Uitspraak · Personen- en familierecht
Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 24 juli 2026
ECLI:NL:RBZWB:2026:8092Zaaknummer C/02/448650 / FA RK 26-2741
- Instantie
- Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Datum uitspraak
- 24 juli 2026
- Publicatiedatum
- 22 oktober 2026
- Zaaknummer
- C/02/448650 / FA RK 26-2741
- Rechtsgebied
- Civiel recht, Personen- en familierecht
- Procedure
- Rekestprocedure, Beschikking
- Zittingsplaats
- Middelburg
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Verzoek vervangende toestemming wijziging school afgewezen
De rechtbank:
wijst het verzoek van de vrouw af.
Deze beschikking is gegeven door mr. Polak, (kinder)rechter, en in het openbaar uitgesproken op 24 juli 2026 in aanwezigheid van mr. Boomaars, griffier.
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
beschikking
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Zittingsplaats: Middelburg
Zaaknummer: C/02/448650 / FA RK 26-2741
Datum uitspraak: 24 juli 2026
Beschikking over vervangende toestemming inschrijving school
in de zaak van
[de vrouw],
hierna: de vrouw,
wonende in [woonplaats 1],
advocaat: mr. J.C. van den Doel te Zierikzee,
tegen
[de man],
hierna: de man,
wonende in [woonplaats 2],
advocaat: mr. M. Krijger te Middelburg.
over de minderjarige:
- [minderjarige], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2020, hierna: [minderjarige].
Op grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg,
hierna: de Raad, de rechtbank over het verzoek geadviseerd.
1 Het procesverloop
Dit blijkt uit de volgende stukken:
- het op 28 mei 2026 ontvangen verzoekschrift met bijlagen;
- het op 2 juni 2026 ontvangen F9-formulier van mr. Van den Doel met bijlage;
- het op 9 juli 2026 ontvangen verweerschrift met bijlagen.
Het verzoek is mondeling behandeld op 10 juli 2026. Bij die behandeling zijn gekomen partijen, bijgestaan door hun advocaten. Ook was een vertegenwoordigster aanwezig van de Raad.
2 De feiten
Partijen hebben met elkaar een affectieve relatie gehad. Uit deze relatie is de minderjarige [minderjarige] geboren.
[minderjarige] woont bij de vrouw.
De man heeft [minderjarige] erkend.
Partijen hebben samen het gezag over [minderjarige].
Partijen zijn aanvankelijk – in onderling overleg – de volgende zorgregeling overeengekomen: [minderjarige] is bij de man van maandag na school tot woensdagavond na de voetbaltraining. Partijen hebben vervolgens deze zorgregeling op 19 februari 2026 gewijzigd, inhoudende dat de man [minderjarige] op de bovengenoemde dagen na school ophaalt en [minderjarige] op maandag en dinsdag om 18:30 uur en op woensdag na de voetbaltraining weer naar de vrouw brengt. Ter zitting is gebleken dat partijen deze zorgregeling wederom – gelet op het (tijdelijke) verblijf van de man in een afkickkliniek te [plaats 1] – hebben gewijzigd, inhoudende dat de man [minderjarige] op zaterdag of zondag ophaalt bij de vrouw en hem ’s avonds weer bij de vrouw brengt.
3 Het verzoek
De vrouw verzoekt bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
- vervangende toestemming te verlenen aan de vrouw om [minderjarige], geboren op [geboortedag] 2020 te [geboorteplaats], in te schrijven als leerling van de basisschool “ [basisschool 1] ” te [plaats 2] aan [adres].
De man is het niet eens met het verzoek van de vrouw en verzoekt de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoek dan wel het verzoek van de vrouw af te wijzen.
Op de standpunten van alle betrokkenen wordt, voor zover nodig om het verzoek te beoordelen, hierna ingegaan.
4 De beoordeling
Wettelijk kader
In artikel 1:253a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) staat dat geschillen over het samen uitoefenen van het gezag, zoals in dit geval over de schoolkeuze, op verzoek van een ouder aan de rechtbank kunnen worden voorgelegd. De rechtbank neemt dan een beslissing die zij in het belang van het kind vindt.
De rechter moet eerst bekijken of de ouders met elkaar afspraken kunnen maken (artikel 1:253a lid 5 BW). Het is partijen ter zitting echter niet gelukt om nader tot elkaar te komen. De rechtbank zal het verzoek derhalve inhoudelijk beoordelen.
Standpunten
Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling is door en namens de vrouw, samengevat, aangevoerd dat het partijen niet goed lukt om te communiceren en afspraken te maken in het belang van [minderjarige]. De vrouw heeft de man in januari 2026 verteld dat zij voornemens is om met [minderjarige] te verhuizen naar [woonplaats 1], alsmede dat [minderjarige] – in dat geval – op zijn huidige basisschool in [woonplaats 2] kan blijven, mits het goed blijft gaan met de man. Echter, het ging niet goed met de man en hij verblijft nu wegens middelengebruik in een afkickkliniek in [plaats 1]. Het gevolg is dat de zorgregeling, zoals partijen in februari 2026 overeen zijn gekomen, niet meer uitgevoerd kan worden en dat de vrouw [minderjarige] nu al vanaf 5 mei 2026 vijf dagen per week op en neer naar school in [woonplaats 2] moet brengen, terwijl zij in [woonplaats 1] woont en werkt. Dit zorgt voor veel extra reistijd, waardoor het voor [minderjarige] niet mogelijk is om na schooltijd met vriendjes af te spreken. Daarnaast is het beter als [minderjarige] naar school gaat in zijn eigen woonomgeving, zodat hij daar een sociaal netwerk kan opbouwen, de dagelijkse zorg beter uitvoerbaar is en [minderjarige] rust en voorspelbaarheid gaat ervaren. De grootste zorg van de vrouw is dat de man in de toekomst wederom een terugval zal krijgen, wat maakt dat de huidige, praktisch moeilijk uitvoerbare situatie opnieuw zal ontstaan. [minderjarige] ziet de man nu een dag in het weekend. [minderjarige] mist de man en wil hem ook vaker zien. Dit maakt dat de vrouw achter een uitbreiding van de zorgregeling staat, waaronder een overnachting, mits de thuissituatie van de man voldoende veilig is. Aangezien de werkdagen van de vrouw na de zomervakantie zullen veranderen, zijn nadere afspraken over de zorgregeling nodig. De vrouw is bereid om – met behulp van hulpverlening – met de man afspraken te maken en te werken aan de onderlinge verstandhouding. Het is absoluut niet haar intentie om het netwerk van [minderjarige] in [woonplaats 2] te doen verwateren.
Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling is door en namens de man, samengevat, aangevoerd dat hij een terugval heeft gehad en daarom in een afkickkliniek in [plaats 1] verblijft. Na de terugval heeft de man meteen hulp gezocht. Daarnaast heeft de man met de vrouw afgesproken om de zorgregeling tijdelijk te wijzigen naar een dag in het weekend. Volgende week vrijdag zal het afkicktraject van de man eindigen en zal hij op donderdag en vrijdag een nazorgtraject volgen in [plaats 3]. De man is op dat moment bereid en in staat om de zorgregeling, inhoudende dat [minderjarige] op maandag tot en met woensdag bij de man verblijft, te hervatten. De man begrijpt dat de zorgregeling stapsgewijs weer moet worden opgebouwd. Voorts is de man het niet eens met het verzoek van de vrouw. De man begrijpt de praktische bezwaren van de vrouw, maar [minderjarige] heeft in [woonplaats 2] een stabiel sociaal netwerk en is omringd door familie en vrienden. Een verhuizing naar [woonplaats 1] en de huidige situatie tussen de ouders is al erg veel geweest voor [minderjarige]. Het is niet in zijn belang om hem nu ook – nota bene zonder voorbereiding en afscheid van zijn vriendjes – naar een andere school te laten gaan. Daar komt bij dat de huidige situatie van de man tijdelijk is en dat de man en zijn netwerk bereid zijn om de vrouw te ontlasten. De man is bovendien bereid om – met behulp van hulpverlening – nadere afspraken met de vrouw te maken.
De Raad verklaart ter zitting, samengevat, dat [minderjarige] de afgelopen periode te maken heeft gehad met plotselinge veranderingen. Eerder was er sprake van goed contact tussen de ouders, een co-ouderschapsregeling en rust en voorspelbaarheid. Ineens was er iets met de man aan de hand, hetgeen [minderjarige] heeft aangevoeld, waardoor hij nu volledig bij de vrouw verblijft. [minderjarige] mist de man en heeft hier last van. De vrouw heeft vervolgens geprobeerd om de situatie zo goed mogelijk op te vangen, maar heeft zelf ook veel angst en verdriet ervaren door de terugval van de man. De man verblijft tijdelijk in een afkickkliniek in [plaats 1] en het is de bedoeling van partijen om stapsgewijs de eerdere zorgregeling te hervatten. Het is onwenselijk om [minderjarige] – zonder afscheid en noodzaak – te laten wisselen van school. [minderjarige] heeft veel onrust en instabiliteit meegemaakt. Hij heeft het nodig dat hij in een vertrouwde omgeving blijft. De Raad adviseert de ouders om via de gemeente een ouderschapsbemiddelingstraject in te zetten. Het is hun ouderlijke plicht om de rust voor [minderjarige] te herstellen. Bovendien doet de Raad een beroep op de man om begrip en respect te hebben voor de situatie en gevoelens van de vrouw, aangezien de huidige situatie met de man niet makkelijk is voor haar.
Inhoudelijke beoordeling
De rechtbank stelt vast dat de man, vanwege een terugval in middelengebruik, tijdelijk is opgenomen in een afkickkliniek in [plaats 1]. Deze verandering van omstandigheden heeft gevolgen gehad voor de eerder door partijen overeengekomen zorgregeling, nu het – vanwege het verblijf in [plaats 1] – niet meer mogelijk is voor de man om omgang met [minderjarige] te hebben op maandag, dinsdag en woensdag. Dit maakt dat partijen hebben afgesproken dat [minderjarige] alle doordeweekse dagen bij de vrouw verblijft en dat de man [minderjarige] op zaterdag of zondag ophaalt en in de avond weer thuisbrengt. Ter zitting is gebleken dat het hulpverleningstraject van de man in de week na de zitting zal worden beëindigd, wat maakt dat hij vanaf dat moment doordeweeks weer thuis zal verblijven. De man zal nog wel een nazorgtraject volgen, maar heeft dit afgestemd op de eerdere zorgregeling. Partijen hebben de intentie om – middels een nog te bepalen opbouwschema – de eerdere zorgregeling (met overnachtingen) te hervatten. De vrouw heeft in de overgelegde stukken en ter zitting verklaard dat zij, gelet op de huidige onbeschikbaarheid van de man, te maken heeft met een praktisch moeilijk uitvoerbare situatie, nu zij [minderjarige] al vanaf 5 mei 2026 op alle schooldagen naar zijn school in [woonplaats 2] brengt en ook weer van school ophaalt, terwijl zij in [woonplaats 1] werkzaam is en woont. De vrouw maakt zich vooral zorgen dat de situatie van de man zich in de toekomst zal herhalen en wenst om die reden dat [minderjarige] stabiliteit krijgt door naar een school in [woonplaats 1] te gaan. De man heeft begrip voor de lastige situatie van de vrouw en is bereid om haar, met behulp van zijn eigen netwerk, hierin te ontlasten. Het betreft echter volgens de man een tijdelijke situatie, hetgeen een schoolwijziging niet rechtvaardigt.
De vrouw wenst [minderjarige] te laten wisselen van [basisschool 2] in [woonplaats 2] naar [basisschool 1] in [plaats 2]. Omdat partijen gezamenlijk het gezag over [minderjarige] uitoefenen, heeft de vrouw de toestemming van de man nodig voor de door haar gewenste schoolwisseling. Omdat de man zijn toestemming daarvoor heeft geweigerd, vordert de vrouw de rechtbank vervangende toestemming te verlenen. De rechtbank is echter – met de Raad – van oordeel dat een schoolwijziging op dit moment niet in het belang van [minderjarige] is en zal het verzoek van de vrouw dan ook afwijzen. Dit licht de rechtbank als volgt toe.
De rechtbank begrijpt dat de huidige situatie extra reistijd van de vrouw vraagt, maar overweegt ten aanzien hiervan dat het gaat om een tijdelijke situatie, dat de vrouw zelf de wens heeft gehad om naar [woonplaats 1] te verhuizen en dat de man heeft aangeboden om zelf of door middel van zijn netwerk iets te betekenen in het ontlasten van de vrouw. Partijen zijn ook bereid om de eerder overeengekomen zorgregeling stapsgewijs te hervatten, wat maakt dat de vrouw [minderjarige] – zodra het contact weer opgebouwd is – niet meer alle schooldagen naar school moet brengen en van school moet ophalen. [minderjarige] heeft daarnaast de afgelopen periode te maken gehad met veel onrust en instabiliteit. Hoewel er eerder nog sprake was van een co-ouderschapsregeling en een goede ouderrelatie, lukt het de ouders op dit moment niet meer op met elkaar te communiceren en afspraken te maken, heeft [minderjarige] aangevoeld dat er iets met de man aan de hand is en heeft [minderjarige] nog maar een dag in het weekend omgang met de man. Ter zitting is gebleken dat [minderjarige] de man erg mist, hier last van heeft en de man vaker wil zien. Het is onwenselijk om voor [minderjarige] nog meer onrust te creëren door hem van school te laten wisselen, nu een schoolwisseling een ingrijpende gezagsbeslissing betreft. Hiervoor dienen goede en gegronde redenen te bestaan. [minderjarige] heeft op zijn huidige school in [woonplaats 2] zijn vertrouwde (sociale) omgeving, waaronder familieleden en vrienden, en de vrouw heeft ook onvoldoende aannemelijk gemaakt dat er een noodzaak bestaat voor een schoolwisseling. Bovendien was het aanvankelijk, toen de man nog niet was opgenomen, ook de bedoeling dat [minderjarige], als de vrouw in [woonplaats 1] zou wonen, in [woonplaats 2] naar school zou blijven gaan. Het argument van de vrouw dat [minderjarige] meer mogelijkheden heeft om na schooltijd met vriendjes af te spreken als hij in [woonplaats 1] naar school gaat is niet doorslaggevend, nu de afstand tussen [woonplaats 1] en [woonplaats 2] slechts 15 km betreft en dit niet zodanig is dat hij niet meer met vriendjes kan afspreken. Ook is onvoldoende gebleken dat het door de reistijd voor [minderjarige] lastig is om buiten school met (buurt)vriendjes uit zijn wijk te spelen. Daarbij overweegt de rechtbank tot slot dat [minderjarige] niet is voorbereid op een eventuele wisseling van school en is hij ook niet in de gelegenheid gesteld om afscheid te nemen van zijn huidige (school)vriendjes.
De rechtbank geeft de ouders mee dat het noodzakelijk is dat zij, in het belang van [minderjarige], via de gemeente een ouderschapsbemiddelingstraject starten, zodat zij kunnen werken aan hun onderlinge verstandhouding, het (her)opbouwen van wederzijds vertrouwen en het maken van nadere afspraken, waaronder over de zorgregeling. Doordat de rechtbank een definitieve beslissing neemt op het gebied van de schoolwisseling, hoopt de rechtbank dat er op dit onderdeel rust en duidelijkheid kan worden gecreëerd.
5 De beslissing
De rechtbank:
wijst het verzoek van de vrouw af.
Deze beschikking is gegeven door mr. Polak, (kinder)rechter, en in het openbaar uitgesproken op 24 juli 2026 in aanwezigheid van mr. Boomaars, griffier.
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.