Uitspraak · Personen- en familierecht

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 24 juli 2026

ECLI:NL:RBZWB:2026:8098Zaaknummer C/02/438368 / FA RK 25-3967

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
24 juli 2026
Publicatiedatum
22 oktober 2026
Zaaknummer
C/02/438368 / FA RK 25-3967
Rechtsgebied
Civiel recht, Personen- en familierecht
Procedure
Rekestprocedure, Beschikking
Zittingsplaats
Middelburg
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek op grond van informele rechtsingang.

De rechtbank

wijst het verzoek van [minderjarige] af.

Deze beschikking is gegeven door mr. De Beer, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 24 juli 2026 in aanwezigheid van Bakker-Maljers, griffier.

Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:

  • door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 Het verdere procesverloop
  2. 2 De nadere beoordeling
  3. 3 De beslissing

beschikking

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team Familie- en Jeugdrecht

Zittingsplaats: Middelburg

Zaaknummer: C/02/438368 / FA RK 25-3967

datum uitspraak: 24 juli 2026

beschikking betreffende informele rechtsingang

op het verzoek van

[minderjarige], geboren te [geboorteplaats] (België) op [geboortedag] 2009,

hierna te noemen [minderjarige].

Als belanghebbenden in deze zaak worden aangemerkt:

[de moeder], hierna te noemen de moeder,

wonende te [woonplaats],

advocaat: mr. D.J.A. Burlet te Oostburg,

[de vader], hierna te noemen de vader,

wonende te [woonplaats],

advocaat: mr. I. de Dobbelaere-Woets te Terneuzen.

Op grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg, hierna: de Raad, de rechtbank over het verzoek geadviseerd.

1 Het verdere procesverloop

1.1

De rechtbank oordeelt op grond van de navolgende stukken:

- de beschikking van 21 augustus 2025 en de daarin opgenomen stukken;

- het op 8 december 2025 ingekomen rapport van de Raad d.d. 30 oktober 2025;

- de brief van mr. Burlet d.d. 15 juni 2026;

- het e-mailbericht van [minderjarige] d.d. 18 juni 2026;

- het e-mailbericht van de vader d.d. 29 juni 2026.

2 De nadere beoordeling

2.1

De rechtbank verwijst naar haar beschikking van 21 augustus 2025. In het kader van een eerdere procedure tussen de ouders omtrent de inschrijving van [minderjarige] op een school in Brugge is [minderjarige] in de gelegenheid gesteld om haar mening hierover kenbaar te maken. Naar aanleiding van het gesprek dat vervolgens heeft plaatsgevonden tussen de rechter en [minderjarige] zijn er zorgen ontstaan over het welzijn van [minderjarige]. [minderjarige] vond het niet fijn thuis en wilde het liefst ergens anders wonen. Zij heeft hierbij de hulp van de rechter gevraagd. De rechter heeft vervolgens dit in het bijzijn van de Raad besproken met beide ouders en naar aanleiding hiervan de Raad verzocht om te onderzoeken wat nodig is om de situatie van [minderjarige] te verbeteren. In afwachting van het rapport en advies van de Raad is de procedure destijds aangehouden tot een nader te plannen zitting in november/december 2025.

2.2

Op 8 december 2025 heeft de rechtbank het rapport met bijbehorend advies van de Raad ontvangen. Uit dit rapport volgt dat de Raad heeft besloten het onderzoek naar de opvoedingssituatie van [minderjarige] af te sluiten zonder verder vervolg. Gedurende het onderzoek is de Raad gebleken dat ouders voldoende bereid zijn om onder eigen verantwoordelijkheid de hulpverlening om de zorgen over [minderjarige] weg te kunnen nemen te accepteren. Zij wensen het beste voor [minderjarige] en willen zich inzetten om de situatie van [minderjarige] te verbeteren. De door de Raad gegeven adviezen kunnen een leidraad voor ouders vormen op welke manier zij [minderjarige] het beste kunnen ondersteunen.

2.3

Door de rechtbank is vervolgens een nadere zitting gepland op 1 september 2026. Na ontvangst van de oproep van deze zitting heeft mr. Burlet op 15 juni 2026 namens de moeder laten weten dat het goed gaat en dat er op dit moment geen zaken spelen tussen ouders en/of tussen [minderjarige] en de ouders die nog een beslissing vragen van de rechtbank. Er is inmiddels een langere tijd sprake van een rustige situatie. Een nieuwe zitting zal enkel onrust met zich meebrengen en heeft volgens de vrouw dan ook geen meerwaarde.

2.4

Naar aanleiding van dit bericht heeft de rechtbank [minderjarige] en de vader verzocht om te reageren op het voornoemde bericht van mr. Burlet en om daarbij aan te geven of zij behoefte hebben aan een nadere mondelinge behandeling.

2.5

[minderjarige] heeft vervolgens bij e-mailbericht van 18 juni 2026 de rechtbank laten weten dat het goed met haar gaat en dat zij momenteel geen vragen of zorgen heeft waarvoor zij de hulp van de rechter nodig heeft.

2.6

Bij e-mailbericht van 29 juni 2026 heeft mr. De Dobbelaere-Woets laten weten dat de man zich kan vinden in hetgeen mr. Burlet in haar brief stelt. De man gaat ervan uit dat de zaak is afgerond en dat de geplande mondelinge behandeling geen doorgang hoeft te vinden.

2.7

De rechtbank concludeert uit de voornoemde berichten dat het goed gaat met [minderjarige] en dat zowel [minderjarige] als beide ouders geen behoefte meer hebben aan een nadere mondelinge behandeling. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de onderhavige procedure kan worden beëindigd. Het aanvankelijke verzoek van [minderjarige], waarmee deze procedure is gestart, zal daarom worden afgewezen. De reeds geplande mondelinge behandeling op 1 september 2026 zal geen doorgang vinden.

2.8

Dit betekent dat als volgt wordt beslist.

3 De beslissing

De rechtbank

wijst het verzoek van [minderjarige] af.

Deze beschikking is gegeven door mr. De Beer, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 24 juli 2026 in aanwezigheid van Bakker-Maljers, griffier.

Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:

  • door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.