Uitspraak · Personen- en familierecht

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 23 juli 2026

ECLI:NL:RBZWB:2026:8082Zaaknummer C/02/450233 / JE RK 26-1246

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
23 juli 2026
Publicatiedatum
22 oktober 2026
Zaaknummer
C/02/450233 / JE RK 26-1246
Rechtsgebied
Civiel recht, Personen- en familierecht
Procedure
Rekestprocedure, Beschikking
Zittingsplaats
Middelburg
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

PGJ 6 maanden

6 De beslissing

De kinderrechter:

6.1.

verleent een machtiging om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp met ingang van 27 juli 2026 en tot 27 januari 2027.

Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 27 juli 2026 door mr. De Beer, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Verplanke, griffier, en op schrift gesteld op 29 juli 2026.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 Het verloop van de procedure
  2. 2 De feiten
  3. 3 Het verzoek
  4. 4 De standpunten
  5. 5 De beoordeling
  6. 6 De beslissing

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht

Locatie Middelburg

Zaaknummer: C/02/450233 / JE RK 26-1246

Datum uitspraak: 27 juli 2026

Beschikking van de kinderrechter over een machtiging gesloten jeugdhulp

in de zaak van

de gecertificeerde instelling STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND, gevestigd te Middelburg,

hierna te noemen de GI (in de hoedanigheid van voogdes),

over

[minderjarige],

geboren op [geboortedag] 2011 in [geboorteplaats],

hierna te noemen [minderjarige],

advocaat mr. C.E.J.E. Kouijzer uit Middelburg.

De kinderrechter merkt als informant aan:

[de moeder],

hierna te noemen de moeder,

wonende in [plaats].

Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

- de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, locatie Middelburg,

hierna te noemen: de Raad, om de kinderrechter over het verzoek te adviseren.

1 Het verloop van de procedure

1.1.

De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:

  • het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 13 juli 2026;
  • het bericht van de GI van 22 juli 2026 met als bijlage de instemmingsverklaring van een onafhankelijke gedragswetenschapper van 22 juli 2026.
1.2.

De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 27 juli 2026. Daarbij waren aanwezig:

- [minderjarige] met zijn advocaat;

- een vertegenwoordigster van de GI.

1.3.

De kinderrechter stelt vast dat ondanks behoorlijke oproeping de moeder en de Raad niet zijn verschenen.

2 De feiten

2.1.

Bij beschikking van de rechtbank Rotterdam van 24 maart 2017 is het ouderlijk

gezag van de moeder beëindigd en is Stichting Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond

benoemd tot voogdes over [minderjarige].

2.2.

Bij beschikking van de rechtbank Rotterdam van 12 augustus 2024 is Stichting

Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond ontslagen van de voogdij over [minderjarige] en is de GI

benoemd tot zijn voogdes.

2.3.

Bij beschikking van 8 augustus 2025 is een spoedmachtiging verleend om

[minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp met ingang van

8 augustus 2025 en tot 22 augustus 2025.

2.4.

Bij beschikking van 18 augustus 2025 is een machtiging verleend om [minderjarige] uit

huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp met ingang van 18 augustus

2025 en tot 18 februari 2026.

2.5.

Bij beschikking van 12 februari 2026 is een voorwaardelijke machtiging om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp verleend met ingang van 14 februari 2026 en tot 14 augustus 2026.

2.6.

Op 8 juni 2026 is de voorwaardelijke machtiging omgezet naar een reguliere gesloten machtiging.

2.7.

[minderjarige] verblijft op [accommodatie 1].

3 Het verzoek

3.1.

De GI (in de hoedanigheid van voogdes) verzoekt een machtiging te verlenen om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp voor de duur van zes maanden.

4 De standpunten

4.1.

[minderjarige] heeft aangegeven dat hij in kan stemmen met het verzoek van de GI. Hij vindt het verblijven op [accommodatie 1] niet leuk, maar begrijpt dat er nu nog geen andere mogelijkheden zijn. De komende periode is voor hem spannend, aangezien zijn strafzaak pas op 15 oktober 2026 behandeld gaat worden.

4.2.

De GI is van mening dat een verlenging van de gesloten plaatsing noodzakelijk is. Niet alleen om de veiligheid van [minderjarige] en zijn omgeving te waarborgen, maar ook om hem de behandeling te kunnen bieden die hij nodig heeft. Een gesloten setting biedt de structuur, voorspelbaarheid en continue nabijheid die nodig zijn om hem te helpen bij het reguleren van zijn gedrag en emoties. De GI ziet grote risico`s in het niet verlengen van de

gesloten machtiging, daar de recente escalaties laten zien dat het risico op verdere achteruitgang en mogelijk ernstiger strafbaar gedrag groot is. Zonder ingrijpen bestaat het reële gevaar dat [minderjarige] verder afglijdt richting een patroon waarin hij steeds meer verhardt en uiteindelijk zichzelf en anderen ernstige schade toebrengt. Door nu duidelijk te begrenzen en in te zetten op een gesloten behandeling, kan worden voorkomen dat deze

ontwikkeling zich verder doorzet.

4.3.

De advocaat van [minderjarige] heeft aangegeven dat het verzoek van de GI aan de wettelijke vereisten voldoet. Natuurlijk had [minderjarige] nu liever bij [accommodatie 2] gezeten, maar hij beseft dat dit op dit moment geen goede plek voor hem is.

5 De beoordeling

5.1.

De kinderrechter is van oordeel dat jeugdhulp noodzakelijk is in verband met ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen die de ontwikkeling van [minderjarige] naar volwassenheid ernstig belemmeren. Deze problemen maken dat het verblijf in een gesloten accommodatie noodzakelijk en geschikt is om te voorkomen dat [minderjarige] zich onttrekt aan de jeugdhulp die hij nodig heeft of daaraan door anderen wordt onttrokken. Het is niet gebleken dat er minder ingrijpende mogelijkheden zijn om deze problemen te behandelen.[_1a7fb059-ae7d-4f4f-9097-294abbf71b27]

5.2.

De kinderrechter legt dit als volgt uit. Uit de verklaring van de onafhankelijke gedragswetenschapper komt naar voren dat [minderjarige] een zeer belaste voorgeschiedenis kent. Hij laat veel kenmerken zien van een onveilige hechting. Er zijn zorgen over de seksuele ontwikkeling van [minderjarige] en toenemend antisociaal gedrag. In diagnostische zin is er onder andere sprake van PTSS en een Normoverschrijdende gedragsstoornis. Nadat gebleken is dat [minderjarige] binnen een open setting onvoldoende in staat was om veilige keuzes te maken, is hij na een verblijf van 4 maanden bij [accommodatie 2] op 8 juni opnieuw geplaatst bij [accommodatie 1]. Er was bij [accommodatie 2] sprake van middelengebruik, ongeoorloofde afwezigheid, betrokkenheid bij strafbare feiten, beïnvloeding van andere jongeren en ernstige veiligheidsrisico’s voor hemzelf en anderen. Ook bleek dat hij op belangrijke momenten onvoldoende in staat was om zijn impulsiviteit te begrenzen, verantwoordelijkheid te nemen voor zijn keuzes en hulpverlening toe te laten. Hoewel

[minderjarige] enkele strafbare feiten waarvan hij verdacht wordt, anders ziet of heeft beleefd, erkent hij wel dat het terecht is dat hij weer in de gesloten groep bij [accommodatie 1] verblijft. Binnen de duidelijke structuur en begrenzing van [accommodatie 1] lukt het [minderjarige] doorgaans beter om zich

aan afspraken te houden. Dit betekent echter niet dat de onderliggende risico’s voldoende zijn afgenomen. Recent heeft het NIFP onderzoek verricht. Mondeling is al teruggekoppeld dat een PIJ-maatregel en behandeling binnen een forensische jeugdsetting wordt geadviseerd. De schriftelijke rapportage en de uitkomst van de strafzitting worden nog afgewacht. Deze uitkomsten zijn richtinggevend voor [minderjarige] ’s definitieve woon- en behandelperspectief. Voor de GI is het doel van een gesloten plaatsing op korte termijn het herstellen van veiligheid en stabiliteit. Dit betekent het stoppen van middelengebruik en strafbaar gedrag, het terugbrengen van rust en het vergroten van zijn beschikbaarheid voor behandeling. De gedragswetenschapper geeft aan dat het noodzakelijk is dat [minderjarige] onder toezicht is en (forensische) behandeling kan plaatsvinden. Zolang er nog geen uitspraak is in zijn strafzaak (er wordt een PIJ-maatregel geadviseerd), wordt gesloten jeugdhulp geïndiceerd geacht ter bescherming van hemzelf en anderen.

5.3.

De kinderrechter heeft ter zitting gezien dat de komende periode voor [minderjarige] veel onzekerheid met zich meebrengt. Het is van belang voor [minderjarige] en zijn omgeving dat hij in een veilige setting verblijft met duidelijke kaders. Ook is het van belang dat hij jeugdhulp ontvangt, zonder dat hij zich hieraan kan onttrekken.

5.4.

Omdat de voogdij over [minderjarige] bij de GI berust, is een ondertoezichtstelling van [minderjarige] niet vereist.[_0763a82a-d0d5-4084-80dc-77928b436ceb]

5.5.

De kinderrechter machtigt de GI (in de hoedanigheid van voogdes) om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp voor de duur van zes maanden.

6 De beslissing

De kinderrechter:

6.1.

verleent een machtiging om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp met ingang van 27 juli 2026 en tot 27 januari 2027.

Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 27 juli 2026 door mr. De Beer, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Verplanke, griffier, en op schrift gesteld op 29 juli 2026.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

  1. Artikel 6.1.2, tweede lid, Jeugdwet (Jw).
  2. Artikel 6.1.2, derde lid, onder b, Jw.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.