Uitspraak · Personen- en familierecht

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 29 juli 2026

ECLI:NL:RBZWB:2026:8306Zaaknummer C/02/447455 / JE RK 26-701

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
29 juli 2026
Publicatiedatum
23 oktober 2026
Zaaknummer
C/02/447455 / JE RK 26-701
Rechtsgebied
Civiel recht, Personen- en familierecht
Procedure
Rekestprocedure, Beschikking
Zittingsplaats
Middelburg
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Verlenging uithuisplaatsing en benoeming bijzonder curator

6 De beslissing

De kinderrechter:

6.1.

verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een pleeggezin, in een

gezinsgerichte accommodatie of in een accommodatie jeugdhulpaanbieder met ingang van 6 augustus 2026 en tot 13 december 2026;

6.2.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

6.3.

benoemt - met inachtneming van het hiervoor overwogene - over de minderjarige:

- [minderjarige], geboren op [geboortedag] 2011 in [geboorteplaats],

tot bijzondere curator mevrouw mr. I.H.T.J. Anthonise-Gieling, advocaat, kantoorhoudende te Goes;

6.4.

verzoekt de bijzondere curator aan de rechtbank verslag te doen van haar bevindingen zoals hiervoor overwogen onder rechtsoverweging 5.7 en 5.12.

Deze beslissing is gegeven door mr. De Beer, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 29 juli 2026 in aanwezigheid van mr. A.G. Vork, griffier.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 Het verdere verloop van de procedure
  2. 2 De feiten
  3. 3 Het verzoek
  4. 5 De nadere beoordeling
  5. 6 De beslissing

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht

Locatie Middelburg

Zaaknummer: C/02/447455 / JE RK 26-701

Datum uitspraak: 29 juli 2026

Nadere beschikking van de kinderrechter over een machtiging tot uithuisplaatsing

in de zaak van

JEUGDBESCHERMING BRABANT,

gevestigd te Etten-Leur,

hierna te noemen: de GI,

over

[minderjarige],

geboren op [geboortedag] 2011 in [geboorteplaats],

hierna te noemen: [minderjarige].

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[de moeder],

hierna te noemen: de moeder,

wonende in onbekend,

advocaat: mr. M.A. Breewel-Witteveen uit Goes,

[de vader],

hierna te noemen: de vader,

wonende in [woonplaats],

advocaat: mr. M.A.J. Timmermans-Roelands uit Bergen op Zoom.

1 Het verdere verloop van de procedure

1.1.

De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:

  • de beschikking van 30 april 2026 en de daarin opgenomen stukken;
  • de schriftelijke update van de GI van 13 juli 2026;
  • de bijlagen bij de schriftelijke update van de GI, ontvangen op 16 juli 2026;
  • het verweerschrift met bijlagen van mr. Breewel-Witteveen, ontvangen op 17 juli 2026;
  • de ontbrekende producties bij het verweerschrift van mr. Breewel-Witteveen, ontvangen op 20 juli 2026;
  • de ter zitting overgelegde pleitnotitie van mr. Timmersmans-Roelands.
1.2.

Op 22 juli 2026 heeft de kinderrechter de zitting met gesloten deuren plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:

- de vader bijgestaan door zijn advocaat;

- de moeder (via Teams-verbinding) bijgestaan door mr. J.A. Scanlan als

waarneemster voor mr. Breewel-Witteveen;

- een vertegenwoordigster van de GI.

1.3.

De kinderrechter heeft [minderjarige] naar haar mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2 De feiten

2.1.

De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige].

2.2.

Bij beschikking van 13 maart 2024 is [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI met

ingang van 13 maart 2024 en tot 13 maart 2025. Deze ondertoezichtstelling is daarna steeds

verlengd, voor het laatst met ingang van 13 maart 2026 en tot 13 december 2026.

2.3.

Bij beschikking van 22 april 2026 heeft de kinderrechter zonder voorafgaand verhoor van de belanghebbenden en onder aanhouding van het restantverzoek een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een pleeggezin, in een gezinsgerichte accommodatie of in een accommodatie jeugdhulpaanbieder verleend met ingang van 22 april 2026 en tot 6 mei 2026.

2.4.

Bij beschikking van 30 april 2026 heeft de kinderrechter het resterende deel van het verzoek ten aanzien van de spoedmachtiging afgewezen en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een pleeggezin, in een gezinsgerichte accommodatie of in een accommodatie jeugdhulpaanbieder met ingang van 6 mei 2026 tot 6 augustus 2026 verleend onder aanhouding van het resterende deel van het verzoek tot de zitting van 22 juli 2026.

2.5.

Op grond van deze machtiging verblijft [minderjarige] op dit moment bij de grootouders mz.

3 Het verzoek

3.1.

De GI verzoekt:

- op grond van artikel 1:265b van het Burgerlijk Wetboek (BW) een machtiging te

verlenen om [minderjarige] dag en nacht uit huis te plaatsen in een pleeggezin, in een

gezinsgerichte accommodatie of in een accommodatie jeugdhulpaanbieder voor de

duur van vier weken;

- aansluitend een machtiging tot uithuisplaatsing te verlenen voor de duur van de

ondertoezichtstelling in een pleeggezin, in een gezinsgerichte accommodatie of in

een accommodatie jeugdhulpaanbieder;

- eerstgenoemde beschikking onverwijld af te geven zonder voorafgaand verhoor

van belanghebbenden;

- de te geven beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

3.2.

Thans ligt nog ter beoordeling voor het resterende deel van het verzoek tot het verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een pleeggezin, in een gezinsgerichte accommodatie of in een accommodatie jeugdhulpaanbieder voor de duur van de ondertoezichtstelling, te weten tot 13 december 2026.

4. De standpunten

4.1.

De GI handhaaft het verzoek. In aanvulling op de briefupdate geeft de GI aan dat [minderjarige] een angst voor het contact met haar vader heeft ontwikkeld. Zij kan niet over haar vader praten en dat baart de GI zorgen. Niet duidelijk is waar dit door komt. De GI ziet dat [minderjarige] op dit moment niet gelukkig is, maar vindt het ook van groot belang dat zij een eigen beeld over haar vader kan en mag gaan vormen. Hiervoor moet psychologische hulp komen. Moeder en grootouders mz lijken [minderjarige] negatief te beïnvloeden en zeker niet het contact met vader te stimuleren. In het contact tussen de GI en de moeder ontstaat er telkens veel ruis; de dingen die de moeder stuurt, zijn niet compleet of niet concreet. Onduidelijk is nog steeds waar het gezin in Spanje woont en of en waar [minderjarige] in Spanje naar school is geweest. Verder is [minderjarige] na de crisisplaatsing op de groep naar grootouders mz gegaan. Er is ambulante hulpverlening bij [minderjarige] betrokken om zicht te krijgen op hoe zij zich voelt en te kijken of er mogelijkheden zijn om het over de vader te hebben. Vooralsnog is dit niet mogelijk. Dat [minderjarige] bij grootouders mz verblijft is hiervoor niet helpend. Een neutralere plek voor [minderjarige] is er echter op dit moment niet. Tot slot vindt de GI het passend als er voor [minderjarige] een neutraal persoon betrokken raakt.

4.2.

Door en namens de moeder is verzocht om het verzoek af te wijzen en te bepalen dat [minderjarige] per omgaande terug naar Spanje kan keren, waar zij de laatste vier jaar is opgegroeid. De huidige situatie brengt meer schade aan [minderjarige] toe dan wanneer zij terug naar Spanje kan gaan. De moeder hoopt dat er naar de wensen van [minderjarige] en haar belang wordt gekeken. In aanvulling op het verweerschrift heeft de moeder benoemd dat [minderjarige] zelf geen contact met haar vader wil. Op korte termijn is hier ook geen verandering in te verwachten. Het gaat niet slechts over de laatste jaren; [minderjarige] heeft toen zij jong was geen band met de vader opgebouwd. Verder doet de GI onjuiste aannames en wordt er een eenzijdig beeld over de moeder geschetst. De moeder ervaart de communicatie met de GI als moeizaam. Zij heeft reeds schoolinformatie van [minderjarige] en de inschrijving in het registratiesysteem in Spanje aan de GI gestuurd. Daar komt bij dat de statusvoorlichting over de vader aan [minderjarige] ook vanuit Spanje kan. De vader heeft in 2022 immers toestemming voor het verhuizen van [minderjarige] naar Spanje gegeven. Als de uithuisplaatsing wordt verlengd, is het belangrijk dat er een bijzondere curator voor [minderjarige] komt en dat zij niet wordt overgeplaatst. Tot slot benoemt de moeder dat de strafzaak in Spanje is vernietigd en dat de moeder bereid is om maandelijks updates en foto’s van [minderjarige] aan de vader te sturen als [minderjarige] naar Spanje komt.

4.3.

Door en namens de vader is verzocht om het verzoek toe te wijzen. De vader heeft geen contact met [minderjarige]. De hulpverlening heeft niet met [minderjarige] over de vader kunnen spreken. [minderjarige] heeft nog geen echte kans gehad om het eenzijdig en geïndoctrineerd beeld ten aanzien van de vader bij te kunnen stellen. Dit beeld wordt in stand gehouden door de huidige indoctrinatie van de moeder en grootouders mz. Doordat [minderjarige] bij grootouders mz verblijft en veelvuldig telefonisch contact met de moeder heeft, duurt de ouderverstoting voort. De vader zou willen dat [minderjarige] vanuit een neutrale setting professionele hulp (in de vorm van een kinderpsycholoog gericht op ouderverstoting) krijgt en (na de schoolvakantie) naar school gaat. Door het doen en laten van de moeder is dit nog niet gelukt. Vanuit Spanje kan deze hulp niet aan [minderjarige] worden geboden. Het doet hem pijn dat [minderjarige] zich nu ongelukkig voelt. Tegelijkertijd begrijpt hij dat ze het nu niet slecht doet. Belangrijk is verder dat duidelijk wordt waar [minderjarige] in Spanje heeft verbleven en of zij naar school is gegaan. De moeder verstrert tot op heden deze informatie niet. Tot slot loopt de strafrechtelijke procedure jegens de moeder vanwege de verdenking van kinderontvoering nog steeds. De vader is het eens met een bijzondere curator voor [minderjarige].

4.4.

Tijdens het kindgesprek heeft [minderjarige] aangegeven dat het heel slecht met haar gaat. Ze voelt zich ongelukkig in Nederland. Zij mist haar moeder, stiefvader, broertje en vriendinnen. [minderjarige] wil terug naar Spanje. Zij kan amper slapen en eten en voelt zich ziek en heeft veel heimwee. Zij belt elke dag met haar moeder. Sinds drie weken verblijft [minderjarige] bij haar opa en oma en dat vindt zij fijner dan op de groep. [minderjarige] wil absoluut geen contact met haar vader. Verder heeft zij dagbesteding bij de manege en het dierenasiel. Zij gaat nu niet naar school. [minderjarige] hoopt dat de uithuisplaatsing stopt en dat zij terug naar Spanje kan.

5 De nadere beoordeling

Verlenging machtiging tot uithuisplaatsing

5.1.

Op grond van artikel 1:265c lid 2 BW kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:265b lid 1 BW is voldaan, de duur van de machtiging uithuisplaatsing telkens verlengen met ten hoogste een jaar.

5.2.

De kinderrechter zal het resterende deel van de verzochte brede machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] toewijzen, te weten tot 13 december 2026. Hij legt dit hierna uit.

5.3.

Het is de kinderrechter gebleken dat het voor de GI (en de vader) nog steeds onduidelijk is hoe de ontwikkeling van [minderjarige] in de afgelopen jaren in Spanje is geweest, waar het gezin woont en of en waar [minderjarige] naar school is geweest. De moeder stelt dat zij de door de GI verzochte informatie heeft opgestuurd, maar de GI geeft aan dat dit niet het geval is en dat er door de houding en de manier van communiceren door de moeder veel ruis is. De GI heeft de benodigde informatie nu bij de centrale autoriteiten van Spanje opgevraagd, maar dat proces kost tijd. Dit maakt dat de kinderrechter vaststelt dat er in de afgelopen maanden op dit gebied weinig vooruitgang is geboekt en dat er nog steeds veel onduidelijkheid bestaat als het gaat om de afgelopen jaren van [minderjarige] in Spanje en haar ontwikkeling. De kinderrechter vindt het belangrijk dat die duidelijkheid er gaat komen. Als [minderjarige] teruggaat, moet vaststaan dat [minderjarige] op een goede manier aan haar ontwikkeling toekomt en zich kan ontwikkelen.Verder is [minderjarige] in de afgelopen periode van de crisisgroep naar grootouders mz gegaan, deels omdat dat een voor [minderjarige] vertrouwde omgeving is en deels vanwege het gebrek aan een neutralere plek voor [minderjarige]. Tijdens het kindgesprek heeft [minderjarige] aangegeven dat zij op dit moment echt ongelukkig is en dat zij graag terug naar Spanje en haar moeder, stiefvader, broertje en vriendinnen wil. Dat [minderjarige] zich zo voelt, vindt de kinderrechter zorgelijk. Tegelijkertijd stelt hij vast dat het ook zorgelijk is dat [minderjarige] een angst voor (het contact met) haar vader heeft ontwikkeld. Zij staat op dit moment niet open voor contact met haar vader, zelfs niet voor informatie over vader. Dit zonder dat duidelijk is waar dit vandaan komt. Niet is gebleken dat de contacten tussen [minderjarige] en haar vader in het verleden zodanig onprettig zijn geweest wat maakt dat [minderjarige] helemaal niets meer van haar vader wil weten. De kinderrechter is van oordeel dat [minderjarige] een kans zou moeten krijgen om op een neutrale manier haar vader te leren kennen en een eigen beeld over hem te vormen. Dit is tot op heden nog niet gelukt, ook niet met behulp van de ambulante hulpverlening. Belangrijk is dat de GI hiervoor professionele hulp (in de vorm van een kinderpsycholoog) gaat inzetten. Vanuit Spanje kan dit niet aan [minderjarige] worden geboden.

In de belangenafweging tussen enerzijds het belang het gevoel van [minderjarige] nu ongelukkig te zijn en van huis te zijn weggerukt te stoppen en anderzijds het belang om een neutraler beeld van haar vader op te krijgen ligt volgens de kinderrechter nu de nadruk op het tweede belang, te meer daar nog steeds niet duidelijk is of [minderjarige] bij terugkeer naar Spanje op een goede manier kan toekomen aan haar ontwikkeling en de vader informatie kan blijven krijgen over [minderjarige]. Dit maakt dat het in het belang van de verzorging en opvoeding van [minderjarige] noodzakelijk is dat de uithuisplaatsing wordt verlengd. Dat de moeder nu aangeeft dat zij bereid is om maandelijks updates en foto’s van [minderjarige] naar de vader te sturen als [minderjarige] terug naar Spanje komt, ligt op dit moment niet voor en is als toezegging ook volstrekt onvoldoende gezien de huidige situatie en het verleden. De GI heeft tijdens de zitting nog benoemd dat het erop lijkt dat [minderjarige] door het verblijf bij de grootouders mz geen echte kans krijgt om een eigen beeld over haar vader te vormen. De kinderrechter begrijpt dat het voor [minderjarige] vertrouwd is om bij de grootouders mz te verblijven, maar geeft als aandachtspunt aan de GI mee om te kijken of dit ook het meest in het belang van [minderjarige] is of dat een neutralere plaatsing meer passend zou zijn. Verder verwacht de kinderrechter dat [minderjarige] zo snel als mogelijk in Nederland naar school zal gaan. [minderjarige] is leerplichtig en de kinderrechter ziet niet in waarom [minderjarige] niet op school zou kunnen starten. Gelet op het bovenstaande en dat er nog veel stappen moeten worden gezet, zal de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een pleeggezin, een gezinsgerichte accommodatie of een accommodatie jeugdhulpaanbieder tot 13 december 2026 verlengen. Aan de wettelijke eisen daarvoor is voldaan.

5.4.

De kinderrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, omdat het voor de ontwikkeling van [minderjarige] noodzakelijk is dat de beslissing ondanks een eventueel hoger beroep meteen uitgevoerd kan worden.

Benoeming bijzonder curator

5.5.

Artikel 1:250 BW bepaalt – voor zover hier van belang – het volgende. Wanneer in aangelegenheden betreffende de verzorging en opvoeding van de minderjarige de belangen van de met het gezag belaste ouder(s) in strijd zijn met die van de minderjarige, kan de kinderrechter, indien dit in het belang van de minderjarige noodzakelijk wordt geacht, daarbij in het bijzonder de aard van de belangenstrijd in aanmerking genomen, op verzoek van een belanghebbende of ambtshalve een bijzondere curator benoemen om de minderjarige zowel in als buiten rechte te vertegenwoordigen.

5.6.

Gelet op de stukken, het kindgesprek met [minderjarige] en hetgeen de GI en de ouders tijdens de zitting naar voren hebben gebracht, is het de kinderrechter gebleken dat de GI nog altijd onvoldoende op de hoogte is (of zich heeft kunnen stellen) van hoe de ontwikkeling van [minderjarige] in de afgelopen jaren in Spanje is geweest, waar het gezin woont en of en waar [minderjarige] naar school is geweest. Zorgelijk is dat [minderjarige] tijdens het kindgesprek heeft aangegeven dat zij in Nederland echt ongelukkig is en terug naar Spanje wil, maar tegelijkertijd vindt de kinderrechter het ook zorgelijk dat zij op geen enkele manier of in welke vorm dan ook open lijkt te staan voor informatie over of contact met haar vader en dat [minderjarige] op deze manier geen eigen beeld over haar vader kan vormen. De visies en verhalen van de GI, de vader, de moeder en [minderjarige] zijn tegenstrijdig en ook verschillen zij allen van mening als het gaat om wat in het belang van [minderjarige] is. Tijdens de zitting hebben zowel de GI als beide ouders aangegeven de noodzaak in te zien voor het benoemen van een bijzondere curator over [minderjarige]. Gelet hierop is de kinderrechter van oordeel dat er een situatie is ontstaan waarin de belangen van [minderjarige] in

en buiten rechte onvoldoende lijken te worden behartigd en vertegenwoordigd door haar ouders met gezag, zelfs niet met steun van de jeugdbeschermer.

5.7.

De kinderrechter acht het noodzakelijk dat een bijzondere curator de belangen van [minderjarige] behartigt en is van oordeel dat een bijzondere curator over [minderjarige] dient te worden benoemd. De kinderrechter geeft de bijzondere curator de opdracht om te onderzoeken wat op dit moment de behoeften en de omstandigheden van [minderjarige] zijn en om het belang van [minderjarige] te onderzoeken en te verwoorden. Daarbij dient de bijzondere curator waar dat wenselijk en mogelijk is de belangenbehartiging van [minderjarige] na te streven. Zij dient daartoe alles te doen wat noodzakelijk is en de minderjarige daarbij in en buiten rechte te vertegenwoordigen. Het is overigens niet gezegd dat de belangen en de behoeften van [minderjarige] samenvallen.

5.8.

Mr. I.H.T.J. Anthonise-Gieling, advocaat, kantoorhoudende te Goes, is bereid gevonden om in deze procedure als bijzondere curator voor [minderjarige] op te treden en zal hiertoe door de rechtbank worden benoemd.

5.9.

De bijzondere curator wordt in ieder geval verzocht gesprekken te voeren met [minderjarige], beide ouders en (de vaste jeugdbeschermer van) de GI. Het staat de bijzondere curator vrij gesprekken te voeren met overige betrokken personen en/of de hulpverlening, die informatie over [minderjarige] kunnen verschaffen.

5.10.

De kinderrechter wijst de ouders en de GI erop dat zij de verplichting hebben aan de door de bijzondere curator te geven instructies gevolg te geven.

5.11.

Voorts verzoekt de kinderrechter de bijzondere curator de leidraad werkwijze en verslag bijzondere curatoren ex artikel 1:250 van het Burgerlijk Wetboek in acht te nemen.

5.12.

De kinderrechter verzoekt de bijzondere curator om – voorlopig in dit zaaknummer – aan de kinderrechter schriftelijk verslag te doen van haar bevindingen en een advies aan de rechtbank uit te brengen, in elk geval voorafgaand aan en ten behoeve van een eventuele vervolgzitting naar aanleiding van een eventueel verlengingsverzoek van de GI en daarbij een standpunt over het eventueel nog in te dienen verzoek in te nemen.

6 De beslissing

De kinderrechter:

6.1.

verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een pleeggezin, in een

gezinsgerichte accommodatie of in een accommodatie jeugdhulpaanbieder met ingang van 6 augustus 2026 en tot 13 december 2026;

6.2.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

6.3.

benoemt - met inachtneming van het hiervoor overwogene - over de minderjarige:

- [minderjarige], geboren op [geboortedag] 2011 in [geboorteplaats],

tot bijzondere curator mevrouw mr. I.H.T.J. Anthonise-Gieling, advocaat, kantoorhoudende te Goes;

6.4.

verzoekt de bijzondere curator aan de rechtbank verslag te doen van haar bevindingen zoals hiervoor overwogen onder rechtsoverweging 5.7 en 5.12.

Deze beslissing is gegeven door mr. De Beer, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 29 juli 2026 in aanwezigheid van mr. A.G. Vork, griffier.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.