Uitspraak · Personen- en familierecht

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 29 juli 2026

ECLI:NL:RBZWB:2026:8311Zaaknummer C/02/449265 / JE RK 26-1037

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
29 juli 2026
Publicatiedatum
23 oktober 2026
Zaaknummer
C/02/449265 / JE RK 26-1037
Rechtsgebied
Civiel recht, Personen- en familierecht
Procedure
Rekestprocedure, Beschikking
Zittingsplaats
Middelburg
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Omgangsregeling vastgesteld tussen mj en bio-vader

6 De beslissing

De kinderrechter:

6.1.

bepaalt dat de biologische vader en [minderjarige] gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar onder begeleiding en op een door de GI te bepalen locatie, eenmaal per week voor de duur van een uur, en dat de regie over het eventueel afschalen van de omgangsbegeleiding of het uitbreiden van de duur van de omgang bij de GI ligt;

6.2.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 29 juli 2026 door mr. R.A. Borm, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. R. de Haas als griffier.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 Het verloop van de procedure
  2. 2 De feiten
  3. 3 Het verzoek
  4. 4 De standpunten
  5. 5 De beoordeling
  6. 6 De beslissing

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht

Locatie Middelburg

Zaaknummer: C/02/449265 / JE RK 26-1037

Datum uitspraak: 29 juli 2026

Beschikking vaststelling omgangsregeling

in de zaak van

STICHTING LEGER DES HEILS JEUGDBESCHERMING & RECLASSERING, gevestigd te Eindhoven,

hierna te noemen: de Gecertificeerde Instelling (GI),

betreffende

[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2025 te [geboorteplaats],

hierna te noemen: [minderjarige].

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[de moeder],

hierna te noemen: de moeder,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. R. Wouters te Middelburg,

[de juridische vader],

hierna te noemen: de juridische vader,

wonende te [woonplaats].

[de biologische vader],

hierna te noemen: de biologische vader;

wonende op een bij de rechtbank bekend adres.

1 Het verloop van de procedure

1.1.

De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:

- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 10 juni 2026.

1.2.

De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 21 juli 2026. Daarbij waren aanwezig:

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;

- de biologische vader;

- twee vertegenwoordigers van de GI.

De juridische vader is niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de juridische vader wel juist en tijdig is opgeroepen.

2 De feiten

2.1.

De moeder en de juridische vader van [minderjarige] zijn gehuwd geweest. Bij beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg, van 3 april 2026 is in het huwelijk van de moeder en de juridische vader de echtscheiding uitgesproken. Deze beschikking is thans nog niet ingeschreven in de daartoe bestemde registers van de burgerlijke stand.

2.2.

[minderjarige] is tijdens het huwelijk van de moeder en de juridische vader geboren. Daarom zijn de moeder en de juridische vader belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige].

2.3.

De heer [de biologische vader] is de biologische vader van [minderjarige].

2.4.

[minderjarige] woont bij de moeder.

2.5.

Bij beschikking van de kinderrechter van deze rechtbank van 23 oktober 2025 is [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI voor de duur van een jaar, met ingang van 23 oktober 2025 en tot 23 oktober 2026.

3 Het verzoek

3.1.

De GI verzoekt op grond van artikel 1:265g lid 1 BW een omgangsregeling vast te stellen in die zin dat [minderjarige] en haar biologische vader een keer per week begeleide omgang hebben voor de duur van één uur, en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4 De standpunten

4.1.

De GI handhaaft het verzoek. Er is de afgelopen tijd veel gebeurd in het leven van [minderjarige]. Vanwege de vele ruzies tussen de moeder en de biologische vader en de zorgen over dat de biologische vader de andere (jongste twee) kinderen van de moeder zou slaan en dreigende uitspraken zou doen, kon de veiligheid van [minderjarige] en haar halfzussen thuis niet meer gewaarborgd worden en zijn de minderjarigen en de moeder tijdelijk naar een veilige plek overgebracht. De moeder erkende deze zorgen destijds, maar verklaart daar nu (mogelijk onder invloed van de biologische vader) wisselend over. De biologische vader erkent de zorgen helemaal niet. Er blijft dus sprake van een visieverschil tussen de GI en de biologische vader over de ernst van de situatie en dat is zorgelijk, aangezien de zorgen daarmee in stand blijven. Het is wel gelukt om (veiligheids-)afspraken met de ouders te maken, waarbij is afgesproken dat de biologische vader de woning zou verlaten, zodat de moeder en de minderjarigen weer naar huis konden gaan. Ook gaan de ouders individuele hulpverlening volgen. De biologische vader staat daarnaast op de wachtlijst voor therapie vanuit [hulpverlening 1]. De GI is niet tegen een relatie tussen deze ouders, maar vaststaat dat de biologische vader geen opvoeder kan zijn in het gezin van de moeder. Sinds het vertrek van de moeder en de minderjarigen naar een veilige plek is er geen contact meer geweest tussen de biologische vader en [minderjarige], omdat de biologische vader niet openstaat voor begeleiding daarbij vanuit [hulpverlening 2]. Hij heeft eerder negatieve ervaringen opgedaan met [hulpverlening 2] en heeft het gevoel daar geen eerlijke kans te krijgen. Om de biologische vader tegemoet te komen heeft de GI daarom besloten ook bij [zorgaanbieder] een aanmelding te doen voor omgangsbegeleiding. [hulpverlening 2] kan echter al direct starten, dus zij zullen nu in eerste instantie toch de omgang tussen de biologische vader en [minderjarige] gaan begeleiden. Mocht dit goed verlopen, dan is het in het belang van [minderjarige] om hier geen wijziging meer in aan te brengen. Verder is besloten dat de moeder ook bij de omgang aanwezig mag zijn, zolang als nodig is. Tot slot ligt de beslissing om de omgangsbegeleiding af te schalen of de omgang uit te breiden bij de GI. De visie van de omgangsbegeleiding wordt daarbij altijd meegewogen.

4.2.

Door en namens de moeder wordt naar voren gebracht dat zij wel degelijk de problemen en zorgen erkent, net zoals de biologische vader. Anders hadden zij namelijk niet aan de ingrijpende beslissingen en afspraken meegewerkt. De moeder kan verder instemmen met een omgangsregeling tussen [minderjarige] en de vader, maar de noodzaak voor begeleiding daarbij ziet zij niet, zeker nu zij bij de omgang aanwezig mag zijn. Als de GI toch wil dat de omgang wordt begeleid, dan dient de kinderrechter te bepalen dat deze begeleiding voortduurt zolang de omgangsbegeleiding deze noodzakelijk vindt, zodat hier flexibel mee kan worden omgegaan. Daarnaast vindt de moeder de verzochte duur van de omgang te kort. De omgang dient minimaal twee uur te duren en in duur te kunnen worden uitgebreid als dat mogelijk is volgens de omgangsbegeleiding.

4.3.

De biologische vader geeft aan dat er inderdaad sprake is van een visieverschil tussen de GI en de ouders. Hij heeft één keer Aylin bij de arm gepakt en Yaël één keer een tik op haar kont gegeven omdat zij niet luisterden. Hij had dit misschien anders kunnen aanpakken, maar het viel allemaal wel mee en meer is er niet gebeurd. Verder heeft de biologische vader al sinds het vertrek van de minderjarigen en de moeder uit de woning geen contact meer gehad met [minderjarige]. Hij wil dit graag snel weer, maar vindt het onzin dat het contact moet worden begeleid. Het moet in ieder geval aan de omgangsbegeleiding worden overgelaten om de begeleiding af te schalen of de omgang in duur uit te breiden, want de GI gaat daar niet altijd toe over. Tot slot vertelt de biologische vader dat hij zelf een slechte jeugd heeft gehad en daardoor geen goed voorbeeld heeft gekregen. Hij heeft zich nu aangemeld voor traumatherapie vanuit [hulpverlening 1]. Deze therapie heeft hij eerder altijd voor zich uitgeschoven omdat hij de beerput niet wilde opentrekken, maar nu wil hij er echt aan beginnen.

5 De beoordeling

5.1.

Ingevolge artikel 1:265g lid 1 BW kan de kinderrechter gedurende de ondertoezichtstelling op verzoek van de GI een regeling inzake de uitoefening van het recht op omgang wijzigen of vaststellen voor zover dit in het belang van de minderjarige noodzakelijk is.

5.2.

De kinderrechter overweegt als volgt. Op basis van de overgelegde stukken en hetgeen is besproken tijdens de zitting is het de kinderrechter gebleken dat er de laatste tijd in toenemende mate zorgen zijn over de opvoedomgeving van [minderjarige] vanwege de vele ruzies tussen de moeder en de biologische vader en nu er mogelijk sprake is geweest van fysiek en dreigend gedrag vanuit de biologische vader naar de jongste twee halfzussen van [minderjarige]. De veiligheid van [minderjarige] en haar halfzussen kon hierdoor niet meer worden gewaarborgd in de thuissituatie. Daarom zijn de minderjarigen samen met de moeder tijdelijk naar een veilige plek overgebracht. Vervolgens is er afgesproken dat de biologische vader de woning zou verlaten, waarna de moeder met de minderjarigen terug naar huis kon keren. Sinds het vertrek van de moeder en de minderjarigen uit de woning heeft er geen contact meer plaatsgevonden tussen de biologische vader en [minderjarige]. De kinderrechter begrijpt dat dit contact nog niet is opgestart, omdat de biologische vader, anders dan de GI, niet vindt dat hierbij begeleiding nodig zou zijn en niet wil dat de omgang door [hulpverlening 2] wordt begeleid. De kinderrechter vindt deze houding van de biologische vader en de omstandigheid dat hij de zorgen en de ernst van de situatie lijkt te bagatelliseren zorgelijk, omdat de zorgen daardoor in stand worden gehouden. De kinderrechter vindt het wel positief dat de biologische vader heeft toegezegd dat hij zich nu zal gaan inzetten voor persoonlijke hulpverlening en therapie om aan zichzelf te werken.

5.3.

Verder vindt de kinderrechter het, net als de GI, de moeder en de biologische vader, ook gelet op de jonge leeftijd van [minderjarige], van belang dat er op korte termijn weer contact tussen [minderjarige] en de biologische vader zal gaan plaatsvinden. Dit contact dient dan op een structurele en voorspelbare wijze en ook veilig en verantwoord te verlopen. Gelet hierop en gezien de bovengenoemde, forse zorgen zal de kinderrechter daarom conform het verzoek van de GI een omgangsregeling tussen [minderjarige] en de biologische vader vaststellen voor eenmaal per week voor de duur van een uur, onder begeleiding, op een door de GI te bepalen locatie. Daarbij zal de kinderrechter bepalen dat de regie over het eventueel afschalen van de omgangsbegeleiding of het uitbreiden van de duur van de omgang bij de GI ligt. De kinderrechter wijst de GI er op dat het haar is toegestaan om de omgangsregeling verder uit te breiden, maar dat zij deze niet mag verminderen. Indien daarvoor wel aanleiding wordt gezien, dient de GI zich opnieuw tot de kinderrechter te wenden.

Uitvoerbaar bij voorraad

5.4.

De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, omdat het voor de ontwikkeling van de minderjarige [minderjarige] noodzakelijk is dat de beslissing ondanks een eventueel hoger beroep meteen uitgevoerd kan worden.

6 De beslissing

De kinderrechter:

6.1.

bepaalt dat de biologische vader en [minderjarige] gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar onder begeleiding en op een door de GI te bepalen locatie, eenmaal per week voor de duur van een uur, en dat de regie over het eventueel afschalen van de omgangsbegeleiding of het uitbreiden van de duur van de omgang bij de GI ligt;

6.2.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 29 juli 2026 door mr. R.A. Borm, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. R. de Haas als griffier.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.