Uitspraak · Personen- en familierecht
Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 23 juli 2026
ECLI:NL:RBZWB:2026:8088Zaaknummer C/02/449752 / JE RK 26-1130
- Instantie
- Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Datum uitspraak
- 23 juli 2026
- Publicatiedatum
- 22 oktober 2026
- Zaaknummer
- C/02/449752 / JE RK 26-1130
- Rechtsgebied
- Civiel recht, Personen- en familierecht
- Procedure
- Rekestprocedure, Beschikking
- Zittingsplaats
- Middelburg
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Verzoek ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing toegewezen voor verzochte duur. Geen bijzonderheden.
6 De beslissing
De kinderrechter:
stelt [minderjarige] onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming west Zeeland met ingang van 23 juli 2026 en tot 23 juli 2027;
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg, te weten bij grootouders mz, met ingang van 23 juli 2026 en tot 23 januari 2027;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
| Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 23 juli 2026 door mr. De Beer, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Boomaars, griffier, en op schrift gesteld op 6 augustus 2026. |
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
- degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/449752 / JE RK 26-1130
Datum uitspraak: 23 juli 2026
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING,
regio Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg,
hierna te noemen: de Raad,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2021 in [geboorteplaats],
hierna te noemen: [minderjarige].
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [plaats 1],
advocaat: mr. I.H.T.J. Anthonise-Gieling uit Goes,
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende in [plaats 2],
advocaat: mr. J.L.J. de Vos uit Goes.
De kinderrechter merkt als informant aan:
de gecertificeerde instelling STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND, hierna te noemen: de GI,
gevestigd te Middelburg.
1 Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 29 juni 2026;
- de door de Raad ter zitting overgelegde e-mail van 13 juli 2026.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 23 juli 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- een vertegenwoordigster van de Raad;
- een vertegenwoordigster van de GI.
2 De feiten
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige].
[minderjarige] verblijft in een (netwerk)pleeggezin, namelijk bij de grootouders moederszijde (mz).
Bij beschikking van deze rechtbank van 17 maart 2026 is, onder wijziging van de beschikking van 9 september 2022 en het daaraan gehechte ouderschapsplan, bepaald dat de vader in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken voorlopig gerechtigd is tot het hebben van contact met [minderjarige] conform de tussen partijen gemaakte afspraken, te weten: Partijen staan open voor omgangsbegeleiding en zijn hierover in overleg met [hulpverlening 1]. Het eerste contactmoment tussen de vader en [minderjarige] heeft op 10 maart jl. plaatsgevonden. In afwachting van de inzet van professionele omgangsbegeleiding zijn partijen de volgende regeling overeengekomen:
- tussen de vader en [minderjarige] geldt een tijdelijke zorgregeling waarbij minimaal tweemaal per week contact plaatsvindt van tenminste één uur;
- in ieder geval zal contact plaatsvinden op de volgende data: 13 maart, 18 maart, 26 maart, 1 april, 7 april en 14 april;
- de overige contactmomenten zullen in onderling overleg tussen partijen worden gepland;
- partijen bepalen in onderling overleg de exacte duur van de contactmomenten en of – en zo ja wie – daarbij aanwezig is, waarbij zij aansluiten bij de wensen en draagkracht van [minderjarige].
3 Het verzoek
De Raad verzoekt [minderjarige] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de Raad een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg, namelijk bij de grootouders (mz), te verlenen voor de duur van zes maanden. De Raad verzoekt tot slot de beslissingen uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4 De standpunten
De Raad handhaaft het verzoek en licht, aanvullend op de overgelegde stukken, toe dat er op 13 juli 2026 een e-mail is binnengekomen van de casusregisseur. De inhoud van deze e-mail is wel besproken met opa en oma mz, maar niet met de ouders. Dat is kwalijk. Uit de e-mail blijkt dat er forse zorgen zijn over beide ouders. De moeder zou een terugval in middelengebruik hebben gehad waar [minderjarige] getuige van is geweest. De vader zou het niet eens zijn met de door [hulpverlening 1] voorgestelde contactopbouw met [minderjarige] en is uit contact getreden met de casusregisseur. Ondanks de betrokkenheid van de hulpverlening in het vrijwillige kader, lukt het de ouders in ieder geval onvoldoende om de veiligheid van [minderjarige] te vergroten. Gelet op de aanvaardbare termijn van [minderjarige], is het belangrijk dat de GI zich inspant om binnen zes maanden het perspectief te bepalen. Tot slot licht de Raad toe dat de casusregie komt te vervallen op het moment dat de ondertoezichtstelling wordt uitgesproken, maar dat de bezoekbegeleiding doorgang kan blijven vinden en dat de pleegzorgscreening en -begeleiding al zijn aangevraagd.
Door en namens de moeder wordt geen verweer gevoerd tegen de verzoeken. De moeder neemt alle hulp aan en hoopt aan de GI te laten zien dat het goed gaat. De onderlinge verstandhouding en het vertrouwen tussen de moeder en haar ouders (opa en oma mz) gaat met ups-and-downs. Op de momenten dat de communicatie niet goed loopt, helpt [hulpverlening 1]. De door de Raad verzochte machtiging tot uithuisplaatsing voor de periode van zes maanden geeft de moeder perspectief en zij hoopt dat [minderjarige] dan al (gedeeltelijk) thuis is. De ouders vallen met betrekking tot de hulpverlening tussen wal en schip, aangezien zij meewerkend zijn en de hulpverlening toch om verschillende redenen stopt. Het is jammer dat het tot een uithuisplaatsing heeft moeten komen. Het is belangrijk dat de GI stevige regie voert en zorgt dat de hulpverlening betrokken blijft.
Door en namens de vader wordt geen verweer gevoerd tegen de verzoeken. Het is belangrijk dat er een jeugdbeschermer betrokken wordt, zodat het goed blijft gaan met [minderjarige]. De vader heeft geen goede band met oma mz, maar weet dat het voor [minderjarige] het beste is als hij daar nog even blijft wonen. De vader heeft momenteel geen fysiek contact met [minderjarige]; hij heeft enkel videobelcontact. Dit is ook steeds zeer kort, gelet op de spanningsboog van [minderjarige]. De vader wil wel graag fysiek contact met [minderjarige]. Ook heeft de vader het gevoel dat hij is benadeeld, aangezien sommige stukken – waaruit blijkt dat het goed gaat tussen de vader en [minderjarige] – niet zijn opgevraagd door de Raad. De ouders willen graag in overleg met elkaar, maar vallen met betrekking tot de hulpverlening tussen wal en schip. Daarom is het belangrijk dat over zes maanden de stand van zaken opnieuw wordt besproken.
De GI is bereid om de ondertoezichtstelling, als deze wordt uitgesproken, uit te voeren. Er zal echter niet meteen een vaste jeugdbeschermer beschikbaar zijn. De GI werkt met een instroomteam, wat betekent dat er enkel zal worden gekeken naar de actuele veiligheid van [minderjarige] en zaken die prioriteit hebben. Het is belangrijk dat de ouders zelf individuele hulpverlening gaan zoeken. De GI zal bijvoorbeeld wel starten met het regelen van pleegzorgbegeleiding. Ook zal hetgeen worden ingezet dat nodig is in de omgang tussen de ouders en [minderjarige]. Het is echter niet mogelijk dat er meteen strakke regie wordt gevoerd.
5 De beoordeling
Wettelijk kader
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
- de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
- de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders die het gezag uitoefenen of de ouder die het gezag uitoefent binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat zijn of is te dragen.
Ingevolge artikel 1:265b lid 1 BW kan de kinderrechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op het verzoek van de Raad machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.
Inhoudelijke beoordeling
De kinderrechter is op grond van de overgelegde stukken en de zitting van oordeel dat aan de wettelijke voorwaarden voor een ondertoezichtstelling is voldaan. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
De kinderrechter stelt allereerst vast dat [minderjarige] ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. [minderjarige] heeft in zijn jonge leven al veel meegemaakt, zoals de scheiding van zijn ouders, spanningen tussen zijn ouders, het veelvuldig wisselen van verblijfplaats en het zijn van getuige van huiselijk geweld tussen de moeder en zijn stiefvader. Daarnaast maakt de kinderrechter zich zorgen dat [minderjarige] wordt belast met volwassenzaken. Er is sprake van een spanningsvolle dynamiek en wantrouwen tussen grootouders mz en de ouders, alsmede tussen de ouders onderling, wat maakt dat [minderjarige] in een loyaliteitsconflict terecht lijkt te zijn gekomen. [minderjarige] laat ook in toenemende mate probleemgedrag zien in de vorm van paniek- en woedeaanvallen en weet zijn emoties niet goed te uiten en te herkennen. Tevens zijn er zorgen over de persoonlijke problematiek van beide ouders, wat maakt dat zij niet altijd stabiel en voorspelbaar voor [minderjarige] kunnen zijn. Bij de vader zou er sprake zijn van complexe GGZ-problematiek en destructief gedrag. Hij worstelt regelmatig met automutilatie en suïcidaliteit. Bij de moeder is sprake van terugkerende verslavingsproblematiek, waarvoor zij recent opgenomen is geweest bij [hulpverlening 2]. Tot slot wordt [minderjarige] ernstig in zijn identiteitsontwikkeling bedreigd, aangezien hij al een langere tijd geen fysiek contact meer heeft met de vader. Er is sprake van veel onduidelijkheid voor [minderjarige] met betrekking tot de omgang met de vader.
De ernstige ontwikkelingsbedreiging kan niet of onvoldoende worden weggenomen met vrijwillige hulpverlening, gelet op de forse en langdurige problematiek van de ouders. Ondanks de betrokkenheid van de hulpverlening is het immers niet gelukt om de situatie te verbeteren. De betrokkenheid van de GI als regievoerder is noodzakelijk, zodat het belang van [minderjarige] vooropgesteld wordt. Daarnaast kan de GI de noodzakelijke hulpverleningstrajecten inzetten, deze monitoren en zorg dragen voor de continuering daarvan. Ook is het van belang dat de GI onderzoekt wat er nodig is in het contact van [minderjarige] met beide ouders. De kinderrechter kan zich voorstellen dat de omgang in eerste instantie begeleid zal moeten worden, zodat de omgang kan worden gemonitord en – indien mogelijk – kan worden uitgebreid. Bovendien is het noodzakelijk dat de GI zo spoedig mogelijk zicht verkrijgt op het (woon)perspectief van [minderjarige], waarbij de GI de aanvaardbare termijn in het oog dient te houden.
De ondertoezichtstelling is, gelet op het voorgaande, in dit geval nodig. De kinderrechter stelt [minderjarige] daarom onder toezicht voor de (verzochte) duur van een jaar.
De kinderrechter neemt de doelen van het Raadsrapport over, te weten:
- [minderjarige] groeit op in een veilige, stabiele, voorspelbare en duidelijke opvoedsituatie waarin hij een onbelast contact met zijn beide ouders kan hebben;
- Het is duidelijk waar [minderjarige] woont, en er is, indien mogelijk, een terug thuis plaatsing traject nodig richting de moeder;
- Er is zicht op de thuissituatie bij de grootouders mz;
- Er is zicht op de opvoedvaardigheden van beide ouders en de eventuele noodzakelijke hulpverlening die ouders nodig hebben om hun opvoedvaardigheden verder te ontwikkelen;
- Er is zicht op de kwaliteit van de gehechtheidsrelatie van [minderjarige] (moeder, vader) en indien nodig wordt hiervoor passende hulpverlening ingezet;
- Er is zicht op het psychische welbevinden van beide ouders, er is een veiligheidsplan/signaleringsplan aanwezig;
- De ouders stellen zich begeleidbaar op en houden zich aan hulpverleningsafspraken.
Ook is de kinderrechter van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk is. De kinderrechter stelt vast dat [minderjarige] sinds april 2026 bij de grootouders mz verblijft. Een terugplaatsing bij de moeder is nog niet mogelijk, gelet op de zorgen over terugkerende (verslavings)problematiek van de moeder. Ook is een plaatsing bij de vader op dit moment geen mogelijkheid, gelet op zijn complexe GGZ-problematiek. Dit maakt dat de plaatsing van [minderjarige] bij de grootouders mz vooralsnog moet worden gecontinueerd. Hierbij merkt de kinderrechter wel op dat het van belang is dat er zo snel mogelijk pleegzorgscreening en -begeleiding wordt ingezet. Ook dient de GI de komende periode – gelet op de aanvaardbare termijn – het perspectief van [minderjarige] te onderzoeken, zodat duidelijk wordt waar [minderjarige] mag en kan opgroeien.
Gelet op het voorgaande zal de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een netwerkpleeggezin verlenen voor de (verzochte) periode van zes maanden.
De kinderrechter verklaart de beslissingen uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissingen direct gelden, ook als iemand in hoger beroep gaat.
6 De beslissing
De kinderrechter:
stelt [minderjarige] onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming west Zeeland met ingang van 23 juli 2026 en tot 23 juli 2027;
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg, te weten bij grootouders mz, met ingang van 23 juli 2026 en tot 23 januari 2027;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
| Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 23 juli 2026 door mr. De Beer, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Boomaars, griffier, en op schrift gesteld op 6 augustus 2026. |
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
- degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.