Uitspraak · Personen- en familierecht

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 30 juli 2026

ECLI:NL:RBZWB:2026:8315Zaaknummer C/02/422265 / FA RK 24-2186

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
30 juli 2026
Publicatiedatum
26 oktober 2026
Zaaknummer
C/02/422265 / FA RK 24-2186
Rechtsgebied
Civiel recht, Personen- en familierecht
Procedure
Rekestprocedure, Beschikking
Zittingsplaats
Middelburg
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

zorgregeling gelijk voor alle drie de kinderen en de opbouw en regie in handen van de GI gelegd

De rechtbank

3.1.

wijzigt de beschikking van 11 oktober 2021 (en daarmee het tussen partijen op 5 augustus 2021 ondertekende ouderschapsplan) voor wat betreft de minderjarige [minderjarige 1] en bepaalt, dat de man en [minderjarige 1] net als [minderjarige 2] en [minderjarige 3], in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar eenmaal per twee weken van vrijdag na schooltijd tot zondag 19.00 uur en gedurende de helft van de schoolvakanties en dat de feestdagen in overleg tussen partijen worden verdeeld of conform de geschillenregeling zoals deze in het ouderschapsplan bij iedere feestdag is vastgelegd, waarbij de opbouw naar deze regeling toe – voor alle drie de kinderen – in handen van de GI wordt gelegd en de nu onlangs opgestarte contactmomenten onder regie van de GI stapsgewijs wordt uitgebreid naar deze zorgregeling tenzij de GI dit niet in het belang van de kinderen vindt;

3.2.

bepaalt dat de griffier een afschrift van deze beschikking aan de GI verstuurt;

3.3.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad

3.4.

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. P.W.G. de Beer en, in tegenwoordigheid van mr. W.C.J. de Bont, griffier, in het openbaar uitgesproken op 30 juli 2026.

Mededeling van de griffier:

Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:

  • door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 Het verdere procesverloop
  2. 2 De verdere beoordeling
  3. 3 De beslissing

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team Familie- en Jeugdrecht

Middelburg

Zaaknummer: C/02/422265 / FA RK 24-2186

datum uitspraak: 30 juli 2026

(nadere) beschikking over een zorgregeling

in de zaak van

[de vrouw],

hierna: de vrouw,

wonende in [woonplaats],

advocaat: mr. M.J.F. Zoeteweij in Vlissingen,

tegen

[de man],

hierna: de man,

wonende in [woonplaats],

advocaat: mr. drs. N. Wouters te Middelburg.

Op grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, locatie Middelburg,

hierna: de Raad, de rechtbank over het verzoek geadviseerd.

De rechtbank merkt als informant aan:

STICHTING LEGER DES HEILS JEUGDBESCHERMING & RECLASSERING,

gevestigd te Eindhoven,

hierna te noemen: de GI.

1 Het verdere procesverloop

1.1

In het dossier zitten de volgende stukken:

- de beschikking van 18 december 2025 en alle daarin vermelde stukken;

- de brief van de GI van 27 januari 2026 met bijlagen;

- F9-formulier van 9 februari 2026 van mr. Wouters;

- F9-formulier van 17 februari 2026 van mr. Zoeteweij met bijlagen;

- F9-formulier van 23 maart 2026 van mr. Wouters.

1.2

De zaak is voortgezet mondeling behandeld op 27 juli 2026. Bij die behandeling zijn verschenen partijen, met hun advocaten. Ook was een vertegenwoordiger aanwezig namens de Raad en een vertegenwoordigster namens de GI.

1.3

De zaak is gelijktijdig behandeld met zaaknummer C/02/449337 / JE RK 26-1058. Op dit zaaknummer is per separate beschikking beslist.

2 De verdere beoordeling

2.1.

De rechtbank verwijst naar de eerdere beschikkingen van 31 juli 2024 en van 18 december 2025. In deze beschikkingen is het verzoek van de vrouw tot vervangende toestemming om de minderjarigen in te schrijven op [basisschool] te [woonplaats] afgewezen. Het verzoek van de man om de zorgregeling voor [minderjarige 1] te wijzigen is aangehouden met het verzoek aan partijen en de GI om te rapporteren over het verloop van het contactherstel en over het verdere procesverloop van deze zaak.

2.2.

Uit de rapportage van de GI van 27 januari 2026 blijkt dat de behandelaar aangeeft dat het opvallend is dat de spanning bij [minderjarige 2] nog niet lijkt te zakken, ondanks de twee EMDR-sessies. De behandelaar gaat onderzoeken wat de reden hiervan is, maar het is mogelijk dat er andere herinneringen zijn die in/door de EMDR sessie aan de oppervlakte komen. Doordat de spanning bij [minderjarige 2] merkbaar is toegenomen door het starten van de EMDR-behandeling acht de GI het niet raadzaam om op dit moment het contact tussen de man en [minderjarige 2] te hervatten. Ook vindt de GI het in het belang van de kinderen om in gezamenlijkheid het contact met de man aan te gaan. De kinderen kunnen steun vinden bij elkaar. Daarnaast wil de GI voorkomen dat [minderjarige 2] zich buitengesloten voelt. Doordat de behandelaar inschat nog minstens vier EMDR-sessies nodig te hebben, verwacht de GI dat de situatie eind april 2026 opnieuw bekeken kan worden.

De verdere standpunten

2.3.

Tijdens de zitting van 27 juli 2026 heeft de man aangegeven tot een eindpunt te willen komen. Hij wil de zorgregeling verder opbouwen en deze door de GI laten borgen. De man wil daarbij graag uitbouwen naar één weekend per veertien dagen en de helft van de vakanties en feestdagen. Vanuit de GI zal onderzocht moeten worden of dat haalbaar is.

2.4.

De vrouw heeft aangegeven dat er op een zorgvuldige manier aan een opbouw van de contacten gewerkt moet gaan worden. Met name [minderjarige 3] laat op het moment problemen in zijn gedrag zien. Daar moet naar gekeken worden en er moet sowieso goed naar de kinderen gekeken worden om tot een regeling te komen. Het is niet zeker of wat de man wil, haalbaar is. Nu zeker niet.

2.5.

De GI heeft aangegeven dat het lastig is om aan te geven op welke termijn er naar een weekendregeling toegewerkt kan worden.

2.6.

De Raad heeft geadviseerd om de contacten tussen de man en de kinderen als het goed blijft gaan verder uit te breiden. Het is van belang dat er evaluatiemomenten zijn, zodat steeds bekeken kan worden wat in het belang van de kinderen. Dat [minderjarige 3] op dit moment reactie vertoont, is volgens de Raad logisch. Daar moet rekening mee gehouden worden, maar is geen aanleiding om de rem op de contacten te zetten. De contacten moeten genormaliseerd worden.

De verdere beoordeling

2.7.

Allereerst benadrukt de rechtbank dat het goed is om te zien dat de contacten tussen de man en de kinderen weer opgepakt zijn. Zowel de man als de vrouw werken hieraan mee. Bij de man was er in eerste instantie weinig vertrouwen in de visie van de GI op het herstel van deze contacten. Inmiddels lijkt het vertrouwen van de man in de GI weer aanwezig te zijn. De rechtbank vindt dit belangrijk, omdat het van belang is dat de GI in het belang van de kinderen beslissingen kan nemen en de ouders hier ook in het belang van de kinderen achter kunnen gaan staan.

2.8.

Alle betrokkenen, dus niet alleen de man en de vrouw, maar zeker ook de kinderen en dan met name [minderjarige 2] hebben sinds de beschikking van 18 december 2025 grote stappen gezet. Het is van belang dat de GI de huidige positieve ontwikkeling monitort en stapsgewijs de contacten tussen de man en de kinderen verder uitbreidt. Voor de kinderen is het van belang dat er zo snel en zo zorgvuldig mogelijk toegewerkt wordt naar een normalisering van de contacten tussen hen en hun vader.

2.9.

Bij beschikking van 27 juli 2026 is de ondertoezichtstelling voor de duur van een jaar verlengd. Deze loopt nu tot aan 31 juli 2027. Op dit moment is de geldende zorg-regeling, de regeling zoals partijen overeen zijn gekomen in het op 5 augustus 2021 en bij beschikking van 11 oktober 2021 bekrachtigde ouderschapsplan. De regeling voor [minderjarige 1] is hierin anders dan die van [minderjarige 2] en [minderjarige 3]. [minderjarige 1] is inmiddels bijna zes jaar. De rechtbank is van oordeel dat het zowel in haar belang als in het belang van de andere twee kinderen is dat de geldende zorgregeling met de man hetzelfde is voor alle drie de kinderen.

2.10.

Het is gelet op alles wat er gebeurd is, niet mogelijk om de geldende zorgregeling per direct te herstellen. Er vinden inmiddels weer (begeleide) contacten tussen de man en de kinderen plaats. Deze zijn nog kort in duur en dienen nog gemonitord en verder uitgebreid te worden. De rechtbank vindt het van belang om de regie om toe te werken naar de geldende regeling in handen van de GI te leggen. Indien blijkt dat dit geen haalbare regeling meer is, zullen partijen of de GI gedurende het komende jaar andere verzoeken moeten doen of gezamenlijk een nieuw aanvullende ouderschapsplan op moeten stellen. Vooralsnog ziet de rechtbank geen redenen om ervan uit te gaan dat het toewerken naar de zorgregeling zoals opgenomen in het ouderschapsplan van 5 augustus 2021 niet zal lukken.

2.11.

De rechtbank zal dus bepalen dat de regeling voor wat betreft [minderjarige 1] gelijk loopt aan de regeling van de andere twee kinderen, te weten dat voor alle drie de kinderen een regeling geldt waarbij zij in beginsel uiteindelijk één keer in de twee weken vanaf vrijdag na schooltijd tot en met zondag 19.00 uur bij de man verblijven, alsmede de helft van de schoolvakanties en dat de feestdagen in overleg tussen partijen worden verdeeld of conform de geschillenregeling zoals deze in het ouderschapsplan bij iedere feestdag is vastgelegd. Daarbij zal de rechtbank de opbouw naar deze regeling toe in handen van de GI leggen.

Uitvoerbaar bij voorraad

2.12.

De rechtbank zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren omdat het voor de ontwikkeling van [minderjarige 1] noodzakelijk is dat de beslissing ondanks een eventueel hoger beroep meteen uitgevoerd kan worden.

Afschrift beschikking aan GI

2.13.

Nu de GI in deze procedure informant is, wordt er normaliter geen afschrift van de beschikking aan de GI verzonden. De rechtbank vindt het echter wel van belang dat de GI kennisneemt van deze beschikking, omdat er een expliciete opdracht aan de GI in deze beschikking gegeven wordt. De rechtbank zal om die reden bepalen dat de griffier een afschrift van de beschikking aan de GI verstuurt.

3 De beslissing

De rechtbank

3.1.

wijzigt de beschikking van 11 oktober 2021 (en daarmee het tussen partijen op 5 augustus 2021 ondertekende ouderschapsplan) voor wat betreft de minderjarige [minderjarige 1] en bepaalt, dat de man en [minderjarige 1] net als [minderjarige 2] en [minderjarige 3], in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar eenmaal per twee weken van vrijdag na schooltijd tot zondag 19.00 uur en gedurende de helft van de schoolvakanties en dat de feestdagen in overleg tussen partijen worden verdeeld of conform de geschillenregeling zoals deze in het ouderschapsplan bij iedere feestdag is vastgelegd, waarbij de opbouw naar deze regeling toe – voor alle drie de kinderen – in handen van de GI wordt gelegd en de nu onlangs opgestarte contactmomenten onder regie van de GI stapsgewijs wordt uitgebreid naar deze zorgregeling tenzij de GI dit niet in het belang van de kinderen vindt;

3.2.

bepaalt dat de griffier een afschrift van deze beschikking aan de GI verstuurt;

3.3.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad

3.4.

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. P.W.G. de Beer en, in tegenwoordigheid van mr. W.C.J. de Bont, griffier, in het openbaar uitgesproken op 30 juli 2026.

Mededeling van de griffier:

Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:

  • door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.