Uitspraak · Personen- en familierecht

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 23 juli 2026

ECLI:NL:RBZWB:2026:8079Zaaknummer C/02/450112 / JE RK 26-1212

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
23 juli 2026
Publicatiedatum
22 oktober 2026
Zaaknummer
C/02/450112 / JE RK 26-1212
Rechtsgebied
Civiel recht, Personen- en familierecht
Procedure
Rekestprocedure, Beschikking
Zittingsplaats
Middelburg
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

OTS en MUHP oudste twee kinderen jongste twee aangehouden

6 De beslissing

De kinderrechter:

6.1.

stelt [minderjarige 1] onder toezicht van Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering met ingang van 23 juli 2026 en tot [geboortedag 1] 2026;

6.2.

verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 23 juli 2026 en tot [geboortedag 1] 2026;

6.3.

stelt [minderjarige 2] onder toezicht van Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering met ingang van 23 juli 2026 en tot 23 januari 2027;

6.4.

verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 23 juli 2026 en tot 23 januari 2027;

6.5.

houdt het resterende deel van de verzoeken ten aanzien van [minderjarige 2] aan en houdt de verzoeken ten aanzien van [minderjarige 3] en [minderjarige 4] aan tot 4 december 2026 pro forma met het verzoek aan de GI om dan te rapporteren over het verloop van de ondertoezichtstelling en met het verzoek aan de Raad om dan te laten weten of de aangehouden verzoeken worden gehandhaafd;

6.6.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 23 juli 2026 door mr. De Beer, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. De Bont, griffier, en op schrift gesteld op 29 juli 2026.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 Het verloop van de procedure
  2. 2 De feiten
  3. 3 Het verzoek
  4. 4 De standpunten
  5. 5 De beoordeling
  6. 6 De beslissing

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht

Locatie Middelburg

Zaaknummer: C/02/450112 / JE RK 26-1212

Datum uitspraak: 23 juli 2026

Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing

in de zaak van

DE RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING, Regio Zuid-West-Nederland,

locatie Middelburg,

hierna te noemen: de Raad,

over

[minderjarige 1],

geboren op [geboortedag 1] 2008 in [geboorteplaats 1],

hierna te noemen: [minderjarige 1],

[minderjarige 2],

geboren op [geboortedag 2] 2013 in [geboorteplaats 2],

hierna te noemen: [minderjarige 2],

[minderjarige 3],

geboren op [geboortedag 3] 2014 in [geboorteplaats 3],

hierna te noemen: [minderjarige 3],

[minderjarige 4],

geboren op [geboortedag 4] 2016 in [geboorteplaats 1],

hierna te noemen: [minderjarige 4].

De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:

[de moeder],

hierna te noemen: de moeder,

wonende in [woonplaats],

advocaat mr. M.C. Buntsma uit Middelburg.

De kinderrechter merkt als informant aan:

de gecertificeerde instelling Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering,

gevestigd te Eindhoven,

hierna te noemen: de GI.

1 Het verloop van de procedure

1.1.

De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:

- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 8 juli 2026.

1.2.

De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 23 juli 2026. Daarbij waren aanwezig:

- de moeder met haar advocaat;

- een vertegenwoordiger van de Raad;

- een tweetal vertegenwoordigsters van de GI.

1.3.

Met bijzondere toestemming van de kinderrechter was mevrouw [persoon] van [hulpverlening] als toehoorder aanwezig.

1.4.

De minderjarigen zijn in de gelegenheid gesteld hun mening kenbaar te maken. [minderjarige 3] en [minderjarige 4] hebben een gesprek met de kinderrechter gehad.

2 De feiten

2.1.

De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1], [minderjarige 2], [minderjarige 3] en [minderjarige 4].

2.2.

[minderjarige 2], [minderjarige 3] en [minderjarige 4] wonen bij hun moeder. [minderjarige 1] verblijft bij [accommodatie 1].

3 Het verzoek

3.1.

De Raad verzoekt [minderjarige 1] onder toezicht te stellen en een machtiging tot uithuisplaatsing in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlenen tot aan haar meerderjarigheid, te weten [geboortedag 1] 2026. De Raad verzoekt [minderjarige 2], [minderjarige 3] en [minderjarige 4] onder toezicht te stellen voor de duur van negen maanden. Ook verzoekt de Raad een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlenen voor de duur van de ondertoezichtstelling.

De Raad verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4 De standpunten

4.1.

De Raad stelt dat er sprake is van een ernstig bedreigde ontwikkeling van [minderjarige 1], [minderjarige 2], [minderjarige 3] en [minderjarige 4], omdat er zorgen zijn over hun verzorging/ opvoeding, de rust/structuur die ze krijgen en onvoldoende toekomen aan de eigen ontwikkelingstaken. Door de zorgen om het persoonlijke functioneren van de moeder en om de persoonlijke problematiek van met name [minderjarige 2] lukt het de moeder niet meer om de belangen van [minderjarige 1], [minderjarige 2], [minderjarige 3] en [minderjarige 4] voorop te stellen. Zij ervaren

spanningen in de thuissituatie en weten niet hoe de nabije toekomst er voor hen uit gaat zien. Daarnaast zijn er zorgsignalen over moeders stabiliteit en draagkracht/ draaglast.

De moeder van [minderjarige 1], [minderjarige 2], [minderjarige 3] en [minderjarige 4] is op dit moment onvoldoende bereid en/of in staat onder eigen verantwoordelijkheid de bedreiging weg te nemen en hulpverlening te accepteren en vooral ervan profiteren, door de complexiteit van de problematiek van [minderjarige 2] in combinatie met de eigen problematiek van de moeder. De draagkracht/ draaglast van de moeder is niet in balans, waardoor er onvoldoende afname van

zorgen is.

De verwachting is dat de moeder de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van [minderjarige 1], [minderjarige 2], [minderjarige 3] en [minderjarige 4] binnen een voor [minderjarige 1], [minderjarige 2], [minderjarige 3] en [minderjarige 4] aanvaardbare termijn weer zelf kunnen dragen.

4.2.

De moeder zou het liefst willen dat alle verzoeken worden afgewezen. Anders alleen een ondertoezichtstelling voor [minderjarige 2] en [minderjarige 1]. Namens en door de moeder is verder aangegeven dat zij een kans wil krijgen om te laten zien dat, zodra [minderjarige 2] een plek heeft, een ondertoezichtstelling voor [minderjarige 3] en [minderjarige 4] niet nodig is. Binnenkort is er een intake bij de [accommodatie 2]. Er is behoorlijk wat hulpverlening bij het gezin betrokken en de moeder erkent de problematiek.

4.3.

De GI vraagt zich eerst af wat een ondertoezichtstelling gaat bijdragen. Als het de gemeente niet lukt om een passende plek voor [minderjarige 2] te vinden dan lukt het de GI ook niet. Daar komt bij dat de moeder meewerkt aan de hulpverlening. De GI verzoekt vervolgens de verzoeken drie maanden aan te houden om te bekijken wat het effect op de andere kinderen is als [minderjarige 2] een plek op de [accommodatie 2] heeft. Toewijzing voor [minderjarige 2] en [minderjarige 1] is een mogelijkheid.

5 De beoordeling

Wettelijk kader

5.1.

Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna te noemen: BW) kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:

a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;

b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen.

Ingevolge artikel 1:265b lid 1 BW kan de kinderrechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid. Op basis van lid 2 kan deze machtiging ook verzocht worden door de Raad.

Inhoudelijke beoordeling

5.2.

De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling en een machtiging tot uithuisplaatsing voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is voldaan. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.

5.3.

De ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] wordt ernstig bedreigd. [minderjarige 1] verblijft niet meer binnen het gezin. Voor haar is het van belang dat er, gelet op het feit dat zij aan het einde van het jaar meerderjarig wordt, gekeken wordt wat er nodig is om haar ook na haar achttiende verjaardag veilig en vertrouwd verder te laten opgroeien.

5.4.

Voor [minderjarige 2] is de moeder samen met de hulpverlening al jaren bezig om een passende plek te vinden. Het is dringend noodzakelijk dat er diagnostiek plaatsvindt, zodat [minderjarige 2] passende behandeling krijgt. Op dit moment is het zo dat zijn problematiek binnen het gezin zorgt voor onveiligheid. Daarnaast vraagt hij dusdanig veel aandacht dat de draagkracht van de moeder uit balans is geraakt en de jongste twee kinderen een beetje op de achtergrond zijn geraakt.

5.5.

De kinderrechter vindt het van belang dat er iemand met de moeder gaat meekijken. Zeker nu nog niet duidelijk is of de plaatsing van [minderjarige 2] op de [accommodatie 2] door kan gaan. De kinderrechter heeft begrip voor de positie van de moeder en het feit dat zij het moeilijk vindt om extra hulpverlening toe te laten. De kinderrechter heeft er de GI op gewezen dat er rekening moet worden gehouden met de persoonlijke problematiek van de moeder en dat er voor gewaakt moet worden om over haar grenzen heen te gaan. De hulpverlening is bedoeld als ondersteuning van de moeder in een zeer belastende situatie die volledig buiten de schuld van de moeder en ook buiten de schuld van [minderjarige 2] ligt.

5.6.

Dat betekent niet dat er – in overleg met de moeder – in gegrepen moet worden door de GI indien de plaatsing bij de [accommodatie 2] niet door gaat. Er zal dan met spoed naar een oplossing voor [minderjarige 2] gekeken moeten worden.

5.7.

Om de moeder tegemoet te komen en ervoor te waken dat zij angstiger wordt, indien [minderjarige 3] en [minderjarige 4] ook onder toezicht worden gesteld, zal de kinderrechter de verzoeken ten aanzien van [minderjarige 3] en [minderjarige 4] aanhouden. Er is in het vrijwillig kader hulpverlening voor hen betrokken en het is voor iedereen van belang dat er eerst een passende plaatsing voor [minderjarige 2] gevonden wordt.

5.8.

De ondertoezichtstelling is daarom in dit geval voor de oudste twee kinderen ter ontlasting van de moeder nodig. De kinderrechter stelt [minderjarige 1] onder toezicht tot aan [geboortedag 1] 2026. De kinderrechter stelt [minderjarige 2] onder toezicht voor de duur van zes maanden. Het resterende deel van het verzoek voor [minderjarige 2] wordt aangehouden.

5.9.

Ook is de kinderrechter van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2], noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding. De kinderrechter verleent een machtiging voor [minderjarige 1] tot aan [geboortedag 1] 2026 en voor [minderjarige 2] voor de duur van zes maanden. Het resterende deel van het verzoek voor [minderjarige 2] wordt aangehouden.

5.10.

Op de nader te noemen pro forma datum verwacht de kinderrechter van de GI een korte briefrapportage over het verloop van de ondertoezichtstelling en van de Raad een bericht of de aangehouden verzoeken worden gehandhaafd.

Uitvoerbaar bij voorraad

5.11.

De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat. De kinderrechter doet dit, omdat het voor de ontwikkeling van de minderjarigen noodzakelijk is dat de beslissing ondanks een eventueel hoger beroep meteen uitgevoerd kan worden.

6 De beslissing

De kinderrechter:

6.1.

stelt [minderjarige 1] onder toezicht van Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering met ingang van 23 juli 2026 en tot [geboortedag 1] 2026;

6.2.

verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 23 juli 2026 en tot [geboortedag 1] 2026;

6.3.

stelt [minderjarige 2] onder toezicht van Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering met ingang van 23 juli 2026 en tot 23 januari 2027;

6.4.

verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 23 juli 2026 en tot 23 januari 2027;

6.5.

houdt het resterende deel van de verzoeken ten aanzien van [minderjarige 2] aan en houdt de verzoeken ten aanzien van [minderjarige 3] en [minderjarige 4] aan tot 4 december 2026 pro forma met het verzoek aan de GI om dan te rapporteren over het verloop van de ondertoezichtstelling en met het verzoek aan de Raad om dan te laten weten of de aangehouden verzoeken worden gehandhaafd;

6.6.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 23 juli 2026 door mr. De Beer, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. De Bont, griffier, en op schrift gesteld op 29 juli 2026.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.