Uitspraak · Personen- en familierecht

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 24 juli 2026

ECLI:NL:RBZWB:2026:8096Zaaknummer C/02/383810 / FA RK 21-1436

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
24 juli 2026
Publicatiedatum
22 oktober 2026
Zaaknummer
C/02/383810 / FA RK 21-1436
Rechtsgebied
Civiel recht, Personen- en familierecht
Procedure
Rekestprocedure, Beschikking
Zittingsplaats
Middelburg
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Verzoek gezamenlijk gezag, vaststelling omgangsregeling en verwijzing uniform hulpaanbod

De rechtbank:

3.1

bepaalt dat de man en [minderjarige] gerechtigd zijn tot omgang, inhoudende dat er anderhalf uur per week contact tussen hen plaatsvindt op donderdagmiddag onder begeleiding van [hulpverlening 2] en op een neutrale locatie, waarbij onder regie van het CJG en de hulpverlening van [hulpverlening 2] moet worden bezien of tot de door de man gewenste omgangsregeling (eenmaal in de twee weken een weekend en de helft van de vakanties) kan worden gekomen dan wel wat de maximaal haalbare omgangsregeling is;

3.2

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

3.3

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. Dijkman, rechter tevens kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 24 juli 2026 in aanwezigheid van de griffier mr. Van der Meer.

Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:

  • door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.

Volledige tekst

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team Familie- en Jeugdrecht

Zittingsplaats: Middelburg

Zaaknummer: C/02/383810 / FA RK 21-1436

Datum uitspraak: 24 juli 2026

beschikking over het gezag en de omgang

in de zaak van

[de man],

hierna te noemen: de man,

wonende in [plaats 1],

advocaat: voorheen mr. D.R.M. de Vos, thans mr. M.A. Breewel-Witteveen te Goes,

tegen

[de vrouw], hierna te noemen: de vrouw, wonende te [plaats 2],

advocaat: mr. J.J. Bronsveld te Bergen op Zoom.

over de minderjarige:

- [minderjarige], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2021, hierna: [minderjarige].

Informant in deze procedure is:

Stichting Jeugdbescherming Brabant, gevestigd te Etten-Leur, hierna te noemen de gecertificeerde instelling (de GI).

Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering

is in de procedure gekend:

- de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, locatie Middelburg,

hierna te noemen: de Raad, om de rechtbank over het verzoek te adviseren.

1. Het verdere verloop van de procedure

1.1. Het verdere verloop van de procedure blijkt uit de volgende stukken:

- de beschikking van 4 augustus 2023 en alle daarin genoemde stukken;

- de herstelbeschikking van 14 maart 2024;

- het emailbericht met bijlage van de gemeente Bergen op Zoom van 9 april 2024;

- de brief met bijlage van de GI van 22 mei 2024;

- het F9-formulier van mr. Bronsveld van 3 juni 2024;

- de brief van mr. de Vos van 9 juli 2024;

- het F9-formulier van mr. Bronsveld van 10 juli 2024;

- het F9-formulier van mr. Bronsveld van 3 januari 2025;

- het F9-formulier van mr. Breewel-Witteveen van 4 februari 2025;

- het proces-verbaal van de zitting van 20 augustus 2025;

- het proces-verbaal van de zitting van 7 januari 2026;

- de briefrapportage van de GI van 28 mei 2026, ontvangen op 1 juni 2026.

1.2. De verzoeken zijn mondeling behandeld op 5 juni 2026. Bij die gelegenheid zijn verschenen:

  • de man, bijgestaan door zijn advocaat;
  • de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;
  • een vertegenwoordigster van de Raad;
  • een vertegenwoordiger van de GI.

2 De verdere beoordeling

Het verloop van de procedure

2.1.

De rechtbank verwijst naar haar laatste tussenbeschikking van 4 augustus 2023, hersteld bij beschikking van 14 maart 2024. De rechtbank heeft de man vervangende toestemming verleend voor erkenning van [minderjarige], onder verklaring voor recht dat de door [persoon] gedane erkenning van [minderjarige] nietig is. In afwachting van de ontwikkelingen die bereikt worden in het kader van de ondertoezichtstelling heeft de rechtbank de zaak ten aanzien van het gezag en de omgang aangehouden.

2.2.

Op 9 april 2024 heeft de rechtbank vanuit de gemeente Bergen op Zoom een afschrift ontvangen van de akte van geboorte van [minderjarige] met daarbij de latere vermelding van de door de man gedane erkenning van [minderjarige] op 9 november 2023.

2.3

De rechtbank heeft de zaak nader ter zitting behandeld op 20 augustus 2025. Uit het proces-verbaal van die zitting volgt dat de rechtbank zich onvoldoende geïnformeerd heeft geacht om een goede beslissing te nemen op de nog voorliggende verzoeken vanwege de tegenstrijdige verklaringen van partijen over de situatie en het verloop van de omgang tussen de man en [minderjarige]. Vanwege een wisseling van jeugdbeschermer bleek ook vanuit de GI een goed zicht op de situatie te ontbreken. De rechtbank heeft de beslissing op de verzoeken daarom opnieuw aangehouden in afwachting van het verloop van de omgang in het kader van de ondertoezichtstelling.

2.4

De rechtbank heeft de zaak nader ter zitting behandeld op 7 januari 2026. Uit het proces-verbaal van die zitting blijkt dat de rechtbank zich onvoldoende geïnformeerd heeft geacht om een goede beslissing te nemen over de verzoeken. De rechtbank concludeerde dat er na een terugval inmiddels weer positieve stappen worden gezet in de opbouw van het contact tussen [minderjarige] en de man, maar ook dat nog onduidelijk is welke eindsituatie bereikt kan gaan worden. Onder regie van de GI zou het contact tussen de man en [minderjarige] verder worden opgebouwd en daarnaast zou gewerkt aan worden over aan het verbeteren van de onderlinge communicatie van partijen. De rechtbank wenste de ontwikkelingen en de nadere berichtgeving van de GI hierover af te wachten en heeft de beslissing op de verzoeken daarom opnieuw aangehouden.

2.5

Uit de briefrapportage van de GI van 28 mei 2026 blijkt dat de begeleide omgang van [hulpverlening 1] is gestopt en inmiddels is overgenomen door [hulpverlening 2] Deze begeleide omgang zal wekelijks plaatsvinden. In de periode waarin er geen omgangsbegeleiding betrokken was hebben partijen dit samen georganiseerd, aanvankelijk met betrokkenheid van de GI maar later in onderling overleg. De vrouw is steeds bij de omgangsmomenten aanwezig geweest. De omgang is telkens goed verlopen en er wordt gezien dat de man en [minderjarige] genieten van het contact met elkaar. Tegelijkertijd geven partijen aan dat de man moeite heeft met de zorg- en opvoedtaken die horen bij de omgang met een vijfjarige. Ook is rondom de verjaardag van [minderjarige] gebleken dat het de man niet lukt om in goede afstemming met de vrouw de juiste keuzes te maken. Gezien de positieve ontwikkelingen in het contact tussen partijen, de wijze waarop zij openstaan en samenwerken met de hulpverlening en beiden laten zien dat zij het beste willen voor [minderjarige], heeft de GI besloten geen verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling in te dienen. De overdracht naar het vrijwillige kader zal nog plaatsvinden binnen het veiligheidsteam.

De voorliggende verzoeken

2.6

Ter beoordeling ligt nog aan de rechtbank voor de verzoeken van de man om te bepalen dat hij voortaan gezamenlijk met de vrouw het gezag uitoefent over [minderjarige], partijen te verwijzen naar het uniform hulpaanbod voor een ouderschapsplan en te bepalen dat de man contact heeft met [minderjarige] iedere dinsdag, alsmede een weekend per 14 dagen van vrijdag tot zondagavond, alsmede de helft van alle schoolvakanties en feestdagen, waarbij het de bedoeling is dat in overleg met de betrokken instanties in het kader van ouderschapsbemiddeling, naar deze regeling wordt toegewerkt.

Gezag

2.7

De man handhaaft zijn verzoek om te bepalen dat hij voortaan gezamenlijk met de vrouw het gezag uitoefent over [minderjarige]. De contacten tussen partijen verlopen in algemene zin goed, het contact tussen [minderjarige] en de man verloopt goed, de man werkt met de hulpverlening aan het oppakken van zijn ouderrol en er zijn geen contra-indicaties voor het uitoefenen van gezamenlijk gezag. Dat de oudercommunicatie met momenten moeizaam verloopt, is geen reden om het gezag niet aan de man toe te kennen. Daar kan immers middels de hulpverlening van [hulpverlening 2] aan worden gewerkt. Daarnaast kan niet vooruitgelopen worden op de beslissing van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) ten aanzien van het verblijfsrecht van de man. Op dit moment heeft de man een verblijfsrecht en de intentie om in Nederland te blijven, maar ook als de man zou moeten terugkeren naar Irak zou dit geen belemmering voor de uitoefening van gezamenlijk gezag opleveren. De man kan immers ook op afstand worden geïnformeerd over [minderjarige] en zijn medewerking verlenen.

2.8

De vrouw verzoekt het verzoek van de man om te bepalen dat hij voortaan gezamenlijk met vrouw het gezag uitoefent af te wijzen. De vrouw acht partijen namelijk niet in staat om samen het gezag uit te oefenen over [minderjarige]. Zij verwacht dat de verstandhouding tussen partijen opnieuw zal verslechteren op het moment dat sprake is van gezamenlijk gezag. Op dit moment verloopt de onderlinge oudercommunicatie op basaal niveau redelijk, maar de samenwerking verloopt met momenten ook erg moeizaam. Zo is de situatie op de verjaardag van [minderjarige] uit de hand gelopen, hetgeen zowel de vrouw als [minderjarige] erg heeft gekrenkt. Ook heeft de man daarna negatief gesproken over de familie van de vrouw, waardoor de verhoudingen opnieuw op scherp zijn gezet. In dit kader is ook naar voren gebracht dat het al dan niet verkrijgen van een verblijfsgunning niet kan worden betrokken in de beoordeling of partijen in staat zijn om samen het gezag uit te oefenen over [minderjarige]. Bovendien heeft de man geen vaste verblijfsplek in Nederland, hetgeen het nemen van beslissingen bij gezamenlijk gezag zal bemoeilijken. Daarbij komt dat niet door de man is aangegeven dat hij zich zorgen maakt over [minderjarige] of dat de vrouw beslissingen neemt waar hij het niet mee eens is. De vrouw acht het op dit moment het meest passend om de hulpverlening vanuit [hulpverlening 2] een kans te geven zodat daarin kan worden bezien of de man meer betrokkenheid toont en stappen kan maken in het belang van [minderjarige]. Hoewel het in de afgelopen jaren binnen het gedwongen kader van de ondertoezichtstelling niet is gelukt om aan het verbeteren van de onderlinge communicatie te werken, kan worden onderzocht of binnen de hulpverlening van [hulpverlening 2] opnieuw aan ouderschapsbemiddeling kan worden gewerkt. Op dit moment acht de vrouw gezamenlijk gezag echter niet in het belang van [minderjarige].

2.9

De GI vindt het lastig om te adviseren over het verzoek van de man ten aanzien van het gezamenlijk gezag. Immers, zonder gezag zal de vader mogelijk geen verblijfsvergunning krijgen en zonder verblijfsvergunning zal het uitoefenen van gezamenlijk gezag moeizaam verlopen omdat de man dan zal moeten terugkeren naar Irak. In het verleden is ingezet op het verbeteren van de onderlinge oudercommunicatie, maar gebleken is dat de huidige manier van communicatie tussen partijen het hoogst haalbare is. De GI heeft er wel vertrouwen in dat het partijen zal lukken om te overleggen zolang er hulpverlening betrokken is. Verder benoemt de GI dat de procedure een belasting vormt voor partijen, waardoor een aanhouding van de beslissing niet in het belang van [minderjarige] wordt geacht.

2.10

De Raad benoemt enerzijds dat de situatie rondom de verjaardag van [minderjarige] een voorbeeld is op basis waarvan de Raad zich kan voorstellen dat [minderjarige] klem en verloren zal raken tussen partijen in geval van gezamenlijk gezag. Anderzijds is sprake van veel onduidelijkheid in de huidige situatie. Zo heeft de Raad onvoldoende zicht op de communicatie tussen partijen, de begeleidbaarheid van de man, de angsten van de vrouw en de huidige situatie ten aanzien van de verblijfsvergunning van de man. Bovendien is de hulpverlening vanuit [hulpverlening 2] pas zeer recent gestart, waardoor het nog niet duidelijk is of kan worden gewerkt aan het verbeteren van de onderlinge communicatie. Het zou goed zijn als de hulpverlening van [hulpverlening 2] hier in de komende periode ook aandacht voor heeft en het is belangrijk dat de resultaten daarvan worden afgewacht. Dit maakt dat de Raad adviseert de beslissing op het verzoek van de man ten aanzien van het gezamenlijk gezag aan te houden.

2.11

In artikel 1:253c van het Burgerlijk Wetboek (BW) staat dat de vader van het kind, als hij het gezag mag krijgen, de rechtbank kan verzoeken hem ook, dus samen met de moeder, het gezag te geven. Hij mag dit gezag dan niet eerder al met de moeder hebben gehad. Verder staat in dat artikel dat dit verzoek alleen kan worden afgewezen als het risico bestaat dat het kind anders klem komt te zitten tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen korte tijd genoeg verbetering komt. Het verzoek kan ook worden afgewezen als dat om een andere reden in het belang van het kind noodzakelijk is.

2.12

De rechtbank stelt bij de beoordeling voorop dat het uitgangspunt van de wetgever is dat ouders gezamenlijk het gezag uitoefenen. Voor gezamenlijk gezag is vereist dat de ouders in staat zijn tot een behoorlijke gezamenlijke gezagsuitoefening en dat zij beslissingen van enig belang over hun kind in gezamenlijk overleg kunnen nemen, althans tenminste in staat zijn vooraf afspraken te maken over situaties die zich rond het kind kunnen voordoen. Het ontbreken van een goede communicatie tussen de ouders brengt niet zonder meer mee dat het in het belang van het kind is dat het ouderlijk gezag uitsluitend of blijvend door één ouder dient te worden uitgeoefend.

2.13

Uit de overgelegde stukken en hetgeen partijen ter gelegenheid van de nadere mondelinge behandeling hebben verklaard, is de rechtbank het volgende gebleken. Binnen de ondertoezichtstelling is in de afgelopen drie jaren niet alleen gewerkt aan het tot stand brengen van structureel contact tussen de man en [minderjarige], maar ook aan het verbeteren van de onderlinge oudercommunicatie. Inmiddels is gebleken dat de communicatie tussen partijen met momenten redelijk kan verlopen, maar dat er ook momenten zijn waarop de samenwerking minder goed verloopt en de situatie tussen partijen escaleert. Uit de beschikking van de kinderrechter van 7 januari 2026 volgt dat de onderlinge oudercommunicatie begin dit jaar niet constructief verliep en communicatie tussen partijen enkel per e-mail mogelijk was. De kinderrechter heeft hierover haar zorgen geuit en de GI opdracht gegeven te onderzoeken of de juiste hulpverlening voor partijen is ingezet om hun onderlinge communicatie te verbeteren of dat een andere vorm van hulp meer passend zou zijn. Vervolgens is gebleken dat de communicatie tussen partijen in de tussentijd is verbeterd en dat partijen de omgang tussen [minderjarige] en de man samen hebben georganiseerd in de periode waarin er geen omgangsbegeleiding betrokken was. Hoewel dit aanvankelijk goed verliep, is rondom de verjaardag van [minderjarige] echter gebleken dat het de man niet lukt om in afstemming met de vrouw de juiste keuzes te maken. Daarnaast zijn de spanningen tussen partijen op de verjaardag van [minderjarige] opnieuw hoog opgelopen in het bijzijn van [minderjarige]. Sindsdien verloopt de onderlinge communicatie tussen partijen opnieuw moeizaam. Dit maakt dat de rechtbank constateert dat de inzet van hulpverlening en de betrokkenheid van de GI tot op heden niet tot een betrouwbare en consistente verbetering in de situatie van partijen heeft geleid. In plaats daarvan is de situatie recent geëscaleerd en verloopt de onderlinge communicatie sindsdien erg stroef. Daarbij is ter zitting door de jeugdbeschermer toegelicht dat de huidige manier van communicatie het hoogst haalbare is gebleken voor partijen en dat om die reden niet langer wordt gewerkt aan het verbeteren van de onderlinge oudercommunicatie. Het voorgaande maakt dat de rechtbank de kans op (toename van) spanningen tussen partijen bij gezamenlijk gezag reëel acht. Hierdoor is de rechtbank van oordeel dat er een aanzienlijk risico bestaat dat [minderjarige] klem en verloren zal raken tussen partijen en - gelet op de jarenlange inzet van hulpverlening en betrokkenheid van de GI - niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering komt. Om die reden zal de rechtbank de man op dit moment niet belasten met het gezamenlijk gezag over [minderjarige]. Voorts is de rechtbank van oordeel dat een verdere aanhouding van de beslissing in afwachting van het verloop van de hulpverlening van [hulpverlening 2], zoals geadviseerd door de Raad, niet in het belang van [minderjarige] is. Gebleken is namelijk dat de huidige procedure een belasting vormt voor partijen en dat een mondelinge behandeling telkens spanningen veroorzaakt tussen partijen. Dit komt de onderlinge verstandhouding niet ten goede, hetgeen ook voor [minderjarige] merkbaar zal zijn. De rechtbank vindt het daarom belangrijk dat er rust en duidelijkheid komt, zowel voor partijen als voor [minderjarige]. De rechtbank zal daarom het verzoek van de man betreffende het gezag afwijzen.

Omgangsregeling

2.14

Ingevolge artikel 1:377a, eerste lid BW heeft de niet met het gezag belaste ouder het recht op en de verplichting tot omgang met zijn kind. Op grond van het tweede lid van dat artikel stelt de rechter op verzoek van de ouders of van één van hen, al dan niet voor bepaalde tijd, een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht vast dan wel ontzegt, al dan niet voor bepaalde tijd, het recht op omgang. De rechtbank ontzegt het recht op omgang ingevolge het derde lid van voornoemd artikel slechts indien:

a. omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van het kind, of;

b. de ouder kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat moet worden geacht tot omgang, of;

c. het kind dat twaalf jaren of ouder is, bij zijn verhoor van ernstige bezwaren tegen omgang met zijn ouder heeft doen blijken, of;

d. indien de omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.

2.15

De man handhaaft zijn verzoek ten aanzien van de omgangsregeling met [minderjarige], maar realiseert zich ook dat de verzochte omgangsregeling op dit moment nog niet haalbaar is. Het voorstel namens de man is dan ook om een definitieve omgangsregeling vast te stellen waarin de huidige omgangsregeling wordt vastgelegd en partijen vervolgens samen met de hulpverlening kunnen onderzoeken of zij tot de door de man gewenste omgangsregeling kunnen komen dan wel wat de maximaal haalbare omgangsregeling is.

2.16

De vrouw kan niet instemmen met de door de man verzochte omgangsregeling, maar stemt wel in met het vastleggen van de huidige omgangsregeling waarbij vervolgens onder regie van de hulpverlening kan worden bezien wat de maximaal haalbare omgangsregeling is.

2.17

De GI adviseert een definitieve omgangsregeling tussen de vader en [minderjarige] vast te stellen zodat hierover duidelijkheid bestaat. Er gaat weer wekelijks omgang plaatsvinden op donderdagmiddag voor de duur van anderhalf uur op een neutrale locatie en met [hulpverlening 2] is afgesproken dat deze omgang zal worden uitgebreid. De regievoering over de omgangsregeling zal in het vrijwillige kader door het Centrum Jeugd en Gezin (CJG) worden opgepakt.

2.18

De rechtbank overweegt als volgt. Tijdens de mondelinge behandeling is door de GI toegelicht dat de begeleide omgang inmiddels is overgenomen door [hulpverlening 2] en dat op dit moment wordt toegewerkt naar een omgangsregeling waarbij de man en [minderjarige] iedere donderdagmiddag omgang met elkaar hebben voor de duur van anderhalf uur, op een neutrale locatie en onder begeleiding van [hulpverlening 2]. Vervolgens is namens de man voorgesteld deze omgangsregeling vast te leggen in een beschikking zodat partijen vervolgens samen met de hulpverlening kunnen onderzoeken of zij tot de door de man gewenste omgangsregeling kunnen komen dan wel wat de maximaal haalbare omgangsregeling is. Hier heeft de vrouw mee ingestemd. Gelet op het voorgaande en nu niet is gebleken dat het belang van [minderjarige] zich verzet tegen het vastleggen van de namens de man voorgestelde omgangsregeling, zal de rechtbank bepalen dat de man en [minderjarige] gerechtigd zijn tot omgang, inhoudende dat er anderhalf uur per week contact tussen hen plaatsvindt op donderdagmiddag onder begeleiding van [hulpverlening 2] en op een neutrale locatie, waarbij onder regie van het CJG en de hulpverlening van [hulpverlening 2] moet worden bezien of tot de door de man gewenste omgangsregeling (eenmaal in de twee weken een weekend en de helft van de vakanties) kan worden gekomen dan wel wat de maximaal haalbare omgangsregeling is. Het meer of anders verzochte zal worden afgewezen.

2.19

De rechtbank zal de beslissing met betrekking tot de omgangsregeling uitvoerbaar bij voorraad verklaren omdat het in het belang van [minderjarige] is dat de beslissing direct in werking zal treden, ongeacht een eventueel hoger beroep tegen de beslissing

3 De beslissing

De rechtbank:

3.1

bepaalt dat de man en [minderjarige] gerechtigd zijn tot omgang, inhoudende dat er anderhalf uur per week contact tussen hen plaatsvindt op donderdagmiddag onder begeleiding van [hulpverlening 2] en op een neutrale locatie, waarbij onder regie van het CJG en de hulpverlening van [hulpverlening 2] moet worden bezien of tot de door de man gewenste omgangsregeling (eenmaal in de twee weken een weekend en de helft van de vakanties) kan worden gekomen dan wel wat de maximaal haalbare omgangsregeling is;

3.2

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

3.3

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. Dijkman, rechter tevens kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 24 juli 2026 in aanwezigheid van de griffier mr. Van der Meer.

Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:

  • door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.