Uitspraak · Personen- en familierecht

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 23 juli 2026

ECLI:NL:RBZWB:2026:8078Zaaknummer C/02/449712 / JE RK 26-1122

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
23 juli 2026
Publicatiedatum
21 oktober 2026
Zaaknummer
C/02/449712 / JE RK 26-1122
Rechtsgebied
Civiel recht, Personen- en familierecht
Procedure
Rekestprocedure, Beschikking
Zittingsplaats
Breda
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Verlenging ondertoezichtstelling

6 De beslissing

De kinderrechter:

6.1.

verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] met ingang van 5 augustus 2026 tot 5 augustus 2027;

6.2.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 23 juli 2026 door mr. Van Triest, kinderrechter, in aanwezigheid van de griffier, en op schrift gesteld op 29 juli 2026.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 Het verloop van de procedure
  2. 2 De feiten
  3. 3 Het verzoek en de onderbouwing daarvan
  4. 4 De standpunten
  5. 5 De beoordeling
  6. 6 De beslissing

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht

Locatie Breda

Zaaknummer: C/02/449712 / JE RK 26-1122

Datum uitspraak: 23 juli 2026

Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling

in de zaak van

de gecertificeerde instelling

STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT,

locatie Tilburg,

hierna te noemen de GI,

over

[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2015 in [geboorteplaats],

hierna te noemen [minderjarige].

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[de moeder],

hierna te noemen de moeder,

wonende in [woonplaats 1],

advocaat mr. S.L. Prass uit Amsterdam,

[de vader],

hierna te noemen de vader,

wonende in [woonplaats 2].

1 Het verloop van de procedure

1.1.

De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:

- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 24 juni 2026;

- het bericht van de advocaat van moeder met bijlagen van 21 juli 2026.

1.2.

De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 23 juli 2026. Daarbij waren aanwezig:

  • de moeder met haar advocaat;
  • een vertegenwoordigster van de GI.

De vader is wel verschenen, maar heeft tijdens de zitting op de gang gewacht met [minderjarige].

2 De feiten

2.1.

De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige].

2.2.

[minderjarige] woont bij haar moeder.

2.3.

De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 26 november 2025 de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd met ingang van 5 december 2025 tot 5 augustus 2026.

3 Het verzoek en de onderbouwing daarvan

3.1.

De GI verzoekt om de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

3.2.

De GI heeft ter onderbouwing van haar verzoek, samengevat, onder meer het volgende aangegeven.

3.3.

Bij [minderjarige] is sprake van autisme, echolalie en echopraxie. Ook is bij haar sprake van een IQ van 59. Sinds augustus 2025 gaat [minderjarige] naar [school] (speciaal onderwijs) en ontwikkelt zich daar volgens de school goed. De school geeft echter aan bij de GI dat de moeder verwijtend is naar [school] en veel beschuldigingen uit over de school. De moeder dient veel verschillende klachten in, ook bij de onderwijsinspectie. Deze klachten gaan voornamelijk over mishandeling en racisme. De moeder en de vader willen allebei geen contactpersoon voor de school zijn. Vanwege bovenstaande en het geringe vertrouwen van de moeder in [school] vraagt de school zich af of het nog wel haalbaar is om [minderjarige] op deze school te laten blijven. De school benadrukt daarbij dat [school] wel passend is voor [minderjarige]. De ontwikkeling van [minderjarige] komt hierdoor nog ernstiger in het geding. De GI verwacht dat de ontwikkelingsdreiging fors zal toenemen wanneer de ondertoezichtstelling weg zou vallen. Dit omdat de moeder [minderjarige] dan waarschijnlijk van school zal halen waardoor [minderjarige] weer thuis zou komen te zitten.

3.4.

De GI heeft eind september 2025 een melding vanuit Bemoeizorg ontvangen dat zij in mei 2025 betrokken zijn geweest bij de moeder vanwege een melding over het gedrag van de moeder. Bemoeizorg heeft meerdere keren geprobeerd in contact te komen met de moeder, maar dit is niet gelukt. Eind maart 2026 heeft Bemoeizorg weer contact opgenomen met de GI vanwege de vele meldingen die de moeder heeft gedaan bij de politie over De Bodde.

3.5.

De GI heeft de moeder en [minderjarige] aangemeld bij [zorginstelling] voor opvoedondersteuning en weekendopvang. De moeder heeft de GI een mail gestuurd waarin zij aangeeft dat zij zich erg belast voelt door de hulpverlening van [zorginstelling], zij zich beperkt voelt in haar vrijheid en zij de hulpverlening niet nuttig vindt. Naar aanleiding van deze mail vraagt de GI zich af of de moeder gemotiveerd is en zal meewerken aan de hulpverlening vanuit [zorginstelling]. Wanneer de moeder en de vader hier niet zo snel mogelijk aan gaan meewerken, is de GI van mening dat andere stappen noodzakelijk zijn om de veiligheid en ontwikkeling van [minderjarige] te waarborgen.

3.6.

De vader is aanwezig bij alle gesprekken met de GI en school, echter heeft de vader bij de GI aangegeven dat hij voor nu geen verandering wil in de frequentie van zijn contact met [minderjarige]. Hij ziet haar een keer per week. De vader heeft hierdoor een beperkte rol in de opvoeding van [minderjarige].

3.7.

Bovenstaande maakt dat de GI regievoering vanuit een gedwongen kader nog hard nodig vindt. De GI vindt dat er een verlenging van de ondertoezichtstelling moet komen voor de duur van twaalf maanden om ervoor te zorgen dat de ouders zullen meewerken aan het traject bij [zorginstelling] en om de schoolgang van [minderjarige] te waarborgen. Ook zal de GI in contact blijven met de politie en Bemoeizorg. Het is belangrijk om het belang van [minderjarige] steeds voorop te blijven stellen.

4 De standpunten

4.1.

De moeder stelt dat een ondertoezichtstelling niet meer nodig is, omdat [minderjarige] niet meer ernstig in haar ontwikkeling wordt bedreigd. Het belangrijkste doel van de ondertoezichtstelling, de schoolgang van [minderjarige], is namelijk behaald. De moeder is van plan om [minderjarige] op de huidige school te laten, ondanks de klachten die zij tegen deze school heeft ingediend. Dat zij af en toe kritisch is op de betrokken instanties is volgens de moeder geen reden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling. De moeder herkent zich ook niet in de meldingen en incidenten die geleid hebben tot betrokkenheid van Bemoeizorg. Daarnaast is er geen goede samenwerking tussen de moeder en de GI. De GI is ook alleen maar gericht op de moeder en niet op [minderjarige]. Verder vraagt de moeder zich af of de door de GI in te zetten hulpverlening vanuit [zorginstelling] wel passend is voor haar. [zorginstelling] is namelijk een instantie die bedoeld is voor mensen met een lichamelijk handicap of een geestelijke beperking. Hiervan is bij de moeder echter geen sprake. De moeder wil in het vrijwillige kader met de hulpverlening vanuit [hulpverlening] aan de slag gaan. Deze hulpverleningsinstantie is niet gecontracteerd, maar als de ondertoezichtstelling wegvalt, is dat geen probleem. Zij kunnen de moeder en [minderjarige] alles bieden wat zij nodig hebben. [hulpverlening] kan in een vrijwillig kader bij de moeder betrokken zijn, ook in haar relatie met school. Wat de moeder betreft is dit een goede optie. De ondertoezichtstelling is alleen maar nadelig voor de ontwikkeling van [minderjarige].

5 De beoordeling

5.1.

Op grond van artikel 1:260 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:255, eerste lid BW is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste twaalf maanden.

5.2.

Op grond van artikel 1:255, eerste lid BW kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt gedreigd, en:

  • de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
  • de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid BW, in staat zijn te dragen.
5.3.

Naar aanleiding van de overgelegde stukken en wat er tijdens de mondelinge behandeling is besproken, overweegt de kinderrechter als volgt. De kinderrechter is van oordeel dat er nog onverminderd sprake is van een ernstige ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige]. [minderjarige] heeft heftige kindeigen problematiek en dat maakt dat ze speciale zorg en speciaal onderwijs nodig heeft. Vanwege haar autisme moet ze ook goed weten waar ze aan toe is. Het is zorgelijk dat [minderjarige] lange tijd niet naar school is gegaan. Momenteel zit [minderjarige] echter gelukkig op [school]. Deze school biedt haar passend onderwijs en zij ontwikkelt zich daar goed. [school] mag niet wegvallen door een gebrek aan samenwerking tussen de moeder en [school]. [minderjarige] kan zich alleen goed ontwikkelen als zij naar een passende school blijft gaan.

5.4.

Ondanks de ondertoezichtstelling is het patroon dat de moeder laat zien niet doorbroken. De moeder kan plots wisselen van standpunt en dan de stekker uit de hulpverlening trekken. [zorginstelling] is nu in beeld voor opvoedondersteuning en weekendopvang, maar de moeder geeft nu al aan dat ze dit eigenlijk niet meer wil en liever naar [hulpverlening] gaat. Met het patroon dat de moeder al lange tijd laat zien is de kans aanwezig dat de moeder ook bij [hulpverlening] haar medewerking zomaar zal stoppen. Dat maakt dat hulpverlening naar het oordeel van de kinderrechter moet blijven plaatsvinden in een gedwongen kader. [minderjarige] heeft gezien haar problematiek behoefte aan continuïteit qua school en qua hulpverlening

5.5.

Het is verder zeer zorgelijk dat zelfs Bemoeizorg niet in contact kan komen met de moeder. De moeder moet echt met de hulpverlenende instanties gaan samenwerken, ook als haar dit niet bevalt. De bedreigde ontwikkeling van [minderjarige] maakt dit noodzakelijk. Slechts met regievoering van de GI en in het gedwongen kader dat de GI biedt, zal zij langdurig de voor haar benodigde zorg en scholing krijgen. Er wordt voldaan aan de wettelijke criteria om een ondertoezichtstelling te verlengen. Het is een kwestie van een lange adem om de moeder erbij te halen en te houden. De ondertoezichtstelling moet dan ook worden verlengd voor een duur van twaalf maanden om de continuïteit van hulpverlening voor [minderjarige] te waarborgen. De GI moet weliswaar stevig de regie voeren, maar daarbij wel zorgen dat het behapbaar blijft voor de moeder. Zij moet wel op de been blijven. Ook dat is in het belang van [minderjarige].

5.6.

De kinderrechter zal de beslissing, gelet op het karakter daarvan en het belang dat hierover duidelijkheid bestaat, uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht door de GI. Dit betekent dat de beslissing per direct van kracht is en dat eventueel hoger beroep de beslissing niet schorst. Het is van belang dat de GI bij [minderjarige] betrokken blijft.

6 De beslissing

De kinderrechter:

6.1.

verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] met ingang van 5 augustus 2026 tot 5 augustus 2027;

6.2.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 23 juli 2026 door mr. Van Triest, kinderrechter, in aanwezigheid van de griffier, en op schrift gesteld op 29 juli 2026.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.