Uitspraak · Personen- en familierecht
Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 20 juli 2026
ECLI:NL:RBZWB:2026:7911Zaaknummer C/02/440235 / FA RK 25-4964 (echtscheiding) en C/02/442902 FA RK 25-
- Instantie
- Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Datum uitspraak
- 20 juli 2026
- Publicatiedatum
- 5 oktober 2026
- Zaaknummer
- C/02/440235 / FA RK 25-4964 (echtscheiding) en C/02/442902 FA RK 25-
- Rechtsgebied
- Civiel recht, Personen- en familierecht
- Procedure
- Rekestprocedure, Beschikking
- Zittingsplaats
- Breda
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Echtscheiding, geen hoofdverblijf bij een co-ouderschapsregeling, inschrijving in het BRP, aanvrager kinderbijslag, kinderalimentatie en partneralimentatie met discussie over verdiencapaciteit en hogere woonlasten, overeenstemming over verdeling
De rechtbank:
spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, gehuwd op [datum] 2018 in [plaats];
bepaalt dat de [minderjarige], geboren op [geboortedag] 2012 in [geboorteplaats], bij geen van partijen zijn hoofdverblijf heeft;
bepaalt dat genoemde [minderjarige] zal worden ingeschreven in de basisregistratie personen (BRP) op het adres van de vrouw, althans verleent aan haar vervangende toestemming [minderjarige] in te schrijven op haar adres in het geval de man daar geen toestemming voor geeft of niet aan meewerkt;
bepaalt dat de vrouw aanvrager zal zijn voor de kinderbijslag bij de Sociale Verzekeringsbank, althans verleent aan haar vervangende toestemming zichzelf als aanvrager van de kinderbijslag voor [minderjarige] bij de Sociale Verzekeringsbank aan te merken in het geval de man daar geen toestemming voor geeft of niet aan meewerkt;
stelt in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken een regeling vast waarbij genoemde [minderjarige] bij de man en de vrouw verblijft als volgt:
Reguliere regeling
- van maandag tot woensdag naar school bij de man;
- van woensdag tot vrijdag naar school bij de vrouw;
- van vrijdag na school tot en met zondag in de even weekenden bij de man en in de
oneven weekenden bij de vrouw, waarbij de even/oneven weken met ingang van 1 januari
2027 wisselen;
Vakanties en feestdagen
- de vakanties van één week en de meivakantie lopen door volgens de reguliere zorgregeling;
- studiedagen: [minderjarige] is bij de ouder bij wie hij volgens de reguliere zorgregeling is;
- kerstvakantie: in de even jaren is Rave de eerste week bij de man en de tweede week bij de
vrouw en in de oneven jaren is dit andersom;
- zomervakantie: in de even jaren is [minderjarige] de eerste drie weken bij de vrouw en de laatste drie
weken bij de man, in de oneven jaren is dit andersom;
- verjaardag [minderjarige]: in de even jaren bij de man en in de oneven jaren bij de vrouw, waarbij de even/oneven weken met ingang van 1 januari 2027 wisselen;
- andere bijzondere dagen: worden in overleg verdeeld;
bepaalt dat de man vanaf de datum van deze beschikking een bedrag van € 434,= (vierhonderdvierendertig euro) per maand moet betalen aan de vrouw ten behoeve van de kosten van verzorging en opvoeding van genoemde [minderjarige], steeds vóór de eerste van de maand;
bepaalt dat de man vanaf het moment dat deze beschikking is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand een bedrag van € 349,= per maand (driehonderdnegenenveertig euro) moet betalen aan de vrouw ten behoeve van haar levensonderhoud, steeds vóór de eerste van de maand;
wijst het meer of anders verzochte af.
| Deze beschikking is gegeven door mr. Oomes, rechter en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. Reijerse, griffier op 20 juli 2026. |
Tegen de eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
- de verschenen partij(en), binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- de niet verschenen partij(en), binnen drie maanden na de betekening van de beschikking aan hem/haar in persoon of binnen drie maanden nadat deze op een andere manier is betekend en openbaar is gemaakt door het plaatsen van een uittreksel van de beschikking in de Staatscourant.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummers: C/02/440235 / FA RK 25-4964 (echtscheiding)
C/02/442902 FA RK 25-6376 (verdeling)
Datum uitspraak: 20 juli 2026
Beschikking echtscheiding met nevenvoorzieningen
in de zaak van
[de vrouw],
hierna te noemen de vrouw,
wonende in [woonplaats],
advocaat mr. B.E.S. Chin-A-Fat uit Breda,
en
[de man],
hierna te noemen de man,
wonende in [woonplaats],
advocaat mr. J.J.R. Albicher uit [geboorteplaats].
1 Het verloop van de procedure
De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift van de vrouw, ontvangen op 23 september 2025 (met bijlagen);
- het verweerschrift van de man, met daarin zelfstandige verzoeken, ontvangen op 8 december 2025, (met bijlagen);
- het verweerschrift van de vrouw op de zelfstandige verzoeken van de man, met daarin gewijzigde en aanvullende verzoeken, ontvangen op 13 januari 2026 (met bijlagen);
- het verweerschrift van de man op de gewijzigde en aanvullende verzoeken van de vrouw, met daarin aanvullende verzoeken, ontvangen op 9 maart 2026;
- het F9-formulier van mr. Albicher van 5 juni 2026 (met bijlagen);
- de F9-formulieren van mr. Chin-A-Fat van 8 juni 2026 (met bijlagen) en 26 juni 2026 (met bijlagen);
- de brief van mr. Albicher van 25 juni 2026 (met bijlagen);
- de brief van mr. Chin-A-Fat van 26 juni 2026, met daarin een gewijzigd verzoek (met bijlagen).
De zitting heeft plaatsgevonden op 6 juli 2026. Daarbij waren aanwezig partijen, bijgestaan door hun advocaat.
De rechtbank heeft na te noemen [minderjarige] in de gelegenheid gesteld zijn mening te geven. [minderjarige] heeft aangegeven dat hij niet op gesprek komt en geen brief schrijft.
2 De feiten
Partijen zijn met elkaar gehuwd op [datum] 2018 in [plaats], in wettelijke beperkte gemeenschap van goederen.
Tijdens het huwelijk van partijen is geboren het nu nog minderjarige kind van partijen: [minderjarige], geboren op [geboortedag] 2012 in [geboorteplaats] (verder: [minderjarige]).
Partijen hebben beiden de Nederlandse nationaliteit.
3 De verzoeken
De vrouw verzoekt, bij beschikking voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. echtscheiding;
IIA. primair: te bepalen dat [minderjarige] zijn hoofdverblijf bij geen van beide ouders heeft, subsidiair: te bepalen dat [minderjarige] zijn hoofdverblijf bij beide ouders heeft,
meer subsidiair: te bepalen dat [minderjarige] zijn hoofdverblijf bij de vrouw heeft;
IIB. te bepalen dat [minderjarige] zal worden ingeschreven bij de vrouw in de basisregistratie personen (BRP) op het adres van de vrouw, althans haar vervangende toestemming te verlenen [minderjarige] in te schrijven op haar adres, althans te bepalen dat de vrouw aanvrager van de kinderbijslag zal zijn, althans haar daartoe vervangende toestemming tot wijziging daarvan te verlenen;
III. vaststelling van een regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna: zorgregeling) waarbij [minderjarige] van maandag tot woensdag naar school bij de man is en van woensdag tot en met vrijdagochtend bij de vrouw, waarbij hij van vrijdagmiddag uit school tot en met zondag afwisselend bij de man en bij de vrouw is (in de even weekenden bij de man en de oneven weekenden bij de vrouw), waarbij de even/oneven weken met ingang van 1 januari 2027 wisselen;
IV. vaststelling van de verdeling van de vakanties en feestdagen als volgt: de vakanties van een week evenals de meivakantie lopen door in het reguliere
(school)ritme, op studiedagen is [minderjarige] bij de ouder bij wie hij volgens de reguliere
zorgregeling is. In de kerstvakantie is [minderjarige] in de even jaren in de eerste week bij
de man en de tweede week bij de vrouw en in de oneven jaren in de eerste week
van de kerstvakantie bij de vrouw en de tweede week bij de man. In de
zomervakantie is [minderjarige] in de even jaren de eerste drie weken bij de vrouw en de
laatste drie weken bij de man en in de oneven jaren de eerste drie weken bij de
man en de laatste drie weken bij de vrouw. In de even jaren viert [minderjarige] zijn verjaardag bij de man en in de oneven jaren bij de vrouw, waarbij de even/oneven weken met ingang van 1 januari 2027 wisselen. Andere bijzondere dagen worden in overleg verdeeld althans een zodanige regeling en met een zodanige ingangsdatum als de rechtbank in goede justitie juist acht;
V. vaststelling van een door de man aan de vrouw te betalen onderhoudsbijdrage ten behoeve van de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] van € 524,= per maand, althans een zodanig bedrag en met een zodanige ingangsdatum als de rechtbank in goede justitie juist acht;
VI. vaststelling van een door de man aan de vrouw te betalen onderhoudsbijdrage in haar levensonderhoud van € 349,= per maand, althans een zodanig bedrag en met een zodanige ingangsdatum als de rechtbank in goede justitie juist acht;
VII. de wijze van verdeling van de gemeenschap van goederen te bepalen zoals vermeld onder punt 15 tot en met 21 van haar verzoekschrift, onder bepaling van het door de man aan de vrouw wegens overbedeling te betalen totaalbedrag ter hoogte van een nader in het geding te brengen voorstel en in ieder geval;
VIII. de echtelijke woning aan [adres], te [woonplaats], toe te delen aan de man voor de naar 2026 te indexeren waarde van het taxatierapport van [taxateur] d.d. 13 juni 2025, onder de opschortende voorwaarde dat de man voor zijn rekening zal nemen en als eigen schuld zal voldoen de hypothecaire geldlening bij de ABN Amro Bank en de vrouw wordt ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor deze lening, onder betaling van in ieder geval een bedrag aan haar zoals dat op het moment van levering van de woning aan de man zal bedragen;
IX. te bepalen dat de man een vergoeding aan de vrouw verschuldigd is voor het gebruik van (haar aandeel in) de echtelijke woning van € 3.543,54 per jaar, althans een zodanig bedrag als de rechtbank in goede justitie juist acht;
X. te bepalen dat de bankrekeningen zoals genoemd onder punt 18 e en f van haar verzoekschrift aan de man worden toegedeeld en onder punt 18 c en d aan de vrouw en dat de rekeningen onder punt 18 a en b worden opgeheven met verdeling van het saldo per peildatum;
XI. te bepalen dat de vrouw aanvrager zal zijn voor de kinderbijslag bij de Sociale Verzekeringsbank, althans de vrouw vervangende toestemming te verlenen zichzelf als aanvrager van de kinderbijslag voor [minderjarige] bij de Sociale Verzekeringsbank aan te merken.
De man verzoekt:
I. echtscheiding;
II. te bepalen dat [minderjarige] zijn hoofdverblijf heeft bij de man;
III. vaststelling van een zorgregeling waarbij [minderjarige] van maandag tot woensdag naar school bij de man is en van woensdag tot en met vrijdagochtend bij de vrouw, waarbij hij van vrijdagmiddag uit school tot en met zondag afwisselend bij de man en bij de vrouw is (in de even weekenden bij de man en de oneven weekenden bij de vrouw), waarbij de even/oneven weken met ingang van 1 januari 2027 wisselen;
IV. vaststelling van de verdeling van de vakanties en feestdagen als volgt: de vakanties van een week evenals de meivakantie lopen door in het reguliere (school)ritme, op studiedagen is [minderjarige] bij de ouder bij wie hij volgens de reguliere
zorgregeling is. In de kerstvakantie is [minderjarige] in de even jaren in de eerste week bij
de man en de tweede week bij de vrouw en in de oneven jaren in de eerste week
van de kerstvakantie bij de vrouw en de tweede week bij de man. In de
zomervakantie is [minderjarige] in de even jaren de eerste drie weken bij de vrouw en de
laatste drie weken bij de man en in de oneven jaren de eerste drie weken bij de
man en de laatste drie weken bij de vrouw. In de even jaren viert [minderjarige] zijn verjaardag bij de man en in de oneven jaren bij de vrouw, waarbij de even/oneven weken met ingang van 1 januari 2027 wisselen, en waarbij andere bijzondere dagen in overleg worden verdeeld althans een zodanige regeling en met een zodanige ingangsdatum als uw rechtbank in goede justitie juist acht;
V. vaststelling van een door de vrouw aan de man te betalen onderhoudsbijdrage ten behoeve van de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] van € 300,= per maand, met ingang van de datum van inschrijving van deze beschikking in de registers van de burgerlijke stand, althans met een bedrag en met ingang van zodanige datum als de rechtbank in goede justitie zal vaststellen;
VI. de wijze van verdeling van de beperkte gemeenschap van goederen van partijen te gelasten, althans de verdeling vast te stellen van de beperkte gemeenschap van goederen van partijen, als omschreven onder punt 52 tot en met 56 van het verweerschrift, althans de wijze van verdeling van de beperkte gemeenschap van goederen te gelaten, althans de verdeling vast te stellen als de rechtbank in goede justitie zal vermenen te behoren;
VII. te bepalen dat [minderjarige] zal worden ingeschreven in de BRP op het woonadres van de man, althans aan de man vervangende toestemming te verlenen [minderjarige] in te laten schrijven op zijn woonadres, althans te bepalen dat de man aanvrager van de kinderbijslag zal zijn, althans aan hem daartoe vervangende toestemming te verlenen;
VIII. te bepalen dat de man aanvrager zal zijn voor de kinderbijslag bij de Sociale Verzekeringsbank, althans de man vervangende toestemming te verlenen zichzelf als aanvrager van de kinderbijslag voor [minderjarige] bij de Sociale Verzekeringsbank aan te merken.
4 De beoordeling
Echtscheiding
In artikel 815 lid 2 en 3 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) staat dat een verzoekschrift tot echtscheiding een ouderschapsplan moet bevatten dat beide partijen hebben ondertekend en wat in dat ouderschapsplan moet worden opgenomen. Geen van partijen heeft een ouderschapsplan ingediend. Hoewel partijen wel afspraken hebben gemaakt over de zorgregeling, lukt het hen niet afspraken te maken over het hoofdverblijf van [minderjarige], op wiens adres hij ingeschreven zal staan, wie de kinderbijslag zal ontvangen en de kinderalimentatie.
De rechtbank is van oordeel dat gelet op de door partijen aangevoerde omstandigheden van hen niet kan worden verwacht dat zij nog een ouderschapsplan overleggen. Gelet daarop zal de rechtbank daarin voorzien door te beslissen op de betreffende verzoeken en zijn zij ontvankelijk in hun echtscheidingsverzoek.
Tussen partijen staat vast dat hun huwelijk duurzaam is ontwricht. De rechtbank zal het verzoek tot echtscheiding daarom als onweersproken en op de wet gegrond toewijzen.
Zorgregeling
Partijen hebben overeenstemming bereikt over de reguliere zorgregeling en de verdeling van de vakanties en feestdagen, zoals hiervoor in hun verzoeken onder III. en IV. (van zowel de man als de vrouw) is vermeld. De rechtbank acht deze zorgregeling en verdeling van de vakanties en feestdagen in het belang van [minderjarige]. Deze verzoeken zullen daarom als onweersproken en op de wet gegrond worden toegewezen.
Hoofdverblijf, inschrijving BRP en kinderbijslag
De vrouw legt aan haar verzoeken onder II.A, II.B. en XI.. het volgende ten grondslag. Gelet op de overeengekomen zorgregeling, waarbij [minderjarige] gedurende de helft van de tijd bij beide partijen verblijft, is er feitelijk nauwelijks te spreken van een hoofdverblijf. In de jurisprudentie is al vaker bepaald dat er bij een gelijkwaardig co-ouderschap feitelijk geen hoofdverblijf is. Bovendien wordt er in de literatuur voor gepleit dat bij co-ouderschap een kind hoofdverblijf bij beide ouders kan hebben. De vrouw betwist dat het zwaartepunt van de zorg bij de man ligt, zoals hij heeft aangevoerd. Ouders hebben altijd samen voor [minderjarige] gezorgd en delen nog steeds de zorg en opvoeding van [minderjarige]. De vrouw verzoekt verder [minderjarige] op haar adres in te schrijven en vraagt daar ook vervangende toestemming voor. Inschrijving is van belang zodat de vrouw aanspraak kan maken op kinderbijslag en kindgebonden budget (KGB). Ter zitting is namens de vrouw aangevoerd dat, doordat zij een lager inkomen heeft dan de man, het KGB waar aanspraak op kan worden gemaakt aanzienlijk hoger is als [minderjarige] bij haar ingeschreven staat. Het is in het belang van [minderjarige] dat daarvan gebruik wordt gemaakt. In reactie op het standpunt van de man ter zitting dat hij vreest dat de vrouw het KGB volledig aan zichzelf zal besteden gelet op haar levensstijl en zeer lage inkomen, heeft de vrouw aangegeven dat deze vrees onterecht is en het KGB volledig benut zal worden voor [minderjarige]. Zij verblijft nu bij haar vader, waardoor zij zeer lage woonlasten heeft en haar twee vakanties vorig jaar zijn ook door haar vader betaald.
De man legt aan zijn verzoeken onder II., VII. en VIII. het volgende ten grondslag. Volgens vaste rechtspraak en literatuur wordt als uitgangspunt genomen dat het hoofdverblijf van een kind de plaats is waar hij feitelijk het meest verblijft en waar het zwaartepunt is van de zorg, en daaruit volgt ook de inschrijving in het BRP. Een ontkoppeling daarvan zoals door de vrouw is verzocht, is in strijd met de werkelijke situatie, gekunsteld en niet in het belang van [minderjarige]. Op papier is de zorg weliswaar gelijk verdeeld tussen partijen, maar het zwaartepunt is altijd bij de man geweest en is dat nog steeds. De man is altijd de hoofdverzorgende ouder geweest van [minderjarige]. [minderjarige] staat in de BRP bij de man ingeschreven, op zijn zorgpolis en de man regelt alle financiële zaken voor [minderjarige]. Ook zorgt hij ervoor dat [minderjarige] naar de tandarts gaat en hij regelt zijn medicatie. De vrouw heeft zich tijdens het huwelijk weinig bekommerd om het welzijn van [minderjarige]. [minderjarige] heeft zijn hele leven gewoond in [woonplaats], terwijl de vrouw het op sociale media steeds heeft over een verhuizing naar het buitenland. De verzoeken van de vrouw zijn slechts ingegeven vanuit financiële motieven. Ter zitting heeft de man toegelicht dat hij ervoor vreest dat als de kinderbijslag en het KGB aan de vrouw toekomen, zij dit niet zal gebruiken voor [minderjarige] maar voor zichzelf. Zij heeft een heel laag inkomen en gaat alsnog meerdere keren per jaar op vakantie en leeft een luxe levensstijl.
De rechtbank overweegt dat bepaling van de hoofdverblijfplaats van een kind nauw verbonden is met de verdeling van de zorgtaken tussen de ouders. Het uitgangspunt is in beginsel dat de hoofdverblijfplaats van een kind de plaats is waar het kind feitelijk het meest verblijft en waar het zwaartepunt van de zorg voor dat kind ligt. Partijen hebben een zorgregeling afgesproken waarbij te gelden heeft dat [minderjarige] iedere maandag tot woensdag naar school bij de man verblijft, woensdag uit school tot vrijdag naar school bij de vrouw verblijft en van vrijdag uit school gedurende het weekend de ene week bij de man verblijft en de andere week bij de vrouw. In tegenstelling tot wat de man heeft betoogd, ziet de rechtbank niet dat het zwaartepunt van de zorg ondanks de gelijke zorgverdeling alsnog bij hem ligt. De door de man genoemde voorzieningen zoals de inschrijving van [minderjarige] op zijn adres en zorgpolis en de inschrijving van [minderjarige] bij de tandarts en huisarts in [woonplaats], zijn gedurende het huwelijk getroffen en (nog) niet gewijzigd nadat de vrouw uit de echtelijke woning is vertrokken. Dit maakt niet dat de man ook het grootste deel van de zorg op zich neemt of zal nemen. Ter zitting is gebleken dat partijen beiden een groot deel van de zorg en opvoeding van [minderjarige] op zich nemen en allebei nauw betrokken zijn bij onder andere de schoolgang van [minderjarige]. Doordat [minderjarige] feitelijk bij beide partijen evenveel verblijft, drukken de rechten en plichten, bijvoorbeeld om elkaar te informeren, op beide partijen even zwaar. In feite is er naar het oordeel van de rechtbank dus geen hoofdverblijfplaats. De vraag die dan voorligt en waarover partijen het niet eens zijn is of er een hoofdverblijfplaats van [minderjarige] moet worden bepaald. Het bepalen van de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij één van partijen, zoals door de man verzocht, doet naar het oordeel van de rechtbank geen recht aan de gelijkwaardige rolverdeling die partijen met de gelijke zorgverdeling voor ogen hebben. Partijen hebben daarnaast ook verzoeken gedaan over op wiens adres [minderjarige] moet worden ingeschreven en wie de aanvrager van de kinderbijslag zal zijn. Met een beslissing op die verzoeken is er naar het oordeel van de rechtbank ook geen noodzaak om het hoofdverblijf van [minderjarige] bij één van partijen te bepalen.
Het voorgaande leidt ertoe dat de rechtbank het primaire verzoek van de vrouw onder II.A., te bepalen dat [minderjarige] bij geen van beide ouders zijn hoofdverblijf heeft, zal toewijzen. Daarmee komt de rechtbank niet meer toe aan de beoordeling van haar subsidiaire en meer subsidiaire verzoek onder II.A. Ook leidt dit ertoe dat het verzoek van de man onder II. tot bepaling van het hoofdverblijf van [minderjarige] bij hem, wordt afgewezen.
Met betrekking tot de inschrijving van [minderjarige] in de BRP wordt als volgt overwogen. Op dit moment staat [minderjarige] ingeschreven op het adres van de echtelijke woning, waar de man nu feitelijk verblijft en wil blijven wonen. De man heeft aangevoerd dat de inschrijving zo moet blijven omdat [minderjarige] altijd zijn leven in [woonplaats] heeft gehad, terwijl de vrouw nu in Willemstad woont bij haar vader en het nog maar de vraag is waar zij gaat wonen, mogelijk zelfs in het buitenland. Naar het oordeel van de rechtbank maakt het in dit geval voor de inschrijving van [minderjarige] niet uit waar partijen op dit moment wonen. De inschrijving van [minderjarige] ziet niet op de woonplaats zelf, maar op het adres van die ouder. Tussen partijen is verder niet in geschil dat [minderjarige] naar school moet blijven gaan in [woonplaats] en zijn leven daar nu moet kunnen voortzetten. De rechtbank gaat ervan uit dat partijen niet zomaar zullen verhuizen naar een woonplaats die grote gevolgen heeft voor het leven dat [minderjarige] heeft in [woonplaats]. Daarbij heeft te gelden dat in een situatie als die van partijen, met gezamenlijk gezag en een gelijkwaardige zorgverdeling, voor een verhuizing van één van partijen (waarbij de veranderingen zo groot zijn dat bijvoorbeeld de zorgregeling moet worden aangepast) hoe dan ook toestemming nodig is van de andere ouder.
De vrouw heeft aangevoerd dat een groot financieel belang bestaat bij de inschrijving van [minderjarige] in het BRP bij haar. De rechtbank overweegt dat de door de vrouw aangevoerde financiële voordelen van inschrijving van [minderjarige] bij haar in het BRP er, gelet op het verschil in inkomen tussen partijen, toe leiden dat de welstand in de thuissituatie van partijen gelijkwaardiger wordt. Met het lage(re) inkomen van de vrouw maakt zij aanspraak op een aanzienlijk hoger kindgebonden budget dan wanneer [minderjarige] bij de man staat ingeschreven. Daarnaast is de vrouw dan gerechtigd tot een bijdrage van de man in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige]. Deze situatie acht de rechtbank het meest in het belang van [minderjarige] en ook passend bij de gelijkwaardigheid van het ouderschap die partijen, kijkend naar de overeengekomen co-ouderschapsregeling, voor ogen hebben.
Het bezwaar van de man vanuit zijn angst dat de vrouw de extra financiële middelen zal gebruiken voor zichzelf zijn voorstelbaar kijkend naar haar momenteel zeer lage inkomen, maar brengen de rechtbank niet tot een ander oordeel. De vrouw heeft ter zitting toegelicht dat zij zich realiseert dat zij een zeer beperkt inkomen heeft en niet afhankelijk kan blijven van financiële bijdragen van familie en vrienden. Dit is niet wat zij wil en zij is doende om een hoger inkomen te verwerven. De rechtbank gaat ervan uit dat de vrouw haar verantwoordelijkheid neemt en de extra financiële middelen die beschikbaar worden op een verantwoorde wijze zal gebruiken zodat deze ten goede komen van [minderjarige].
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het verzoek van de vrouw onder II.B. om te bepalen dat [minderjarige] zal worden ingeschreven in de basisregistratie personen (BRP) op haar adres, althans haar vervangende toestemming te verlenen [minderjarige] in te schrijven op haar adres, toewijzen. In lijn daarmee zal ook worden toegewezen haar verzoek onder XI. om te bepalen dat zij aanvrager zal zijn voor de kinderbijslag bij de Sociale Verzekeringsbank, althans haar vervangende toestemming te verlenen zichzelf als aanvrager van de kinderbijslag voor [minderjarige] bij de Sociale Verzekeringsbank aan te merken, nu dit het meest passend is in het – hierna verder uit een te zetten – stelsel van de kinderalimentatie. Een en ander brengt mee dat de verzoeken van de man onder VII. en VIII. worden afgewezen.
Kinderalimentatie
Gelet op de beslissing over de inschrijving van [minderjarige] op het adres van de vrouw in het BRP, is nu nog aan de orde het verzoek van de vrouw een door de man aan haar te betalen bijdrage ten behoeve van [minderjarige] te bepalen. Het uitgangspunt daarbij is dat zij de volledige kinderbijslag en het KGB ontvangt en de verblijfsoverstijgende kosten van [minderjarige] zal voldoen. Het verzoek van de man tot vaststelling van een door de vrouw aan hem te betalen bijdrage ten behoeve van [minderjarige] zal dan ook worden afgewezen.
De vrouw legt aan haar verzoek ten grondslag dat [minderjarige] behoefte heeft aan een onderhoudsbijdrage van de man en dat hij de financiële draagkracht heeft die te voldoen.
De man voert verweer.
Bij het bepalen van de behoefte aan een onderhoudsbijdrage en de financiële draagkracht om die te voldoen hanteert de rechtbank de uitgangspunten, zoals deze zijn neergelegd in de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie.
Ingangsdatum
De rechtbank zal de verplichting tot betaling van de hierna vast te stellen bijdrage laten ingaan op de datum van deze beschikking.
Behoefte
Ter zitting zijn partijen overeengekomen dat de behoefte van [minderjarige] € 818,= per maand bedraagt. Dit is het gemiddelde van de door ieder van partijen berekende behoefte van [minderjarige].
Het aandeel van partijen in de behoefte van [minderjarige] becijfert de rechtbank aan de hand van ieders huidig netto besteedbaar inkomen (NBI), waarbij hun draagkracht wordt vastgesteld aan de hand van de formule of de tabel, zoals opgenomen in eerder genoemde aanbevelingen.
Draagkracht van de vrouw
De vrouw stelt dat voor de becijfering van haar NBI en draagkracht moet worden uitgegaan van een winst uit haar eenmanszaak, [eenmanszaak], van € 10.531,= bruto per jaar. Dit is het gemiddelde van de winst in 2024 van € 15.485,=, de winst in 2025 van € 6.108,= en de prognose van de winst in 2026 van € 10.000,=.
De man stelt zich op het standpunt dat moet worden uitgegaan van een winst uit onderneming van de vrouw van € 40.000,= bruto per jaar. Het door de vrouw gestelde inkomen is erg laag, terwijl zij op sociale media stelt dat haar nagelsalon 500 klanten telt. Zij beschikt daarnaast over zwarte inkomsten. Dit was volgens de man ook al zo tijdens het huwelijk. Verder mag van haar verlangd worden dat zij fulltime gaat werken en haar inkomen verhoogt.
De rechtbank stelt voorop dat het bij de bepaling van de draagkracht van een onderhoudsplichtige niet alleen aankomt op het inkomen dat hij of zij verwerft (het feitelijke inkomen), maar ook op het inkomen dat hij of zij redelijkerwijs kan verwerven (een fictief inkomen). Bij kinderalimentatie wordt echter terughoudend omgegaan met het toekennen van een fictief inkomen aan de onderhoudsgerechtigde, omdat dit ertoe kan leiden dat niet (geheel) in de behoefte van het kind kan worden voorzien als dat hogere inkomen, om welke reden dan ook, niet wordt verwezenlijkt. Echter, het inkomen is naar het oordeel van de rechtbank té summier door de vrouw onderbouwd. Uitgaan van de gemiddelde winst in 2024 en 2025 acht de rechtbank in dit geval niet redelijk en is onvoldoende voor een goede inschatting van de te verwachten winst, nu draagkracht ziet op de toekomst. Zeker niet nu de vrouw heeft aangegeven dat zij sinds zij de echtelijke woning heeft verlaten bezig is met het verhogen van haar inkomen en dat mocht haar dat binnen haar huidige onderneming niet lukken zij naar ander werk op zoek zal moeten. De overgelegde prognose van 2026 is tegelijkertijd ook niet bruikbaar, omdat deze niet is onderbouwd met verdere financiële gegevens en toelichtingen daarbij. De rechtbank gaat er daarom in het kader van de kinderalimentatie in redelijkheid vanuit dat de vrouw op dit moment in ieder geval een inkomen heeft ter hoogte van een uitkering op grond van de Participatiewet, dan wel haar inkomen kan aanvullen tot dat bedrag. Op grond daarvan gaat de rechtbank uit van een bruto winst uit onderneming van € 21.327,= per jaar.
De rechtbank houdt in fiscale zin rekening met de van toepassing zijnde zelfstandigenaftrek en MKB-winstvrijstelling en heffingskortingen (algemene heffingskorting en arbeidskorting), de op aanslag verschuldigde inkomensafhankelijke bijdrage zorgverzekeringswet en de verschuldigde inkomstenbelasting. Daarnaast wordt rekening gehouden met een kindgebonden budget en de daarvan deel uitmakende alleenstaande ouderkop van € 6.720,= op jaarbasis. Aan de hand van deze uitgangspunten becijfert de rechtbank het huidige NBI van de vrouw op een bedrag ter hoogte van € 2.266,= per maand. De draagkracht van de vrouw is dan volgens de formule € 155,= per maand.
Draagkracht van de man
De man stelt dat voor de becijfering van zijn draagkracht moet worden uitgegaan van zijn jaaropgaaf van 2025 ter hoogte van € 69.324,= (waarbij de fiscale bijtelling al in mindering is gebracht). Dit geeft een volledig en compleet beeld van zijn inkomen.
De vrouw stelt zich op het standpunt dat voor de becijfering van de draagkracht van de man moet worden uitgegaan van de salarisstroken van de man. Ter zitting is namens haar aangevoerd dat uit de meest recent salarisstroken van april en mei 2026 een hoger inkomen blijkt dan uit de eerder overgelegde salarisspecificaties en de jaaropgaaf van de man uit 2025. De vrouw stelt dat moet worden gerekend met het bruto basissalaris van € 5.687,= per maand, de gebruikelijke vakantietoeslag, een bijdrage ‘CAO a la carte’ van € 123,= per maand en compensatie voor de leaseauto van € 31,= per maand. Tevens moet volgens de vrouw de jaarbonus van € 4.733,=, zoals volgt uit de salarisspecificatie van april 2026, worden meegenomen. De vrouw heeft verder rekening gehouden met de pensioenpremies die worden ingehouden op het inkomen van de man.
De rechtbank zal zoals gebruikelijk voor de berekening van de draagkracht van de man uit te gaan van de meest recente financiële gegevens, daarom van zijn laatste salarisstroken (productie 20 van de man). Ter zitting is namens de man aangegeven dat in dat geval de door de vrouw genoemde inkomenscomponenten juist zijn en kunnen worden meegenomen, met uitzondering van de jaarbonus. Deze bonus ontvangt de man volgens hem niet structureel. Dit blijkt uit de salarisstrook waarop de bonus is opgenomen onder ‘Bruto incidentele vergoedingen en inhoudingen’. De rechtbank constateert dat op de salarisstrook is opgenomen “jaarbonus” en beschikt niet over stukken waaruit volgt dat de man deze jaarbonus niet jaarlijks ontvangt. De rechtbank acht aannemelijk dat deze bonus is opgenomen onder “incidentele vergoedingen” omdat de man deze bonus eenmaal per jaar en dus niet op maandelijkse basis ontvangt. Gelet hierop gaat de rechtbank ervan uit dat de man ieder jaar deze jaarbonus ontvangt en zal daar bij de berekening dan ook rekening mee houden.
De rechtbank houdt in fiscale zin rekening met de van toepassing zijnde heffingskortingen (algemene heffingskorting en arbeidskorting) en de verschuldigde inkomstenbelasting. Aan de hand van deze uitgangspunten becijfert de rechtbank het huidige NBI van de man op een bedrag ter hoogte van € 4.264,= per maand.
De man stelt zich vervolgens op het standpunt dat moet worden afgeweken van het forfaitaire woonbudget en rekening moet wordt gehouden met zijn werkelijke woonlasten ter hoogte van € 1.771,= per maand. Hij heeft, zo stelt hij, duurzaam aanmerkelijk hogere woonlasten dan het woonbudget. Deze bestaan uit hypotheeklasten van € 1.275,= per maand, hoge energielasten van € 250,= per maand, lokale belastingen van € 170,= per maand, de premie voor een opstalverzekering van € 4,= per maand, een premie voor een overlijdensrisicoverzekering van € 38,= per maand, onderhoudskosten van € 150,= per maand en kosten voor Brabant Water van € 25,= per maand, te verminderen met het fiscaal voordeel van € 142,= per maand.
De vrouw heeft zich ter zitting primair op het standpunt gesteld dat moet worden uitgegaan van het woonbudget. De door de man genoemde woonlasten zijn gebaseerd op de situatie waarin hij de echtelijke woning kan overnemen, maar mocht dat niet lukken dan is het nog maar de vraag wat zijn woonlasten zullen zijn. Ook om dergelijke discussies in de toekomst te voorkomen is toepassing van het woonbudget het meest aangewezen. Mocht wel uit worden gegaan van de huidige werkelijke woonlasten van de man, dan moet volgens de vrouw in ieder geval geen rekening worden gehouden met de premie voor de overlijdensrisicoverzekering.
Uit voormelde aanbevelingen volgt het uitgangspunt dat bij de becijfering van de draagkracht van de onderhoudsplichtigen wordt gerekend met een forfaitair bedrag aan woonlasten. Uit dit forfaitaire woonbudget wordt een onderhoudsplichtige geacht alle redelijke lasten voor een woning passend bij zijn inkomen te kunnen voldoen. Als een onderhoudsplichtige duurzaam aanmerkelijk hogere woonlasten heeft dan het woonbudget kan met die extra lasten rekening worden gehouden als kan worden vastgesteld dat deze lasten niet vermijdbaar zijn en dat het (voort)bestaan daarvan niet aan de onderhoudsplichtige kan worden verweten. De rechtbank is van oordeel dat onvoldoende duidelijk is of sprake is van duurzame hogere woonlasten. Zoals uit het hiernavolgende blijkt, zijn partijen overeengekomen dat de man in de gelegenheid zal worden gesteld de echtelijke woning over te nemen. Uit de door de man overgelegde stukken en ingenomen standpunten kan de rechtbank niet afleiden of hem dat daadwerkelijk zal lukken, wat zijn werkelijke woonlasten dan zullen zijn en in het geval dat niet mogelijk is, wat zijn woonlasten dan zullen zijn. Juist vanwege dit soort situaties wordt in beginsel uitgegaan van de forfaitaire woonlast, zodat niet bij elke wijziging in de woonlasten de hoogte van de bijdrage moet worden aangepast. Nog daargelaten de vraag of alle kostenposten hierbij in aanmerking genomen kunnen worden dan wel uit de bijstandsnorm of vrije draagkrachtruimte kunnen worden voldaan. De rechtbank zal gelet op het voorgaande uit gaan van het woonbudget.
De draagkracht van de man is dan volgens de formule € 1.134,= per maand.
Draagkrachtvergelijking
De verdeling van de kosten van [minderjarige] over partijen wordt dan berekend volgens de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte van [minderjarige], oftewel:
het aandeel van de man bedraagt: € 1.134 / € 1.289 x € 818 = € 720,=
het aandeel van de vrouw bedraagt: € 155 / € 1.289 x € 818 = € 98,=
Zorgkorting
Partijen zijn het eens over toepassing van een zorgkorting van 35%. Nu de behoefte van [minderjarige] € 818,= per maand bedraagt, beloopt de zorgkorting een bedrag van € 286,= per maand.
Het aandeel van de man wordt verminderd met dit bedrag, zodat de man als kinderbijdrage aan de vrouw dient te betalen € 434,= per maand.
Conclusie
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de door de man te betalen kinderbijdrage met ingang van de datum van deze beschikking vaststellen op € 434,= per maand. Het verzoek van de vrouw zal in zoverre worden toegewezen.
Partneralimentatie
De vrouw legt aan haar verzoek ten grondslag dat zij behoefte heeft aan een onderhoudsbijdrage van de man en dat hij de financiële draagkracht heeft die te voldoen.
De man voert verweer.
Ook bij de bepaling van de behoefte van de vrouw aan een onderhoudsbijdrage en de financiële draagkracht van de man om die te voldoen hanteert de rechtbank de uitgangspunten zoals deze zijn neergelegd in de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie.
Huwelijksgerelateerde behoefte
Tussen partijen staat vast dat de huwelijksgerelateerde behoefte moet worden becijferd aan de hand van een gemiddelde van het door ieder van partijen becijferde netto besteedbaar gezinsinkomen (NBGI) in 2024. Dit komt neer op afgerond € 5.088,= per maand ((€ 5.165,= + € 5.010,=) /2). Inclusief wettelijke indexeringen bedraagt het NBGI in 2026 afgerond € 5.668,= per maand. Rekening houdend met de kosten van [minderjarige] van in totaal € 818,= per maand, bedraagt het aandeel van de vrouw in genoemd netto gezinsinkomen de helft van het resterende bedrag van € 4.850,=, zijnde € 2.245,= per maand. Omdat het voeren van twee gescheiden huishoudens duurder is dan het leven in gezinsverband, wordt bij dit aandeel een percentage van 20 opgeteld, zodat de rechtbank de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw berekent op € 2.910,= netto per maand.
Aanvullende behoefte van de vrouw
Om te bepalen of, en zo ja, in welke mate de vrouw behoefte heeft aan een aanvullende bijdrage van de man, moet op deze huwelijksgerelateerde behoefte in mindering worden gebracht haar eigen netto inkomen.
De vrouw stelt ook in dit kader dat moet worden uitgegaan van een winst uit haar eenmanszaak, [eenmanszaak], van € 10.531,= per jaar, gebaseerd op het gemiddelde van de winst van 2024 en 2025 en de prognose van 2026. Zij erkent dat dit een erg laag inkomen is en begrijpt dat zij een hoger inkomen moet verwerven, maar op dit moment is dit het inkomen wat er is. Zij kan ook niet meer werken omdat zij deels de zorg voor [minderjarige] draagt.
De man stelt zich op het standpunt dat moet worden uitgegaan van een winst uit onderneming van de vrouw van € 40.000,= per jaar. Daarmee zou zij volledig in haar behoefte moeten kunnen voorzien. Ook hier voert de man aan dat het door de vrouw gestelde inkomen erg laag is gelet op het gestelde klantenbestand en dat volgens hem sprake is van zwarte inkomsten. Voor zover de vrouw op dit moment niet dit inkomen heeft, mag van haar gevergd worden dat zij zich inspant om in haar eigen levensonderhoud te voorzien.
Op grond van de overgelegde stukken en hetgeen ter zitting is besproken komt de rechtbank, hoewel het precieze inkomen van de vrouw op dit moment onduidelijk is gebleven zoals hiervoor in rechtsoverweging 4.22 is overwogen, in ieder geval niet tot het door de man gestelde bedrag van € 40.000,= per jaar. De rechtbank ziet geen concrete aanknopingspunten voor het standpunt van de man dat de vrouw zwarte inkomsten zou hebben. Uit de overgelegde financiële stukken volgt dat de door de vrouw behaalde winst in de afgelopen jaren, gedurende het huwelijk van partijen, niet meer is geweest dan € 15.485,= per jaar (in 2024). Dit is dus een inkomen minder dan de bijstandsnorm. Nu de situatie met de echtscheiding zal veranderen, komt er op de vrouw een inspanningsverplichting te rusten om een hoger inkomen te verwerven, om uiteindelijk zelf in haar eigen levensonderhoud te gaan voorzien. De vrouw heeft ter zitting ook aangegeven dat zij begrijpt dat haar huidige inkomen zeer laag is en zij een hoger inkomen moet gaan verwerven. Gelet op de financiële stukken van de vrouw en haar toelichting ter zitting is daar echter wel tijd voor nodig, en de rechtbank acht haar op dit moment nog niet in staat de door de man gestelde € 40.000,= per jaar te verdienen. Bij gebrek aan verdere informatie over haar opleiding, werkervaring en huidige uren, stelt de rechtbank in redelijkheid vast dat de vrouw in het kader van de partneralimentatie in ieder geval geacht moet worden om een winst van € 30.000,= bruto per jaar te verdienen, dan wel een inkomen uit loondienst ter hoogte van dat bedrag moet kunnen verwerven. Dit bedrag is gerelateerd aan het wettelijk minimumloon bij een werkweek van ongeveer 36 uur. Dit moet naar het oordeel van de rechtbank haalbaar zijn voor de vrouw naast de zorg voor [minderjarige]. De rechtbank zal in het kader van de partneralimentatie van dat inkomen uitgaan voor de berekening van haar NBI en draagkracht.
In fiscale zin houdt de rechtbank rekening met de zelfstandigenaftrek en MKB-winstvrijstelling, de van toepassing zijnde heffingskortingen (algemene heffingskorting en arbeidskorting) en de verschuldigde inkomstenbelasting. Verder is de op aanslag te betalen inkomensafhankelijke bijdrage zorgverzekeringswet in aanmerking genomen. Aan de hand van deze uitgangspunten becijfert de rechtbank het huidige NBI van de vrouw in het kader van de partneralimentatie op een bedrag van € 2.358,= per maand.
De behoefte van de vrouw aan een aanvullende bijdrage bedraagt, gelet op haar eigen NBI, aldus € 552,= netto per maand. Dit komt neer op € 997,= bruto per maand.
Draagkracht van de man
Voor de becijfering van de draagkracht van de man gaat de rechtbank uit van de financiële gegevens zoals hiervoor onder rechtsoverwegingen 4.26 tot en met 4.30 vermeld. Daaruit volgt een NBI van € 4.264,= per maand. Rekening houdend met het aandeel van de man in de kosten van [minderjarige] (inclusief zorgkosten) van € 720,= per maand, bedraagt de resterende draagkracht van de man € 252,= netto per maand, oftewel € 403,= bruto per maand.
Bij deze berekening is rekening gehouden met het fiscale voordeel van betaling van partneralimentatie. De man kan de door hem betaalde partneralimentatie fiscaal aftrekken, terwijl de vrouw over de door haar ontvangen partneralimentatie inkomstenbelasting moet voldoen. Om die reden wordt het door de man genoten fiscale voordeel “opgeteld” bij de draagkracht van de man voor partneralimentatie (de “methode Buijs”) en komt dat voordeel dus geheel ten goede aan de vrouw.
Conclusie
De rechtbank zal gelet op het voorgaande het verzoek van de vrouw tot vaststelling van een door de man aan haar te betalen partnerbijdrage van € 349,= per maand, met ingang van de datum dat deze beschikking wordt ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, toewijzen.
Aanhechten berekeningen
De rechtbank heeft berekeningen gemaakt. Exemplaren van deze berekeningen zijn als bijlage aan deze beschikking toegevoegd en maken daarvan deel uit.
Afwikkeling van de huwelijksgemeenschap
Partijen zijn gehuwd in wettelijke beperkte gemeenschap van goederen. De gemeenschap van goederen is op grond van artikel 1:99 lid 1 aanhef en sub b BW ontbonden op de datum waarop het verzoekschrift tot echtscheiding is ingediend bij de rechtbank, te weten 23 september 2025. Die datum is ook bepalend voor de omvang en samenstelling van de gemeenschap.
Samenstelling van de gemeenschap
De gemeenschap bestond op de peildatum van 23 september 2025, volgens opgave van partijen zelf, uit de volgende bestanddelen:
a. de woning gelegen aan [adres], te [woonplaats] (hierna: de woning), en de daarop rustende hypothecaire geldlening;
b. de inboedelgoederen;
c. de auto Volkswagen Lupo met [kenteken];
d. de saldi op de bankrekeningen;
e. de activa en passiva van de [eenmanszaak].
Overeenstemming
Na bespreking van de standpunten van partijen ten aanzien van de verdeling van voormelde bestanddelen is de zitting enige tijd geschorst geweest voor overleg. Partijen hebben in dat overleg volledige overeenstemming bereikt over de verdeling van de gemeenschappelijke goederen. Zij hebben de volgende afspraken gemaakt.
a. de woning
De woning zal worden toegedeeld aan de man tegen een waarde van € 560.000,= (het gemiddelde van de waardes uit de twee door ieder van partijen opgestelde taxatierapporten), onder de opschortende voorwaarde dat de vrouw wordt ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire geldlening. De man krijgt drie maanden de tijd vanaf de datum van deze beschikking om aan de vrouw te laten zien dat hij de woning kan overnemen tegen de overeengekomen waarde. Als de man de woning kan overnemen vindt zo snel mogelijk nadat dat bekend is geworden de eigendomsoverdracht plaats van de woning aan hem. De man moet vervolgens aan de vrouw voldoen de helft van de overwaarde, zijnde de overeengekomen waarde minus de waarde van de hypothecaire geldlening op de datum van eigendomsoverdracht van de woning aan de man. In het geval de man niet binnen drie maanden kan laten zien dat hij de woning kan overnemen, dan wel (eerder) duidelijk is dat hij niet in staat is de woning over te nemen, moet de woning worden verkocht aan (een) derde(n).
b. de inboedelgoederen
De man behoudt de inboedelgoederen die aanwezig zijn in de woning, zonder nadere verrekening van de waarde daarvan met de vrouw.
c. de auto
De vrouw behoudt de auto, zonder nadere verrekening van de waarde van de auto met de man.
d. de saldi op de bankrekeningen
De gezamenlijke bankrekening van partijen zal worden opgeheven en het saldo op die rekening op dat moment wordt bij helfte tussen partijen gedeeld. De saldi op de bankrekeningen op namen van ieder van partijen op de peildatum worden toegedeeld aan de partij op wiens naam die rekening staat, zonder nadere verrekening van de saldi op die bankrekeningen op die datum en ieder van partijen zal zijn of haar eigen rekeningen voortzetten.
e. de activa en passiva van de [eenmanszaak]
De vrouw behoudt de activa van de [eenmanszaak] op de peildatum, zonder nadere verrekening van de waarde daarvan met de man. Daarnaast neemt de vrouw de schulden van de eenmanszaak die op de peildatum open stonden voor haar rekening en zal deze voldoen als haar eigen schuld.
Nu partijen tot volledige overeenstemming zijn gekomen over de verdeling van de gemeenschappelijke goederen, is voor rechtbank geen taak meer weggelegd op grond van artikel 3:185 BW om de (wijze van) verdeling vast te stellen. De verzoeken van partijen betreffende de afwikkeling van de huwelijksgemeenschap zullen daarom worden afgewezen.
Gelet op de overeenstemming is namens de vrouw haar verzoek onder IX. om een gebruiksvergoeding te bepalen ingetrokken. Dit verzoek behoeft daarom ook geen verdere bespreking.
5 De beslissing
De rechtbank:
spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, gehuwd op [datum] 2018 in [plaats];
bepaalt dat de [minderjarige], geboren op [geboortedag] 2012 in [geboorteplaats], bij geen van partijen zijn hoofdverblijf heeft;
bepaalt dat genoemde [minderjarige] zal worden ingeschreven in de basisregistratie personen (BRP) op het adres van de vrouw, althans verleent aan haar vervangende toestemming [minderjarige] in te schrijven op haar adres in het geval de man daar geen toestemming voor geeft of niet aan meewerkt;
bepaalt dat de vrouw aanvrager zal zijn voor de kinderbijslag bij de Sociale Verzekeringsbank, althans verleent aan haar vervangende toestemming zichzelf als aanvrager van de kinderbijslag voor [minderjarige] bij de Sociale Verzekeringsbank aan te merken in het geval de man daar geen toestemming voor geeft of niet aan meewerkt;
stelt in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken een regeling vast waarbij genoemde [minderjarige] bij de man en de vrouw verblijft als volgt:
Reguliere regeling
- van maandag tot woensdag naar school bij de man;
- van woensdag tot vrijdag naar school bij de vrouw;
- van vrijdag na school tot en met zondag in de even weekenden bij de man en in de
oneven weekenden bij de vrouw, waarbij de even/oneven weken met ingang van 1 januari
2027 wisselen;
Vakanties en feestdagen
- de vakanties van één week en de meivakantie lopen door volgens de reguliere zorgregeling;
- studiedagen: [minderjarige] is bij de ouder bij wie hij volgens de reguliere zorgregeling is;
- kerstvakantie: in de even jaren is Rave de eerste week bij de man en de tweede week bij de
vrouw en in de oneven jaren is dit andersom;
- zomervakantie: in de even jaren is [minderjarige] de eerste drie weken bij de vrouw en de laatste drie
weken bij de man, in de oneven jaren is dit andersom;
- verjaardag [minderjarige]: in de even jaren bij de man en in de oneven jaren bij de vrouw, waarbij de even/oneven weken met ingang van 1 januari 2027 wisselen;
- andere bijzondere dagen: worden in overleg verdeeld;
bepaalt dat de man vanaf de datum van deze beschikking een bedrag van € 434,= (vierhonderdvierendertig euro) per maand moet betalen aan de vrouw ten behoeve van de kosten van verzorging en opvoeding van genoemde [minderjarige], steeds vóór de eerste van de maand;
bepaalt dat de man vanaf het moment dat deze beschikking is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand een bedrag van € 349,= per maand (driehonderdnegenenveertig euro) moet betalen aan de vrouw ten behoeve van haar levensonderhoud, steeds vóór de eerste van de maand;
wijst het meer of anders verzochte af.
| Deze beschikking is gegeven door mr. Oomes, rechter en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. Reijerse, griffier op 20 juli 2026. |
Tegen de eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
- de verschenen partij(en), binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- de niet verschenen partij(en), binnen drie maanden na de betekening van de beschikking aan hem/haar in persoon of binnen drie maanden nadat deze op een andere manier is betekend en openbaar is gemaakt door het plaatsen van een uittreksel van de beschikking in de Staatscourant.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.