Uitspraak · Personen- en familierecht
Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 29 juli 2026
ECLI:NL:RBZWB:2026:8299Zaaknummer C/02/450925 / JE RK 26-1380
- Instantie
- Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Datum uitspraak
- 29 juli 2026
- Publicatiedatum
- 23 oktober 2026
- Zaaknummer
- C/02/450925 / JE RK 26-1380
- Rechtsgebied
- Civiel recht, Personen- en familierecht
- Procedure
- Rekestprocedure, Beschikking
- Zittingsplaats
- Breda
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Voorlopige ondertoezichtstelling - mondeling door de Raad verzocht naar aanleiding van een zitting in het kader van de informele rechtsingang - minderjarige wil niet meer terug naar vader - ouderstrijd - geen communicatie - groot verschil in opvoedstijl.
6 De beslissing
De kinderrechter:
stelt [minderjarige] onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming Brabant met ingang van 29 juli 2026 tot 29 oktober 2026;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 29 juli 2026 door mr. Van Triest, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Vos als griffier.
De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op 31 juli 2026.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Zaaknummer: C/02/450925 / JE RK 26-1380
Datum uitspraak: 29 juli 2026
beschikking van de kinderrechter over een voorlopige ondertoezichtstelling
in de zaak van
RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING,
Zeeland-West-Brabant, locatie Breda,
hierna te noemen: de Raad,
over
[minderjarige], geboren in [geboorteplaats] op [geboortedag] 2014,
hierna te noemen: [minderjarige],
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats 1],
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats 2].
De kinderrechter merkt als informant aan:
STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT,
locatie Tilburg, hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (GI)
1 Het procesverloop
Het procesverloop blijkt uit:
- het mondelinge verzoek van de Raad tot een voorlopige ondertoezichtstelling van 29 juli 2026, gedaan tijdens de zitting in de zaak met kenmerk C/02/449436 FA RK 26-3162 betreffende procedure in het kader van een informele rechtsingang;
- de schriftelijke bevestiging van het mondelinge verzoek met bijlagen, ingekomen bij de griffie op 29 juli 2026.
Bij voormelde zitting van 29 juli 2026 waren aanwezig en zijn gehoord:
- de moeder,
- de vader;
- een vertegenwoordigster van de Raad.
- een vertegenwoordigster van de GI.
2. De feiten
De ouders hebben een affectieve relatie met elkaar gehad. Uit deze relatie is [minderjarige] geboren.
De vader heeft [minderjarige] erkend. De ouders hebben samen het ouderlijk gezag over [minderjarige].
Voor zover hier van belang, heeft de rechtbank bij eindbeschikking van 18 april 2025 bepaald dat [minderjarige] haar hoofdverblijf heeft bij de vader en is er een nadere (reguliere) zorgregeling en een regeling ten aanzien van vakanties en feestdagen vastgesteld.
Sinds 12 juni 2026 verblijft [minderjarige] feitelijk bij de moeder.
[minderjarige] heeft in het kader van de informele rechtsingang, bekend onder zaaknummer C/02/449436 FA RK 26-3162, aan de kinderrechter gevraagd om de zorgregeling te wijzigen, waarbij zij om het weekend bij de vader is en de rest van de tijd bij haar moeder, zij vanaf het nieuwe schooljaar mag starten op de KSE in Etten-Leur en dat er naar haar mening en gevoel wordt geluisterd door een onafhankelijk persoon. De kinderrechter heeft tijdens de mondelinge behandeling op 29 juli 2026 in voormelde zaak mondeling uitspraak gedaan, inhoudende dat zij geen ambtshalve beslissingen zal gaan nemen op de vragen van [minderjarige]. Die mondelinge beslissing in die zaak zal later in een separate beschikking op schrift worden gesteld.
3 Het verzoek
De Raad heeft op basis van wat tijdens de zitting (in de zaak met kenmerk C/02/449436 FA RK 26-3162) naar voren is gebracht grote zorgen over het welzijn en de ontwikkeling van [minderjarige]. Volgens de Raad is een voorlopige ondertoezichtstelling van [minderjarige] noodzakelijk omdat er een ernstig vermoeden bestaat dat de grond voor een ondertoezichtstelling is vervuld en de maatregel noodzakelijk is om een acute en ernstige bedreiging voor [minderjarige] weg te nemen. De Raad is in het verleden meermaals betrokken geweest bij [minderjarige] en recent nog bij haar zusje. In het verleden waren er zorgen over bedreiging, brandstichting, fysiek geweld en psychische problemen van de moeder. [minderjarige] is getuige geweest van ruzies en spanningen tussen de ouders. In 2024 heeft de Raad geadviseerd dat er tussen [minderjarige] en de moeder geen omgang kon zijn zonder behandeling van de moeder bij GGZ. Bij de moeder zijn meerdere diagnoses gesteld. Hoewel [minderjarige] langdurig bij de vader woont en zij een omgangsregeling heeft met de moeder van een weekend per veertien dagen, is [minderjarige] na 12 juni 2026 niet meer teruggekeerd naar de vader, heeft zij het einde van het schooljaar in [woonplaats 2] gemist en ziet zij geen vriendjes en vriendinnetjes meer omdat zij nu bij de moeder in [woonplaats 1] is. De Raad heeft zorgen over de negatieve ontwikkeling die [minderjarige] doormaakt, haar loyaliteitsprobleem, het ontbreken van psychische zorg en het gegeven dat [minderjarige] zelf de rechtbank om hulp heeft moeten vragen. Daarnaast is er sprake van een groot verschil in opvoedsituaties tussen de ouders. De Raad ziet een complexe situatie die al langdurig speelt. [minderjarige] zit klem tussen de ouders en er moet op korte termijn iets gebeuren, niet in de laatste plaats omdat zij op 24 augustus zal beginnen in de brugklas en het nu niet duidelijk is naar welke school zij dan zal gaan.
De Raad verzoekt, uitvoerbaar bij voorraad, een voorlopige ondertoezichtstelling van [minderjarige] voor de duur van drie maanden.
De doelen waaraan volgens de Raad gedurende de voorlopige ondertoezichtstelling moet worden gewerkt zijn, samengevat:
- er wordt duidelijkheid verkregen omtrent de huidige of toekomstige verblijfplaats van [minderjarige], de zorgregeling en de school van [minderjarige];
- [minderjarige] heeft onbelast contact met beide ouders, ongeacht bij welke ouder zij verblijft;
- het herstellen van de schoolgang van [minderjarige];
- het met spoed inzetten van hulpverlening voor [minderjarige], ofwel bij RIOzorg of bij een andere instelling;
- communicatieherstel tussen de ouders;
- het inzetten van opvoedondersteuning in beide opvoedsituaties gericht op regels/grenzen/normen/gezag/vrijheden passend bij de leeftijd van [minderjarige];
- er wordt duidelijkheid verkregen over de emotionele zorgen en noden van [minderjarige], door middel van individuele gesprekken met [minderjarige].
4 Het standpunt van belanghebbenden
De moeder kan zich vinden in het verzoek van de Raad. Zij geeft aan dat een voorlopige ondertoezichtstelling ervoor zal zorgen dat [minderjarige] zich gehoord gaat voelen. Dit is precies de wens van [minderjarige].
Ook de vader stemt in met het verzoek. Hij vindt het belangrijk dat er hulpverlening ingezet gaat worden. Immers, zonder hulpverlening is het moeilijk om [minderjarige] weer thuis te ontvangen. Zij heeft duidelijk last van een loyaliteitsconflict.
5 De beoordeling
Wat zegt de wet?
Op grond van artikel 1:257, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan de kinderrechter de minderjarige voorlopig onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling indien een ernstig vermoeden bestaat dat de grond, bedoeld in artikel 1:255, eerste lid, van het BW is vervuld en de maatregel noodzakelijk is om een acute en ernstige bedreiging voor de minderjarige weg te nemen. De kinderrechter bepaalt de duur van dit voorlopige toezicht op ten hoogste drie maanden en kan de beslissing te allen tijde herroepen.
Volgens het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 BW kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen.
Inhoudelijke beoordeling
De kinderrechter is van oordeel dat een voorlopige ondertoezichtstelling noodzakelijk is. Vermoed wordt dat de ontwikkeling van [minderjarige] ernstig wordt bedreigd. Bij [minderjarige] is, gelet op de inhoud van haar brief en het gesprek dat zij had met de kinderrechter in het kader van de informele rechtsingang, sprake van een heftig loyaliteitsconflict. Zij verblijft op dit moment bij de moeder en wil niet terug naar de vader bij wie zij haar hoofdverblijfplaats heeft. [minderjarige] en de vader hebben elkaar sinds 12 juni 2026 niet meer gezien. De laatste drie weken van school heeft [minderjarige] gemist. De vader maakt zich zorgen over de sociaal-emotionele situatie van [minderjarige] bij de moeder thuis. [minderjarige] heeft in haar jonge leven veel meegemaakt en is belast met de turbulente verstandhouding tussen de ouders, de persoonlijke problematiek van de moeder alsook heeft zij last van het gebrek aan communicatie tussen haar ouders en de grote verschillen in opvoedstijl. Zij voelt zich in het gezin bij de vader onvoldoende gezien en gehoord en achtergesteld. Zij miste haar moeder. Het netwerk van beide ouders met partners en ex-partners lijkt met de strijd van de ouders verbonden en de ouders lijken elkaar te diskwalificeren. Er is sprake van een verstoorde oudercommunicatie. [minderjarige] lijkt daarnaast te worden belast met volwassenzaken, wat aan de zijde van de vader – over de werkzaamheden van de moeder – tot zorgen leidt.
Gebleken is dat er in het verleden in het vrijwillig kader veel hulpverlening bij het gezin betrokken is geweest zoals het CJG, RIOzorg (jeugd-ggz) en begeleiding door mevrouw Van den Dam. Vrijwillige hulpverlening heeft wisselend succes gehad. De kinderrechter heeft er op dit moment, gelet op de complexheid van de problematiek en de zeer verstoorde verstandhouding en ex-partnerstrijd tussen de ouders, geen vertrouwen in dat het hen samen lukt om in het vrijwillige kader de benodigde hulpverlening voor [minderjarige] te organiseren en daarmee de vermoedelijke ontwikkelingsbedreiging te doen afnemen. Hoewel de ouders aangeven achter de voorlopige ondertoezichtstelling te staan en zij aangeven hulpverlening voor [minderjarige] belangrijk te vinden, is ook bekend dat zij het moeilijk vinden om gezamenlijk op te trekken als het om [minderjarige] gaat. Zij communiceren niet op ouderniveau met elkaar. Dat maakt dat [minderjarige] klem zit en nu radicale keuzes maakt en de vader afwijst. Dit is niet in haar belang.
De kinderrechter acht betrokkenheid, monitoring en regievoering van de GI noodzakelijk om voor [minderjarige] de stappen te zetten die nodig zijn. In de komende periode dient duidelijk te worden waar [minderjarige] zal gaan (of blijven) wonen, waar zij naar school gaat en hoe de zorgregeling er uit komt te zien. Het is aan de GI om hierin verdere regie te voeren. Ook verwacht de kinderrechter dat benodigde persoonlijke hulpverlening voor [minderjarige] zal worden ingezet. Gelet op de jonge leeftijd van [minderjarige] en nu zij aan het begin staat van haar middelbare schooltijd, is hierbij haast geboden. De kinderrechter geeft de GI daarin alvast mee dat informatie over hulpverlening en wat [minderjarige] nodig heeft in ruime mate aanwezig is. Het hulpverleningstraject bij RIOzorg was ingezet, maar is om een voor de kinderrechter onduidelijke reden gestopt. De vader heeft tijdens de zitting aangegeven dat het de bedoeling was dat [minderjarige] EMDR zou krijgen en dat het daarna wellicht duidelijker wordt welke diagnose er gesteld kan worden. Het is wel al duidelijk dat er sprake is van hoogbegaafdheid bij [minderjarige].
Gelet op al het voorgaande wordt aan de wettelijke criteria voor een voorlopige ondertoezichtstelling voldaan. De kinderrechter zal het verzoek dan ook toewijzen. Met de Raad is de kinderrechter van oordeel dat een ernstig vermoeden bestaat dat de grond voor een ondertoezichtstelling is vervuld. De kinderrechter acht het dringend en onverwijld noodzakelijk dat, hangende een nader in te stellen onderzoek door de Raad naar de vraag of een (definitieve) ondertoezichtstelling is geboden, [minderjarige] voorlopig onder toezicht wordt gesteld voor de duur van drie maanden. Van belang is dat een jeugdbeschermer met spoed de regie gaat voeren en samen met de hulpverlening gaat werken aan de doelen zoals door de Raad gesteld, welke door de kinderrechter worden onderschreven. De Raad zal ondertussen nader onderzoek gaan doen naar de noodzakelijkheid van een reguliere kinderbeschermingsmaatregel.
Uitvoerbaar bij voorraad
Aangezien de maatregel tot voorlopige ondertoezichtstelling van rechtswege uitvoerbaar bij voorraad is, is het afzonderlijk uitvoerbaar bij voorraad verklaren daarvan niet nodig.
Al het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.
6 De beslissing
De kinderrechter:
stelt [minderjarige] onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming Brabant met ingang van 29 juli 2026 tot 29 oktober 2026;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 29 juli 2026 door mr. Van Triest, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Vos als griffier.
De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op 31 juli 2026.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.