Uitspraak · Personen- en familierecht
Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 23 juli 2026
ECLI:NL:RBZWB:2026:8086Zaaknummer C/02/450284 / JE RK 26-1258
- Instantie
- Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Datum uitspraak
- 23 juli 2026
- Publicatiedatum
- 22 oktober 2026
- Zaaknummer
- C/02/450284 / JE RK 26-1258
- Rechtsgebied
- Civiel recht, Personen- en familierecht
- Procedure
- Rekestprocedure, Beschikking
- Zittingsplaats
- Breda
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Verlenging ots. Vader werkt niet voldoende mee aan hulpverlening om zicht te krijgen op zijn opvoedingssituatie. Heeft op dit moment geen woning.
6 De beslissing
De kinderrechter:
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3] met ingang van
28 augustus 2026 tot 28 augustus 2027;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
| Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 23 juli 2026 door mr. Tempel, kinderrechter, in aanwezigheid van Dekkers als griffier, en op schrift gesteld op 30 juli 2026. |
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
- degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/450284 / JE RK 26-1258
Datum uitspraak: 23 juli 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling
in de zaak van
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Brabant,
locatie Tilburg, hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige 1], geboren op [geboortedag 1] 2016 in [geboorteplaats 1],
hierna te noemen [minderjarige 1],
[minderjarige 2], geboren op [geboortedag 2] 2017 in [geboorteplaats 2],
hierna te noemen [minderjarige 2],
[minderjarige 3], geboren op [geboortedag 3] 2020 in [geboorteplaats 1],
hierna te noemen [minderjarige 3].
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats],
[de vader],
hierna te noemen de vader,
zonder bekende woon- of verblijfplaats.
1 Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 13 juli 2026.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 23 juli 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder;
- de vader, via een digitale beeldverbinding;
- een vertegenwoordiger van de GI.
Tevens was aanwezig een vertegenwoordiger van de Raad voor de Kinderbescherming, Regio Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, hierna: de Raad, om de kinderrechter over het hierna te noemen samenhangende verzoek te adviseren.
De zaak is gelijktijdig behandeld met de samenhangende zaak met nummer C/02/449546 / JE RK 26-1083. In de samenhangende zaak zal bij aparte beschikking worden beslist.
De kinderrechter heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2], gelet op hun leeftijd, naar hun mening gevraagd. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben geen mening gegeven.
2 De feiten
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3] (hierna gezamenlijk te noemen: de kinderen).
De kinderen wonen bij de moeder.
Bij beschikking van 28 augustus 2025 heeft de kinderrechter de kinderen onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 28 augustus 2025 tot 28 augustus 2026.
3 Het verzoek
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van de kinderen te verlengen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4 De standpunten
In het verzoekschrift is het verzoek en het standpunt van de GI toegelicht. Tijdens de zitting is namens de GI (in aanvulling daarop), samengevat, verklaard dat binnen de hulpverlening vanuit MST-CAN gezien wordt dat de moeder stappen zet. Ten aanzien van de hulpverlening voor de vader is vanuit MST-CAN aangegeven dat deze zo niet kan worden voortgezet. Van de achttien afspraken met de vader zijn er slechts drie doorgegaan. Hierdoor ontstaat er te weinig zicht op de situatie van de vader. Op 31 mei 2026 heeft een incident plaatsgevonden, waarbij volgens de moeder de vader haar bij de keel gegrepen heeft. De GI probeert zicht te krijgen waarom dit gebeurt en grip te krijgen op de situatie. Dit is lastig. De vader trekt zijn eigen plan. Nadat hij de echtelijke woning heeft moeten verlaten (deze is verkocht) heeft de vader op een camping verbleven. Na enkele incidenten heeft hij de camping moeten verlaten en verblijft hij nu in een trailer. De kinderen kunnen daar echter niet overnachten. De vader verwacht dat de GI en/of andere instanties voor hem aan de slag gaan om zijn woonsituatie te organiseren. De vertegenwoordiger van de GI hoopt dat de ondertoezichtstelling uitvoerbaar blijft. De vader staat niet open voor de hulpverlening vanuit MST-CAN. Met deze houding van de vader wordt er niet verder gekomen en gaan zaken verder escaleren. De hulpverlening vanuit de GezinsManager zal in augustus/september 2026 starten. Van belang is dat er rust komt en dat er met de ouders afspraken worden gemaakt. Van daaruit kan de hulpverlening voor de kinderen starten.
De moeder heeft samengevat aangegeven dat zij zich kan vinden in een verlenging van de ondertoezichtstelling. Zij wil er alles aan doen om dingen te verbeteren. Zij kan tot op heden niet zeggen dat zij veel heeft aan de hulpverlening vanuit MST-CAN, maar zij blijft het wel een kans geven. Zij wil ook hulpverlening voor de kinderen omdat zij het moeilijk blijven vinden om over hun emoties te praten. Het valt de moeder op dat wanneer er hulpverlening ingezet wordt, zij dit aanpakt maar de vader niet.
De vader heeft samengevat naar voren gebracht dat het klopt dat er veel afspraken met MST-CAN niet zijn doorgegaan. Hij heeft het druk. Zo reist hij met [minderjarige 1] voor zijn motorsport heel Europa door. Ook is hij druk geweest om een woning te zoeken. De vader stelt dat hij geen moeite heeft met de ondertoezichtstelling, zolang [minderjarige 1] zijn verplichtingen in de motorsport kan nakomen. Zelf vindt de vader het lastig om de verplichtingen in het kader van de ondertoezichtstelling na te komen. Heel eerlijk gezegd heeft hij er naar eigen zeggen ‘schijt aan’. Hij hoopt dat een verlenging van de ondertoezichtstelling zin heeft. Als hij niet geholpen wordt met het vinden van een woning waarom zou hij dan met de GI meewerken, aldus de vader.
5 De beoordeling
In artikel 1:255 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) staat, kort gezegd, dat de kinderrechter een minderjarige onder toezicht kan stellen als hij/zij ernstig in zijn/haar ontwikkeling wordt bedreigd en die ontwikkelingsbedreiging niet (voldoende) kan worden weggenomen met vrijwillige hulpverlening.
Op grond van artikel 1:260 lid 1 BW kan de kinderrechter de duur van de ondertoezichtstelling steeds verlengen met maximaal een jaar, als nog aan artikel 1:255 lid 1 BW wordt voldaan.
De kinderrechter is van oordeel dat nog aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
De ontwikkeling van [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3] wordt nog steeds ernstig bedreigd. In de afgelopen periode is hulpverlening vanuit MST-CAN ingezet om de veiligheid voor de kinderen te vergroten en zicht te houden op de opvoedingssituatie bij beide ouders. De moeder zet zich hiervoor in en komt de afspraken na, waardoor zij positieve stappen heeft kunnen zetten. Gebleken is dat het de vader niet lukt om tot een constructieve samenwerking te komen. Het overgrote deel van de afspraken is niet doorgegaan. Dit heeft de vader ook erkend. Er is een reële mogelijkheid dat de hulpverlening vanuit MST-CAN vroegtijdig en met een negatief resultaat zal worden afgesloten. Daarbij komt dat de vader op dit moment niet beschikt over een eigen woning en in een trailer verblijft. De kinderen kunnen nu niet bij de vader overnachten. De vader stelt zich passief op in het vinden van een woning, hij verwacht dat dit voor hem geregeld wordt en hij legt zijn prioriteiten elders. De communicatie en samenwerking tussen de ouders blijft moeizaam en conflictueus verlopen. Er wordt afgeweken van de afspraken over de zorg- en contactregeling zoals in het ouderschapsplan zijn opgenomen wat voor onduidelijkheid en discussies zorgt, waarbij de ouders herhaaldelijk in conflict komen. De incidenten tussen de ouders blijven elkaar opvolgen, zo ook op 31 mei 2026, waarbij de vader de moeder bij de keel zou hebben gegrepen. De kinderen blijven getuige van conflicten en incidenten tussen de ouders en worden hiermee belast, waardoor zij nog geregeld spanning, onrust en onveiligheid ervaren. De betrokken kindbehartiger heeft geconcludeerd dat door die situatie op dit moment geen ruimte is voor hulpverlening/behandeling van de kinderen.
De ernstige ontwikkelingsbedreiging kan niet of onvoldoende worden weggenomen met vrijwillige hulpverlening. Zelfs binnen het gedwongen kader komt de hulpverlening niet goed op gang en is er veel inspanning voor nodig om de vader te motiveren, met minimale resultaten. De gestelde doelen zijn nog niet behaald. Beide ouders hebben ook aangegeven dat er dingen niet goed gaan. De kinderrechter constateert dat een stabiele basis voor de kinderen ontbreekt. Daar maakt zij zich zorgen over. Het is in het belang van de kinderen dat de strijd tussen de ouders stopt. De kinderen krijgen hier veel van mee en dat heeft een negatieve invloed op hun ontwikkeling. De kinderen hebben er belang bij dat de ouders een basis creëren waarbij zij goed met elkaar en met de kinderen omgaan. Hiervoor is in ieder geval noodzakelijk dat de ouders onder begeleiding duidelijke afspraken met elkaar maken. Hierin bestaat geen ruimte voor flexibiliteit omdat dit zorgt voor discussie. Het vereist maatwerk om te komen tot afspraken die voor beide ouders werkbaar en duidelijk zijn, zodat er de nodige rust kan ontstaan, ook voor de kinderen. Zolang die basis er niet is blijft de ontwikkeling van de kinderen stagneren en komen zij niet toe aan de noodzakelijke hulpverlening, wat een toename van de ontwikkelingsbedreiging veroorzaakt. Die hulpverlening komt nu onvoldoende van de grond. Een (verlenging van de) ondertoezichtstelling is nodig om de situatie zo goed mogelijk te kunnen keren en het hoogst haalbare te bereiken. De hulpverlening vanuit de GezinsManager zal op korte termijn starten. De kinderrechter gaat ervan uit dat de ouders zich in het belang van de kinderen maar ook in het belang van (de rust voor) zichzelf zullen, inzetten om binnen de hulpverlening van de GezinsManager te komen tot goede afspraken over de kinderen en daarmee tot een goede basis, van waaruit hulpverlening voor de kinderen kan volgen. Daarbij is ook van belang dat vader zelf de verantwoordelijkheid en het initiatief neemt om een woning te vinden, zodat de kinderen weer bij hem kunnen overnachten. Wanneer de vader daarin een hulpvraag laat zien, kan de GI de vader daarin mogelijk adviseren.
Gelet op het voorgaande is de ondertoezichtstelling nog steeds nodig. De kinderrechter zal de ondertoezichtstelling van de kinderen daarom verlengen voor de duur van een jaar. De ouders hebben hiertegen geen verweer gevoerd.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
6 De beslissing
De kinderrechter:
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3] met ingang van
28 augustus 2026 tot 28 augustus 2027;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
| Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 23 juli 2026 door mr. Tempel, kinderrechter, in aanwezigheid van Dekkers als griffier, en op schrift gesteld op 30 juli 2026. |
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
- degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.