag als zodanig is opgenomen. Wel is in het verslag het stappenplan beschreven, waaronder ook het moment waarop het boekje voorgelezen zou worden. Als dit goed zou verlopen zou het proces van contactherstel plaats kunnen gaan vinden. Het boekje is vervolgens voorgelezen aan [minderjarige] in het bijzijn van de moeder. Dit proces heeft veel investering en tijd gekost maar heeft op een rustige manier plaats kunnen vinden. De moeder heeft vervolgens geen schriftelijke instemmingsverklaring willen ondertekenen. Dit had tot gevolg dat de hulpverlening in het kader van het voorgenomen traject is gestagneerd.
Over het traject heeft de moeder veel vragen gesteld, waaraan DGM en ook de GI zoveel als mogelijk aandacht hebben besteed. Daaruit is wel duidelijk geworden dat, als er voor de moeder geen bevredigend antwoord op haar vraag komt, de vraag opnieuw wordt gesteld, soms via andere kanalen of in andere samenstellingen. De moeder laat blijken dat zij vindt dat [minderjarige] haar vader moet leren kennen, maar op het moment dat er daadwerkelijk stappen gezet moeten worden, komt zij met een risicoanalyse, een andere zorgaanbieder, emotionele toestemming waar aan gewerkt moet worden, stelt zij de vraag aan de orde of contact wel in het belang is van [minderjarige] en wil zij een onderbouwing waaruit blijkt dat de gekozen weg de beste is voor [minderjarige]. Tevens laat de moeder zien dat zij degene is die inhoudelijk het traject en de te nemen stappen wil bepalen. Een voorbeeld hiervan is de risicotaxatie, die de moeder als voorwaarde stelt om haar zorgen rondom de vader weg te nemen. De moeder baseert zich in dat opzicht op oude informatie, waaronder een rapportage over de vader uit 2020. Daarbij komt dat er tussen de ouders geen contact meer plaats vindt en de moeder niet over actuele informatie over de vader beschikt.
In de opvatting van de GI is begeleide omgang de enige manier om zicht te krijgen op de vader wat betreft zijn vaderrol en of hij bij [minderjarige] weet aan te sluiten en leerbaar, betrouwbaar en emotioneel beschikbaar is. Dit is ook als zodanig aan de moeder uitgelegd. Ook is [minderjarige] meermaals bij DGM geweest. [minderjarige] heeft daar contact gehad met de kindertherapeut van DGM. De GI gaat uit van de professionaliteit van DGM en dat, nu DGM en/of de kindertherapeut van DGM hebben aangegeven dat contacten goed lopen met [minderjarige] en zij de mogelijkheid zien om de eerste begeleide omgang te plannen, dat ook het geval is en in het belang van [minderjarige] is. Anders dan de moeder is de GI van opvatting dat er geen sprake is van een te snel lopend traject, nu [minderjarige] inmiddels 3,5 jaar is en er nog geen contact heeft plaatsgevonden tussen haar en de vader. Ook in dat opzicht geldt de schriftelijke aanwijzing niet als disproportioneel. Met betrekking tot het volgens de moeder ontbreken van een actuele risicotaxatie van het verzoek is de GI van mening dat zij heeft gedaan wat redelijkerwijs in haar mogelijkheden ligt. De GI vindt het noodzakelijk dat het begeleide contact zo spoedig mogelijk wordt opgestart. Zij zal daarbij ook nauwlettend rekening houden met het tempo van [minderjarige].
De GI heeft haar overleggen met DGM geïntensiveerd om elkaar goed op de hoogte te houden en de adviezen en observaties die DGM geeft mee te nemen in de besluitvorming. DGM heeft in dat verband aangegeven dat wordt gezien dat dat moeder blokkeert als het over contact tussen [minderjarige] en de vader gaat. Ook is voor DGM het niet schriftelijk instemmen met het vervolgtraject dat ziet op concrete begeleide omgang en het begeleiden van [minderjarige], de moeder en de vader in dit traject, een signaal dat zij daaraan niet wil meewerken. Duidelijk is geworden dat het bereiken van emotionele toestemming vanuit de moeder voorlopig niet haalbaar is. Ook legt zij de adviezen van DGM en de GI naast zich neer. De moeder geeft aan dat er tussenstappen gecreëerd moeten worden tussen statusvoorlichting en eerste begeleide omgang. De GI heeft de moeder vervolgens de kans gegeven aan te geven welke concrete tussenstappen zij zou willen zien, zolang die als doelstelling hebben dat er op korte termijn begeleide omgang opgestart wordt. De moeder heeft echter daarvan geen gebruik gemaakt. In plaats daarvan heeft zij aangegeven dat ze de tussenstappen niet zal aangeven in afwachting van de zitting.
In de beschikking van de rechtbank van 30 januari 2026 is duidelijk verwoord dat er vóór 9 maart 2026 een eerste begeleide omgang diende plaats te vinden, mits de GI de tijd daarvoor nog niet geschikt vond. Naar de mening van de GI was dit haalbaar. De GI heeft in contacten met de vader geen contra-indicaties opgemerkt, ook blijkt uit het oordeel van de rechtbank niet dat daarvan sprake is. De GI heeft de moeder schriftelijk medegedeeld dat er tijdens de statusvoorlichting op 6 maart 2026 meteen een drietal vervolgafspraken dienden te worden ingepland voor de eerste begeleide omgang, extra momenten met de kindertherapeut tevens voor de weken erna. De moeder heeft deze mail vervolgens genegeerd en geen vervolgafspraken meer gemaakt.
Ten aanzien van het onderwerp informatieverstrekking acht de GI van belang dat de vader moet kunnen aansluiten bij [minderjarige] en dat dit betekent dat hij door de moeder over [minderjarige] dient te worden geïnformeerd hij over actuele foto’s waarop [minderjarige] herkenbaar is dient te kunnen beschikken. In de afgelopen drie informatieverstrekkingen is door de moeder telkens een foto bijgevoegd waarop [minderjarige] alleen te zien is van de achterkant. Ook heeft de GI ervaren dat de moeder niet of onvoldoende snel reageert op correspondentie en zij soms zelfs weken wacht met reageren of helemaal niet reageert of vragen slechts gedeeltelijk beantwoordt. Dit werkt voor de GI vertragend, zoals wanneer het om belangrijke emailberichten gaat, waarop snel moet worden gereageerd. Dit bemoeilijkt ook de uitvoering van de ondertoezichtstelling door de GI, die is bedoeld om stappen te kunnen nemen om de ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige] af te wenden.
De GI concludeert op grond van al het voorgaande dat de schriftelijke aanwijzing op de juiste gronden tot stand is gekomen en is gegeven en daarom in stand dient te blijven. Daarnaast verzoekt de GI om de schriftelijke aanwijzing als zodanig te bekrachtigen. Daarbij speelt met name een rol dat in de argumenten van de moeder vooral zichtbaar is dat het om het tempo van de moeder en haar eigen proces gaat en niet de ontwikkeling van [minderjarige]. De GI dient echter naar het belang van [minderjarige] te kijken, wat in haar visie maakt dat er geen redenen zijn om dit proces nog verder te vertragen. De GI verwacht dat een dwangsom noodzakelijk zal zijn om de moeder zover te krijgen dat er op korte termijn begeleide omgang mogelijk is. Daarbij betrekt de GI dat een vooraankondiging en de definitieve schriftelijke aanwijzing niet het gewenste effect hebben gehad op de met het gezag belaste ouder om mee te werken aan de uitvoering van de ondertoezichtstelling. De GI acht het daarom zeer aannemelijk dat de moeder de schriftelijke aanwijzing, ook als die door de rechtbank wordt bekrachtigd, niet gaat opvolgen.
6 De standpunten ter zitting
Tijdens de zitting is samengevat het volgende verklaard.
Door en namens de moeder is aangevoerd dat de GI in het verweerschrift zaken anders beschrijft dan de beleving van de moeder is. Het is niet zozeer dat de moeder en de GI tegenover elkaar staan maar de moeder geeft aan dat zij vragen wil stellen en wil onderzoeken. Dit wil niet zeggen dat de moeder niet meewerkt, zij wil enkel op punten meer informatie. Zij betwist dat zij niet wil samenwerken met de GI en dat zij zaken stagneert en frustreert. Haar indruk is dat als zij vragen heeft, dat gezien wordt als obstructie. De moeder heeft het gevoel dat zij aan de rand van een ravijn staat en dat zij moet springen. Zij wil niet springen maar juist een touw aangereikt krijgen of een zachte landing. De moeder benadrukt dat zij best wil meewerken maar het gaat haar om de manier waarop dingen gebeuren. Zij vermoedt dat de GI en zij zaken niet goed met elkaar hebben uitgesproken. De vraag is echter of de schriftelijke aanwijzing proportioneel is. Het gaat om de veiligheid van [minderjarige]. De moeder dacht dat de GI en zij nog in gesprek met elkaar waren. Zij heeft geen hoger beroep ingesteld tegen voornoemde beschikking van 30 januari 2026 omdat zij niet de frictie op wilde zoeken. In het verleden heeft de moeder geen goed contact gehad met de GI maar sinds de huidige jeugdbeschermer er is gaat het heel goed. Als er een mogelijkheid tot samenwerking is, is de moeder daartoe bereid. Zij wil de omgang rustig opbouwen voor [minderjarige]. Er moet naar de belangen van [minderjarige] gekeken worden.
Namens de GI is door de betrokken jeugdbeschermer naar voren gebracht dat in deze vooral gekeken wordt hoe het met [minderjarige] gaat en getracht wordt een weg te vinden die voor haar goed is. De jeugdbeschermer bevestigt dat het contact met de moeder goed is. Het klopt dat zij van de moeder vraagt om te springen. Er is geprobeerd om de moeder een touw aan te reiken maar er moet vertrouwen bij de moeder zijn om het te gaan doen. Het gaat om [minderjarige], maar tegelijkertijd blijven de vragen vanuit de moeder komen. Dit is de vader die [minderjarige] heeft en hij wil haar leren kennen. Er is geen reden om te zeggen dat deze vader niet goed genoeg is. De moeder wil samenwerken maar als de GI concreet wordt over contact tussen de vader en [minderjarige] dan slaat de moeder om. De vader heeft nog geen vader kunnen zijn, dat ligt in de weg. Er moet nu een stap worden gezet en een sprong in het diepe worden gewaagd, daar is vertrouwen voor nodig.
De vader heeft aangegeven dat hij de vader is van [minderjarige]. Hij bevindt zich al in een ravijn. De moeder handelt naar zijn mening niet in het belang van [minderjarige].
7 De beoordeling
Allereerst zal de kinderrechter ingaan op de ontvankelijkheid van het verzoek. De kinderrechter overweegt als volgt. Ingevolge artikel 1:264 eerste en derde lid van het Burgerlijk Wetboek (BW) bedraagt de termijn voor het indienen van het verzoek twee weken en vangt deze termijn aan met ingang van de dag na die waarop de beslissing is verzonden of uitgereikt. De schriftelijke aanwijzing is gedateerd op 26 maart 2026 en op diezelfde dag aan de moeder verzonden of uitgereikt. Het verzoek van de moeder tot geheel of gedeeltelijke vervallenverklaring is bij de rechtbank eerst ontvangen op 10 april 2026. Het verzoek van de met het gezag belaste moeder is derhalve tijdig ingediend, zodat zij kan worden ontvangen in haar verzoek.
Op grond van artikel 1:263 BW kan de GI ter uitvoering van haar taak schriftelijke aanwijzingen geven betreffende de verzorging en opvoeding van de minderjarige. De met het gezag belaste ouders of ouder en de minderjarige volgen een schriftelijke aanwijzing op. Op grond van artikel 1:264 BW kan op verzoek van een met het gezag belaste ouder of de minderjarige van twaalf jaar of ouder de kinderrechter een schriftelijke aanwijzing geheel of gedeeltelijk vervallen verklaren.
Voor de inhoudelijke beoordeling van het verzoek is van belang dat de schriftelijke aanwijzing valt aan te merken als een besluit in de zin van artikel 1:3, tweede lid van de Algemene Wet Bestuursrecht (Awb), zodat de algemene beginselen van behoorlijk bestuur van toepassing zijn. Dat betekent concreet dat de kinderrechter moet beoordelen of bij de besluitvorming door de GI de algemene beginselen van behoorlijk bestuur (het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel) in acht zijn genomen en of de GI in redelijkheid tot de schriftelijke aanwijzing heeft kunnen komen.
Niet in geschil is dat aan de moeder een vooraankondiging is verstuurd, gedateerd 13 maart 2026, en dat zij in de gelegenheid is gesteld haar mening kenbaar te maken. De moeder heeft daar op 20 maart 2026 middels een emailbericht aan de GI gebruik van gemaakt. Daarnaast houdt de kinderrechter rekening met de inhoud van voornoemde beschikking van 30 januari 2026, gegeven in de bodemprocedure met zaaknummer C/02/415916 / FA RK 23-5312. In die beschikking heeft de rechtbank het kader bepaald waarbinnen de GI met de ouders diende voort te gaan ten aanzien van de omgang tussen de vader en [minderjarige]. Daarnaast heeft de rechtbank een informatieregeling vastgesteld. In de onderhavige procedure is duidelijk geworden dat de moeder niet in staat is om met de voorwaarden die de rechtbank in de beschikking van 30 januari 2026 heeft gesteld, akkoord te gaan. Zij maakt bezwaar tegen het tempo waarin voortgang van haar wordt verlangd. Ook komt zij de informatieregeling niet (goed) na, onder andere door bij de informatievoorziening geen foto’s van [minderjarige] te voegen waarop haar gezicht duidelijk zichtbaar is. De moeder zegt haar medewerking en samenwerking steeds toe maar tegelijkertijd wordt gezien dat het haar niet lukt om hieraan toe te komen, wat een vertragende werking op het traject heeft.
Dit alles brengt de kinderrechter tot het oordeel dat de schriftelijke aanwijzing van 26 maart 2026 op goede gronden is gegeven, zodat het verzoek van de moeder om die vervallen te verklaren zal worden afgewezen. Het zelfstandig verzoek van de GI tot bekrachtiging van die schriftelijke aanwijzing zal worden toegewezen. Ook acht de kinderrechter het in het belang van [minderjarige] noodzakelijk om de door de GI verzochte en na te melden dwangsom tot nakoming van de schriftelijke aanwijzing toe te wijzen ten aanzien van de volgende onderdelen:
- de moeder ondertekent het vervolgtraject bij de zorgaanbieder;
- de moeder volgt de beschikking van 30 januari 2026 op, wat inhoudt dat er bij de informatieverstrekking een foto van [minderjarige] moet worden toegevoegd, waarop [minderjarige] goed zichtbaar, van de voorkant, met haar gezicht in beeld is. Daarnaast wordt in de informatievoorziening voldoende informatie gegeven over [minderjarige] in de afgelopen maand over de onderwerpen algemeen, medisch en hobby’s, maar ook over de tijd dat [minderjarige] niet bij de moeder is, zoals (sport)club, kinderdagverblijf, familie, et cetera;
- de moeder zorgt ervoor dat de begeleide omgang van [minderjarige] en vader bij DGM op korte termijn (binnen een week) wordt ingepland en dat zij zich aan die afspraak houdt. De moeder zal vervolgens zelf de afspraken voor daarna inplannen in overleg met DGM (éénmaal per twee weken, zoals in de beschikking staat);
- de moeder werkt mee aan het volledige traject van DGM en volgt adviezen van zowel DGM als de GI op met betrekking tot contact tussen [minderjarige] en vader.
Met inachtneming van het voorgaande komt de beslissing als volgt te luiden.
8 De beslissing
De kinderrechter:
bekrachtigt de schriftelijke aanwijzing van 26 maart 2026;
legt op aan de moeder een dwangsom van € 50,= (vijftig euro) voor iedere keer dat zij de schriftelijke aanwijzing op de in 7.5. opgenomen onderdelen niet nakomt, tot een maximum van € 2.500,= (vijfentwintighonderd euro) is bereikt;
wijst het meer of anders verzochte af.
| Deze beschikking is gegeven door mr. Van Leuven, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 30 juli 2026, in aanwezigheid van Dekkers als griffier. |
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking staat geen hoger beroep open.[_65be7a3e-5af3-4ccf-8122-20b76a185174]
Voetnoten
- Artikel 807 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.