Uitspraak · Personen- en familierecht

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 23 juli 2026

ECLI:NL:RBZWB:2026:8087Zaaknummer C/02/449760 / JE RK 26-1133

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
23 juli 2026
Publicatiedatum
22 oktober 2026
Zaaknummer
C/02/449760 / JE RK 26-1133
Rechtsgebied
Civiel recht, Personen- en familierecht
Procedure
Rekestprocedure, Beschikking
Zittingsplaats
Middelburg
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Verzoek ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing toegewezen voor verzochte duur. Geen bijzonderheden.

6 De beslissing

De kinderrechter:

6.1.

stelt [minderjarige] onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming west Zeeland met ingang van 23 juli 2026 en tot 23 juli 2027;

6.2.

verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg, te weten bij grootouders mz, met ingang van 23 juli 2026 en tot 23 januari 2027;

6.3.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 23 juli 2026 door mr. De Beer, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Boomaars, griffier, en op schrift gesteld op 6 augustus 2026.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 Het verloop van de procedure
  2. 2 De feiten
  3. 3 Het verzoek
  4. 4 De standpunten
  5. 5 De beoordeling
  6. 6 De beslissing

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht

Locatie Middelburg

Zaaknummer: C/02/449760 / JE RK 26-1133

Datum uitspraak: 23 juli 2026

Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing

in de zaak van

RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING,

regio Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg,

hierna te noemen: de Raad,

over

[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2024 in [geboorteplaats],

hierna te noemen: [minderjarige].

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[de moeder],

hierna te noemen: de moeder,

wonende in [woonplaats],

advocaat: mr. I.H.T.J. Anthonise-Gieling te Goes,

[de vader],

hierna te noemen: de vader,

wonende in [woonplaats].

De kinderrechter merkt als informant aan:

de gecertificeerde instelling STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND, hierna te noemen: de GI,

gevestigd te Middelburg.

1 Het verloop van de procedure

1.1.

De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:

- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 29 juni 2026.

1.2.

De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 23 juli 2026. Daarbij waren aanwezig:

- de vader;

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;

- een vertegenwoordigster van de Raad;

- een vertegenwoordigster van de GI.

2 De feiten

2.1.

De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige].

2.2.

[minderjarige] verblijft in een (netwerk)pleeggezin, namelijk bij de grootouders moederszijde (mz).

3 Het verzoek

3.1.

De Raad verzoekt [minderjarige] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de Raad een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg, te weten bij grootouders (mz), te verlenen voor de duur van zes maanden. De Raad verzoekt tot slot de beslissingen uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4 De standpunten

4.1.

De Raad handhaaft het verzoek en licht, aanvullend op de overgelegde stukken, toe dat het goed is dat de ouders achter de verzoeken staan. Dit is heel helpend voor [minderjarige].

4.2.

Door en namens de moeder wordt geen verweer gevoerd tegen de verzoeken. De ouders willen graag de situatie voor [minderjarige] verbeteren.

4.3.

De vader voert geen verweer tegen de verzoeken. Het zou fijn zijn als de GI de ouders kan helpen en begeleiden bij het maken van keuzes. Het zit goed tussen de ouders. Het is echter nog niet duidelijk of de ouders bij elkaar blijven. De vader woont op dit moment bij zijn vader (opa vz) en ziet [minderjarige] twee tot drie keer per week. Het is in het belang van [minderjarige] dat zij nu bij opa en oma mz verblijft.

4.4.

De GI is bereid om de ondertoezichtstelling, als deze wordt uitgesproken, uit te voeren. Er zal echter niet meteen een vaste jeugdbeschermer beschikbaar zijn. De GI werkt met een instroomteam, wat betekent dat er enkel zal worden gekeken naar de actuele veiligheid van [minderjarige] en zaken die prioriteit hebben. De GI zal bijvoorbeeld starten met het regelen van pleegzorgbegeleiding. Ook zal hetgeen worden ingezet dat nodig is in de omgang tussen de ouders en [minderjarige]. Het is echter niet mogelijk dat er meteen strakke regie wordt gevoerd.

5 De beoordeling

Wettelijk kader

5.1.

Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:

  • de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
  • de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders die het gezag uitoefenen of de ouder die het gezag uitoefent binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat zijn of is te dragen.
5.2.

Ingevolge artikel 1:265b lid 1 BW kan de kinderrechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op het verzoek van de Raad machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.

Inhoudelijke beoordeling

5.3.

De kinderrechter is op grond van de overgelegde stukken en de zitting van oordeel dat aan de wettelijke voorwaarden voor een ondertoezichtstelling is voldaan. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.

5.4.

De kinderrechter stelt allereerst vast dat [minderjarige] ernstig in haar ontwikkeling wordt bedreigd. [minderjarige] heeft in haar jonge leven al veel meegemaakt, zoals spanningen tussen de ouders, problemen rondom middelengebruik van de ouders, het veelvuldig wisselen van verblijfplaats en het zijn van getuige van huiselijk geweld tussen de ouders. Daarnaast is er sprake van een moeizame en spanningsvolle dynamiek tussen de moeder en de grootouders mz en verloopt de communicatie tussen de ouders moeizaam. Er is ook nog veel onduidelijk over de aard van de relatie van de ouders. Voorts zijn er zorgen over de moeder, gelet op de terugkerende verslavingsproblematiek, wat maakt dat zij niet altijd beschikbaar is voor [minderjarige]. De moeder is recent nog opgenomen geweest bij [accommodatie]. Ook zijn er zorgen over de vader, nu er geen zicht is op mogelijk middelengebruik, hij niet beschikt over een eigen woning en er slechts beperkt zicht is op het verloop van de omgang tussen de vader en [minderjarige]. Tot slot is er geen sprake van structureel en voorspelbaar contact tussen [minderjarige] en beide ouders.

5.5.

De ernstige ontwikkelingsbedreiging kan niet of onvoldoende worden weggenomen met vrijwillige hulpverlening. Er is al veel ingezet, maar het is de ouders niet gelukt om de zorgen te doen wegnemen. De betrokkenheid van de GI is noodzakelijk, zodat de belangen van [minderjarige] vooropgesteld worden. Ook kan de GI de noodzakelijke hulpverleningstrajecten inzetten, deze monitoren en zorg dragen voor de continuering daarvan. Tevens is het belangrijk dat de GI onderzoekt op welke wijze de omgang tussen [minderjarige] en beide ouders structureel en stabiel vormgegeven kan worden. Bovendien dient de GI zo spoedig mogelijk – met inachtneming van de aanvaardbare termijn – zicht verkrijgen op het (woon)perspectief van [minderjarige].

5.6.

De ondertoezichtstelling is, gelet op het voorgaande, in dit geval nodig. De kinderrechter stelt [minderjarige] daarom onder toezicht voor de (verzochte) duur van een jaar.

5.7.

De kinderrechter neemt de doelen van het Raadsrapport over, te weten:

  • [minderjarige] groeit op in een veilige, stabiele, voorspelbare en duidelijke opvoedsituatie waarin zij een onbelast contact met haar beide ouders kan hebben;
  • Er is zicht op het perspectief qua wonen voor [minderjarige] en tussentijds op de thuissituatie bij grootouders mz;
  • Er is zicht op de opvoedvaardigheden van beide ouders en de eventuele noodzakelijke hulpverlening die de ouders nodig hebben om hun opvoedvaardigheden verder te ontwikkelen;
  • Er is zicht op de kwaliteit van de gehechtheidsrelatie van [minderjarige] (moeder, vader) en indien nodig wordt hiervoor passende hulpverlening ingezet;
  • Er is zicht op het psychische welbevinden van de moeder, er is een veiligheidsplan/signaleringsplan aanwezig.
5.8.

Ook is de kinderrechter van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk is. Het is de kinderrechter gebleken dat [minderjarige] sinds april 2026 bij de grootouders mz verblijft. Een terugplaatsing bij de moeder is nog niet mogelijk, gelet op de forse (verslavings)problematiek. Ook is een plaatsing bij de vader niet mogelijk, aangezien de vader bij opa vz verblijft en geen ruimte heeft om [minderjarige] op te vangen. Ook is er nog onvoldoende zicht op de opvoedsituatie van beide ouders. Gelet hierop is het van belang dat de plaatsing van [minderjarige] bij de grootouders mz vooralsnog wordt gecontinueerd. De kinderrechter merkt hierbij op dat het van belang is dat er zo spoedig mogelijk pleegzorgscreening en -begeleiding wordt ingezet. Ook dient het perspectief van [minderjarige] – mede gelet op de aanvaardbare termijn – de komende periode te worden bepaald, zodat duidelijk wordt waar [minderjarige] mag en kan opgroeien.

5.9.

Gelet op het voorgaande zal de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een netwerkpleeggezin verlenen voor de (verzochte) periode van zes maanden.

5.10.

De kinderrechter verklaart de beslissingen uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissingen direct gelden, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6 De beslissing

De kinderrechter:

6.1.

stelt [minderjarige] onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming west Zeeland met ingang van 23 juli 2026 en tot 23 juli 2027;

6.2.

verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg, te weten bij grootouders mz, met ingang van 23 juli 2026 en tot 23 januari 2027;

6.3.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 23 juli 2026 door mr. De Beer, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Boomaars, griffier, en op schrift gesteld op 6 augustus 2026.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.