Uitspraak · Personen- en familierecht

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 30 juli 2026

ECLI:NL:RBZWB:2026:8321Zaaknummer C/02/434215 FA RK 25-1913

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
30 juli 2026
Publicatiedatum
26 oktober 2026
Zaaknummer
C/02/434215 FA RK 25-1913
Rechtsgebied
Civiel recht, Personen- en familierecht
Procedure
Rekestprocedure, Beschikking
Zittingsplaats
Breda
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Voorlopige omgangsregeling goed verlopen, maar slechte oudercommunicatie als er ruis op de lijn komt.. Kinderen willen nog steeds contact. Strikte voorlopige omgangsregeling met overnachting bepaald. Kinderrechter blijft monitoren.

De rechtbank

5.1.

bepaalt voorlopig dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] vanaf 8 augustus 2026 bij de man verblijven van zaterdag 09.00 uur tot zondag 19.00 uur (met avondeten) op de volgende data:

- 8 en 9 augustus;

- 29 en 30 augustus;

- 12 en 13 september;

- 26 en 27 september;

- 10 en 11 oktober;

- 31 oktober en 1 november;

- 14 en 15 november;

- 28 en 29 november;

- 12 en 13 december;

- 18 en 19 december;

waarbij de man [minderjarige 1] en [minderjarige 2] steeds ophaalt en terugbrengt.

5.2.

verklaart de beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.3.

houdt de behandeling op de verzoeken van de man onder II t/m V aan tot 1 september 2026 PRO FORMA, in afwachting van de verhinderdata van de advocaten van partijen zoals overwogen onder rechtsoverweging 4.9.

Deze beschikking is gegeven door mr. C.A.R.M. van Leuven, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 30 juli 2026, in aanwezigheid van mr. M.L.S. van Noort, als griffier.

Mededeling van de griffier: Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld: - door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak, - door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden. Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.

verzonden op:

[_778b46f3-6a62-4c99-9a91-510a7e3aba02]

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 Het verdere procesverloop
  2. 2 De feiten
  3. 3 De resterende verzoeken
  4. 4 De nadere beoordeling
  5. 5 De beslissing

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team Familie- en Jeugdrecht

Zittingsplaats: Breda

Zaaknummer: C/02/434215 FA RK 25-1913

Datum uitspraak: 30 juli 2026

Nadere beschikking over gezag, een omgangregeling en een informatieregeling

in de zaak van

[de man],

hierna te noemen: de man,

wonende te [woonplaats],

advocaat: mr. E.M.A. Leijser, gevestigd te Tilburg,

tegen

[de vrouw],

hierna te noemen: de vrouw,

wonende te [woonplaats],

advocaat: mr. Y.I.B. Grosfeld.

Over de minderjarigen

[minderjarige 1], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2017, hierna te noemen [minderjarige 1],

[minderjarige 2], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2017, hierna te noemen [minderjarige 2],

Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering zal in de procedure worden gekend: de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, hierna te noemen: de Raad, om de rechtbank over het verzoek te adviseren.

1 Het verdere procesverloop

1.1

De rechtbank oordeelt op grond van de navolgende stukken:

  • de beschikking van 16 april 2026 en alle daarin genoemde stukken;
  • het F9-formulier van 7 juli 2026 van mr. Grosfeld met bijlagen.
1.2.

De verzoeken zijn nader mondeling behandeld op 9 juli 2026. Bij die behandeling zijn gekomen partijen met hun advocaten. Ook was aanwezig een vertegenwoordigster van de Raad.

1.3.

[minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn in de gelegenheid gesteld hun mening te geven. Zij hebben op 6 juli 2026 een gesprek gehad met de rechter.

2 De feiten

2.1.

Bij beschikking van 16 april 2026 heeft de rechtbank ter vervanging van de ontbrekende toestemming van de moeder, aan de man toestemming tot het erkennen van de minderjarige [minderjarige 2] en [minderjarige 1], beiden geboren te [woonplaats] op [geboortedag] 2017 verleend. Daarnaast heeft de rechtbank bepaald dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voorlopig vanaf 25 april 2026 om de week (in het weekend dat zij niet in het pleeggezin/ bij [zorginstelling] verblijven) bij de man verblijven:

- de eerste twee keer: op zaterdag van 09.00 tot 14.00 uur;

- daarna twee keer: op zaterdag van 09.00 tot 19.00 uur (met avondeten);

- daarna: van zaterdag 09.00 uur tot zondag 19.00 uur (met avondeten),

waarbij de man de kinderen ophaalt en terugbrengt. De rechtbank heeft de behandeling op de verzoeken van de man aangehouden.

3 De resterende verzoeken

3.1.

Aan de orde zijn nog de verzoeken van de man om, uitvoerbaar bij voorraad:

I. te bepalen dat de man voortaan samen met de moeder het ouderlijk gezag uitoefent over [minderjarige 1] en [minderjarige 2];

II. te bepalen dat de man en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] recht hebben op contact met elkaar volgens de volgende regeling:

- in de week voor het verblijf bij het logeerpleeggezin van zaterdag 09.00 uur tot 19.00 uur;

- in de week na het verblijf van het logeerpleeggezin van zaterdag 09.00 uur tot zondag 19.00 uur;

- dat deze regeling doorloopt gedurende de vakanties en feestdagen, althans een zodanige omgangsregeling te treffen als de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren;

III. te bepalen dat de moeder een dwangsom van € 250,00 verbeurt voor iedere keer

dat zij de door de rechtbank vastgestelde regeling niet nakomt;

IV. te bepalen dat de moeder de man dient te informeren over de belangrijke gebeurtenissen in de levens van [minderjarige 2] en [minderjarige 1], alsmede over de opvoeding en verzorging, aan het einde van iedere maand, voorzien van een recente foto.

4 De nadere beoordeling

Verzoeken gezag, omgang en informatie

4.1.

Door en namens de vrouw is naar voren gebracht dat de eerste drie bezoeken goed zijn verlopen. De problemen ontstonden bij het vierde bezoek. Namens de vrouw is meermalen aan de advocaat van de man bericht dat het weekend verschoven moest worden omdat de minderjarigen dat weekend gingen logeren of naar het pleeggezin/ [zorginstelling] zouden gaan. Er is een voorstel gedaan voor een ander weekend ter compensatie, maar

daar is geen enkele reactie op gekomen. De man is dat weekend de minderjarigen komen ophalen, terwijl hij wist dat ze er dat weekend niet zouden zijn. Het vijfde bezoek is wel goed verlopen. Het zesde weekend zouden de minderjarigen weer gaan logeren en daarom is een ander weekend voorgesteld, maar daar is wederom geen reactie opgekomen. In de beschikking van 16 april 2026 heeft de rechtbank bepaalt dat de omgang om de week in het weekend dat de minderjarigen niet in het pleeggezin/bij [zorginstelling] verblijven bij de man verblijven. Het is voor de vrouw lastig om de [zorginstelling] te verplaatsen. In principe logeren de kinderen het eerst weekend van de maand in het pleeggezin/bij [zorginstelling]. De data zijn vastgelegd tot het einde van het jaar. Voorts heeft de vrouw aangegeven dat zij een raadsonderzoek naar het gezag en de omgang aangewezen vindt. Het is belangrijk dat wordt gekeken of verbetering in de communicatie mogelijk is. De man heeft het traject in het kader van het uniform hulpaanbod gefrustreerd en stond niet open voor nadere hulpverlening. Voor nu dient er strikte omgangsregeling te worden bepaald die geen ruimte laat voor discussie. De vrouw stelt een regeling voor waarbij [minderjarige 1] en [minderjarige 2] het ene weekend een dag bij de man zijn en het andere weekend ook bij de man overnachten. Zo gaat de opbouw langzamer en is er een eerlijkere verdeling van de weekenden. Zij is er geen voorstander van dat de kinderen apart naar de man gaan. Zij heeft geen bezwaar tegen een Parenting Coördinator, zij twijfelt wel of de man zich daar daadwerkelijk aan zal conformeren. Verder zou zij graag zien dat de omgang wordt begeleid door [hulpverlening 1]. [hulpverlening 1] heeft in de door de vrouw overgelegde brief zorgen geuit. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben kind-eigenproblematiek en de vrouw twijfelt of de man daar wel rekening mee houdt. Voor de vrouw is een ondertoezichtstelling bespreekbaar.

4.2.

Door en namens de man is aangevoerd dat het juist is dat de eerste twee omgangsmomenten doorgang hebben gevonden. Kort na de zitting heeft de advocaat van de vrouw de advocaat van de man bericht dat dat een aantal omgangsmomenten niet door zouden kunnen gaan. Een voorstel voor vervangende omgangsmomenten heeft de advocaat van de man echter niet ontvangen, ook niet na navraag daarover. Dat is jammer, want de man was bereid om mee te denken. Het contact tussen de man en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is fijn en leuk. Dat is ook wat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] blijven aangegeven. De man heeft wel degelijk oog voor de kind-eigenproblematiek van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en steunt en begeleid hen daar ook in. Het is belangrijk dat er strikte, voorlopige omgangsregeling wordt bepaald zodat er geen ruimte is voor ruis. De man denkt daarbij aan een terugkerend patroon waarbij hij het eerste weekend met [minderjarige 1] is, het tweede weekend met [minderjarige 2], het derde weekend met beiden kinderen en zij het vierde weekend bij de vrouw zijn. Hij staat daarbij open voor een traject met een Parenting Coördinator. De regeling kan enkele maanden worden geëvalueerd. Er is geen enkele aanleiding om de omgang begeleid te laten plaatsvinden. Het advies wat [hulpverlening 1] daarover geeft is niet te rijmen met de verdere inhoud van de brief, [hulpverlening 1] gaat vooral af op de eerdere rapportage van Sterk Huis. Verder ziet de man ook geen noodzaak voor een raadsonderzoek. Ook heeft hij bezwaren tegen een ondertoezichtstelling.

4.3.

De Raad adviseert de rechtbank als volgt. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] uiten consistent dat zij contact willen met de man. De Raad vindt dat daarnaar geluisterd moet worden. Hoewel [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en de man eraan toe zijn om meer contact met elkaar te hebben, maakt de Raad zich hier zorgen over. Uitbreiding van de omgang doet een te groot beroep op de samenwerking en het probleemoplossend vermogen van partijen. De Raad adviseert de rechtbank daarom om een duidelijke omgangsregeling te bepalen, maar beperkte omgangsregeling te bepalen zodat partijen niet worden overbelast. Wellicht met een voorlopig karakter zodat over een aantal maanden opnieuw kan worden bekeken hoe de omgang is verlopen. Daarnaast geeft de Raad partijen gelet op hun verstoorde verstandhouding mee om apart van elkaar hulpverlening aan te wenden om hun ouderschap vorm te geven. Daarbij denkt de Raad aan parallel ouderschap. Verder geeft de Raad partijen ook mee dat als er een kink in de kabel komt betreffende omgang het belangrijk is dat de reden daarvoor wordt uitgelegd en dat een alternatief wordt geboden. De Raad ziet geen noodzaak voor een onderzoek, het advies zal waarschijnlijk hetzelfde zijn als het advies dat de Raad nu geeft. Wat betreft een ondertoezichtstelling twijfelt de Raad aan de meerwaarde.

4.4.

De rechter heeft opnieuw met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] gesproken. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben, samengevat, verteld dat zij zeven a acht keer omgang met de man hebben gehad en een keer bij hem hebben overnacht. De man haalt hen op en brengt hen ook weer terug. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] vinden het leuk om bij de man te zijn en willen hem graag blijven zien. Als het zou kunnen zouden zij ook met hem op vakantie willen. [minderjarige 1] heeft verteld dat hij liever bij de man wil zijn dan bij het weekendpleeggezin. [minderjarige 2] vindt het fijn om naar [zorginstelling] te gaan. Hij heeft de kinderrechter aan het einde van het gesprek gevraagd om aan de ouders te vragen of zij liever voor elkaar willen zijn.

4.5.

De rechtbank overweegt als volgt. In artikel 1:377a BW staat dat een ouder zonder gezag over het kind, recht heeft op omgang met het kind. De rechtbank kan op verzoek van één ouder of op verzoek van de ouders samen een omgangsregeling vaststellen. De rechtbank kan een ouder ook het recht op omgang ontzeggen. Dat kan alleen als er sprake is van één van de volgende omstandigheden:

  • omgang zou schadelijk zijn voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van het kind;
  • de ouder is ongeschikt of niet in staat tot omgang met het kind;
  • het kind is twaalf jaar of ouder en heeft laten weten dat hij echt geen contact met de ouder wil;
  • er is een andere redenen waarom omgang in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.
4.6.

De rechtbank constateert dat de omgang tussen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en de man positief is verlopen. De kinderen geven duidelijk aan dat zij het fijn vinden om contact te hebben met hun vader en dat zij hem graag willen blijven zien. Partijen hebben een belangrijke eerste stap gezet door [minderjarige 1] en [minderjarige 2] de ruimte te bieden om met beiden ouders fijn en goed contact te kunnen hebben. Tegelijkertijd constateert de rechtbank dat een aantal omgangsmomenten geen doorgang heeft gevonden omdat de door de rechtbank bepaalde regeling in de knel kwam met het weekend dat de kinderen in een het pleeggezin/bij [zorginstelling] verblijven. Het is partijen vervolgens niet gelukt om hier in onderling overleg, ook niet met tussenkomst van hun advocaten, op een constructieve manier over te communiceren en samen op zoek te gaan naar een alternatief weekend. Hoewel partijen daar tijdens de zitting over en weer verwijten hebben gemaakt, heeft de rechtbank ook positieve dingen gehoord. Beiden ouders ondersteunen nog steeds het contact tussen de man en de kinderen en wensen een duidelijke omgangsregeling die geen ruimte laat voor discussie of ruis. Ook de rechtbank acht dit in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2]. Echter, ook een strikte omgangsregeling kan tussen deze ouders voor problemen zorgen. De rechtbank acht daarom de inzet van een Parenting Coördinator bij de uitvoering en naleving van de omgangsregeling passend. Mocht een omgangsmoment vanwege bijzondere omstandigheden verplaatst moeten worden, kunnen de ouders in overleg treden met de coördinator. Partijen dragen zelf de verantwoordelijkheid om deze Parenting Coördinator in te zetten, waarbij zij zich tot hun advocaten kunnen wenden voor hulp. Met een duidelijke omgangsregeling in combinatie met een Parenting Coördinator wordt beter bij de behoeften van partijen en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] aangesloten dan met een raadsonderzoek of een beschermingsonderzoek dat mogelijk leidt tot een ondertoezichtstelling. De rechtbank zal daarom voor de resterende duur van het jaar een voorlopige omgangsregeling bepalen tussen de man en de kinderen. De kinderen blijven ook bij de man slapen, nu dit de afgelopen keren goed is verlopen. De rechtbank ziet geen aanleiding voor begeleide omgang. De Raad heeft aangeven zich hierin te kunnen vinden. Zoals de Raad ter zitting heeft aangegeven, acht de rechtbank het daarnaast van belang dat de man en de vrouw ieder individueel hulpverlening gaan zoeken om het gezamenlijk ouderschap vorm te geven. Zij kunnen zich hiervoor wenden tot [hulpverlening 2]. Misschien is er in dit vrijwillig kader ook financiële ruimte bij de gemeente om tijdelijk in de betaling van een Parenting Coördinator te voorzien, omdat deze interventie wezenlijk in het belang van de kinderen is.

4.7.

De rechtbank zal voorlopig bepalen dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de man verblijven van zaterdag 09:00 uur tot zondag 19:00 uur (met avondeten) op de volgende data:

- 8 en 9 augustus;

- 29 en 30 augustus;

- 12 en 13 september;

- 26 en 27 september;

- 10 en 11 oktober;

- 31 oktober en 1 november;

- 14 en 15 november;

- 28 en 29 november;

- 12 en 13 december;

- 18 en 19 december;

waarbij de man [minderjarige 1] en [minderjarige 2] steeds ophaalt en terugbrengt.

4.8.

De rechtbank heeft deze data afgestemd op de door vrouw ter zitting medegedeelde data waarop de kinderen in het pleeggezin/bij [zorginstelling] verblijven. Middels deze omgangsregeling hebben de man en de kinderen steeds het weekend voor en het weekend na het verblijf in het pleeggezin/bij [zorginstelling] contact met de man. De vrouw heeft dan ook steeds nog een weekend met de kinderen.

4.9.

De rechtbank zal de verzoeken van de man onder II tot en met V aanhouden. Van de advocaten van partijen wordt verwacht dat zij uiterlijk op de nagenoemde pro forma datum hun verhinderdata voor de maanden oktober, november en december aan de rechtbank doorgeven. De rechtbank zal vervolgens een nieuwe zitting plannen en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] opnieuw een brief sturen met een uitnodiging voor een kindgesprek.

4.10.

[minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben tijdens het kindgesprek aangegeven graag een brief te

ontvangen van de rechter. Onderstaande brieven zullen aan [minderjarige 1] en [minderjarige 2] worden

gestuurd:

Beste [minderjarige 1],

Wij spraken elkaar weer op 6 juli op de rechtbank. Op 9 juli heb ik met jouw ouders gesproken.

Jij en jouw broer hebben een aantal keer contact gehad met jullie vader. Jullie zijn ook bij hem blijven slapen. Jij vond het leuk bij je vader en wil hem graag blijven zien. Jij zou ook liever naar je vader gaan dan naar het pleeggezin. Jouw ouders vinden het goed als jij je vader blijft zien. Ze waren het er alleen nog niet helemaal over eens wanneer en voor hoelang. Ik heb daarom besloten dat jij en jouw broer samen ongeveer twee keer per maand een nachtje bij je vader gaan slapen. Ik vind het belangrijk dat jij en je broer samen naar je vader gaan. Voorlopig blijf jij ook nog naar het pleeggezin gaan.

Eind dit jaar komen jij en jouw broer weer naar de rechtbank om te praten over hoe dat gaat. Ik ben dan met pensioen dus je zult dan met een collega van mij praten. Daarna zal hij of zij zien hoe het in de toekomst verder moet gaan.

Ik wens jou en je broer nog een fijne zomervakantie.

Vriendelijke groet,

C. van Leuven

kinderrechter

Beste [minderjarige 2],

Wij spraken elkaar weer op 6 juli op de rechtbank. Op 9 juli heb ik met jouw ouders gesproken.

Jij en jouw broer hebben een aantal keer contact gehad met jullie vader. Jullie zijn ook bij hem blijven slapen. Jij vond het leuk bij je vader en wil hem graag blijven zien. Jouw ouders vinden het goed als jij je vader blijft zien. Ze waren het er alleen nog niet helemaal over eens wanneer en voor hoelang. Ik heb daarom besloten dat jij en jouw broer samen ongeveer twee keer per maand een nachtje bij je vader gaan slapen. Ik vind het belangrijk dat jij en je broer samen naar je vader gaan. Voorlopig blijf jij ook nog naar [zorginstelling] gaan.

Eind dit jaar komen jij en jouw broer weer naar de rechtbank om te praten over hoe dat gaat. Ik ben dan met pensioen dus je zult dan met een collega van mij praten. Daarna zal hij of zij zien hoe het in de toekomst verder moet gaan.

Ik wens jou en je broer nog een fijne zomervakantie.

Vriendelijke groet,

C. van Leuven

kinderrechter

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

bepaalt voorlopig dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] vanaf 8 augustus 2026 bij de man verblijven van zaterdag 09.00 uur tot zondag 19.00 uur (met avondeten) op de volgende data:

- 8 en 9 augustus;

- 29 en 30 augustus;

- 12 en 13 september;

- 26 en 27 september;

- 10 en 11 oktober;

- 31 oktober en 1 november;

- 14 en 15 november;

- 28 en 29 november;

- 12 en 13 december;

- 18 en 19 december;

waarbij de man [minderjarige 1] en [minderjarige 2] steeds ophaalt en terugbrengt.

5.2.

verklaart de beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.3.

houdt de behandeling op de verzoeken van de man onder II t/m V aan tot 1 september 2026 PRO FORMA, in afwachting van de verhinderdata van de advocaten van partijen zoals overwogen onder rechtsoverweging 4.9.

Deze beschikking is gegeven door mr. C.A.R.M. van Leuven, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 30 juli 2026, in aanwezigheid van mr. M.L.S. van Noort, als griffier.

Mededeling van de griffier: Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld: - door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak, - door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden. Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.

verzonden op:

[_778b46f3-6a62-4c99-9a91-510a7e3aba02]

Voetnoten

  1. In verband met deze procedure/ten behoeve van een juiste procesvoering worden uw persoonsgegevens, voor zover nodig, verwerkt in een systeem van het gerecht.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.