Uitspraak · Personen- en familierecht

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 17 juli 2026

ECLI:NL:RBZWB:2026:7794Zaaknummer C/02/450130 / JE RK 26-1218

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
17 juli 2026
Publicatiedatum
28 september 2026
Zaaknummer
C/02/450130 / JE RK 26-1218
Rechtsgebied
Civiel recht, Personen- en familierecht
Procedure
Rekestprocedure, Beschikking
Zittingsplaats
Middelburg
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Nadere spoedmachtiging uithuisplaatsing

6 De beslissing

De kinderrechter:

6.1.

verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in het netwerk bij opa en oma vaderszijde met ingang van 23 juli 2026 en tot 8 september 2026;

6.2.

verklaart de beslissing onder 6.1. uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 17 juli 2026 door mr. Borm, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Vork als griffier, en op schrift gesteld op 23 juli 2026.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 Het verloop van de procedure
  2. 2 De feiten
  3. 3 Het (gewijzigde) verzoek
  4. 4 De standpunten
  5. 5 De beoordeling
  6. 6 De beslissing

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht

Locatie Middelburg

Zaaknummer: C/02/450130 / JE RK 26-1218

Datum uitspraak: 17 juli 2026

Nadere beschikking van de kinderrechter over een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing

in de zaak van

STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND,

gevestigd te Middelburg,

hierna te noemen: de GI,

over

[minderjarige],

geboren op [geboortedag] 2012 in [geboorteplaats],

hierna te noemen: [minderjarige].

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[de moeder],

hierna te noemen: de moeder,

wonende in [woonplaats],

advocaat: mr. mr. M.S. Krol te Rotterdam.

[de vader],

hierna te noemen: de vader,

wonende in [woonplaats].

Op grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg,

hierna: de Raad, de rechtbank over het verzoek geadviseerd.

1 Het verloop van de procedure

1.1.

De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:

  • de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg van 9 juli 2026 en alle daarin genoemde en opgenomen stukken;
  • de briefupdate van de GI, ontvangen op 16 juli 2026.
1.2.

De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 17 juli 2026. De zaak is vanwege de samenhang en met instemming van de aanwezigen tegelijkertijd behandeld met het verzoek van het zusje van [minderjarige], bekend onder zaaknummer C/02/450166 / JE RK 26-1232. Hierop is bij separate beschikking beslist. Bij de zitting waren aanwezig:

  • de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
  • de vader;
  • een tweetal vertegenwoordigsters van de GI.
1.3.

De kinderrechter heeft [minderjarige] naar haar mening gevraagd. Zij heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2 De feiten

2.1.

De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige].

2.2.

Bij beschikking van 8 september 2021 is [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI,

met ingang van 8 september 2021 en tot 8 december 2021. Deze maatregel is daarna steeds

verlengd, voor het laatst bij beschikking van 27 augustus 2025 tot 8 september 2026.

2.3.

Bij beschikking van 9 juli 2026 heeft de kinderrechter een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg voor de duur van twee weken verleend, te weten met ingang van 9 juli 2026 tot 23 juli 2026 en het resterende deel van het verzoek aangehouden tot de zitting van heden.

2.4.

[minderjarige] is op dit moment op een meerdaags kamp.

3 Het (gewijzigde) verzoek

3.1.

De GI verzoekt een (spoed)machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg te verlenen voor de duur van de ondertoezichtstelling, te weten tot 8 september 2026 en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De GI verzoekt hierop te beslissen zonder de belanghebbenden te horen.

3.2.

Aan de orde is de vraag of er nieuwe feiten en omstandigheden zijn die aanleiding geven voor herroeping van de beschikking van 9 juli 2026 met ingang van heden, alsmede het resterende deel van bovengenoemd verzoek van de GI om voor [minderjarige] een (spoed)machtiging tot uithuisplaatsing in een voorziening voor pleegzorg te verlenen, met ingang van 23 juli 2026 en tot 8 september 2026.

3.3.

Voorafgaand aan de zitting van 17 juli 2026 wijzigt de GI (via de briefupdate) haar verzoek in die zin dat de GI een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie voor een jeugdhulpaanbieder voor de duur van de ondertoezichtstelling verzoekt. Ook verzoekt de GI de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4 De standpunten

4.1.

De GI wijzigt haar verzoek naar een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie voor een jeugdhulpaanbieder. Op dit moment is [minderjarige] op kamp, waarna zij enkele dagen naar opa en oma vaderszijde (hierna: opa en oma vz) zal gaan en daarna naar [zorginstelling]. In aanvulling op het verzoekschrift en de briefupdate heeft de GI tijdens de zitting aangegeven dat sprake is van structurele onveiligheid van [minderjarige] in de thuissituatie bij de moeder. De moeder is overbelast en met momenten niet beschikbaar voor de kinderen. Ondanks de langdurige en intensieve inzet van hulpverlening is er nog onvoldoende verbetering zichtbaar. Ook is het netwerk al langere tijd betrokken, maar dit is onvoldoende toereikend om de zorgen weg te nemen. Daarnaast zijn er over [minderjarige] zorgen als het gaat over parentificatie; zij neemt zorgtaken van de ouders over. Belangrijk is dat [minderjarige] een stabiele opvoedsituatie gaat ervaren. Desgevraagd benoemt de GI dat opa en oma vz bereid zijn om voor de korte termijn [minderjarige] en haar zusje op te vangen, maar dat een plaatsing bij hen geen langdurige oplossing is. Voorkomen moet worden dat [minderjarige] verschillende woonplekken in korte tijd gaat krijgen. Wellicht is er een combinatie tussen het verblijf bij [zorginstelling] en opa en oma vz voor [minderjarige] mogelijk.

4.2.

Door en namens de moeder is verzocht om de spoedbeschikking van 9 juli 2026 te herroepen. De moeder betwist dat sprake is van een structurele situatie waarin de basale verzorging van de kinderen tekortschiet of waarin hun veiligheid niet kan worden gewaarborgd. Evenmin onderschrijft zij de door de GI geschetste lezing van de gebeurtenissen op en rond 5 juli 2026 en dat sprake was van een acute onveilige situatie die een onmiddellijke uithuisplaatsing noodzakelijk maakte. Het verzoek van de GI is in belangrijke mate gebaseerd op een melding van derde en subjectieve waarnemingen, terwijl objectieve verificatie van deze melding ontbreekt. Daarnaast had het op de weg van de GI gelegen om de hulpverlening te intensivering en eerst daadwerkelijk uitvoering aan de ondertoezichtstelling te geven alvorens tot een (spoed)uithuisplaatsing over te gaan.

Ten aanzien van het resterende deel van het verzoek is door en namens de moeder primair verzocht om het gewijzigde verzoek van de GI af te wijzen. De plaatsing van [minderjarige] bij [zorginstelling] is niet passend. De moeder wil dat [minderjarige] naar huis komt. Als dat niet kan, stelt de moeder dat er minder ingrijpende alternatieven mogelijk zijn. Zo staat de moeder erachter dat [minderjarige] aansluitend aan het kamp voorlopig naar opa en oma vz gaat. Dit kan in het kader van vakantie, maar subsidiair geeft de moeder aan dat dit ook binnen een machtiging tot uithuisplaatsing in het netwerk bij opa en oma vz kan. Zodra [minderjarige] bij opa en oma vz verblijft, kan de GI binnen de ondertoezichtstelling kijken wat [minderjarige] nodig heeft. Eerder was de dynamiek tussen de moeder, de vader en opa en oma vz niet goed, maar dat is nu stabieler en er is sprake van wederzijds respect. Daarnaast kan [minderjarige], ter ontlasting, ook naar [zorgbegeleiding] voor dagbesteding. Verder betwist de moeder niet dat de thuissituatie de afgelopen periode onder druk heeft gestaan. Zij erkent dat sprake is geweest van lichamelijke klachten, spanningen en overbelasting en wisselende beschikbaarheid van haar huidige partner, maar zij is bereid om aan alle noodzakelijk geachte hulpverlening mee te werken. Desgevraagd geeft de moeder aan dat er geen sprake van huiselijk geweld binnen de partnerrelatie en het gezin is. Dat de kinderen voor elkaar (moeten) zorgen klopt niet. [minderjarige] bracht soms haar jongere zusje naar school, maar dat is omdat zij dat leuk vindt.

4.3.

De vader is het niet eens met het verzoek en de manier waarop de GI rondom de spoeduithuisplaatsing van de kinderen heeft gehandeld. Dat de vader of opa en oma vz niet als minder ingrijpend alternatief zijn overwogen, vindt de vader onbegrijpelijk. De GI is op de hoogte van de thuissituatie van de vader, die al drie jaar hetzelfde is en elke week verblijft er ook een van de kinderen met medeweten van de GI bij hem thuis. Hij wil dat voor [minderjarige] binnen het netwerk wordt gekeken. Na telefonisch contact met opa en oma vz tijdens de schorsing van de zitting heeft de vader aangegeven dat zij bereid zijn om [minderjarige] en haar zusje tot 8 september 2026 op te vangen met uitzondering van een paar dagen waarop zij met de andere kinderen weg zijn of zij bij hen logeren. Op die momenten kan vader de zorg op zich nemen. Desgevraagd benoemt de vader dat wel dat hij een verslechtering van de opvoedsituatie bij de moeder ziet en dat er dingen bij [minderjarige] terecht komen waar zij niet verantwoordelijk voor moet zijn. De vader wil zich hier zo min mogelijk mee bemoeien en heeft weinig zicht op wat wel of niet klopt.

4.4.

Tijdens het gesprek met de kinderrechter heeft [minderjarige] aangegeven dat de afgelopen periode niet goed is gegaan en dat zij bij de spoeduithuisplaatsing van het balkon is gesprongen. Zij voelt zich verantwoordelijk voor haar broertje en zusjes en toen zij allen weg waren, is zij bij de moeder thuis gebleven. Op dit moment is [minderjarige] op kamp en daar heeft zij het erg naar haar zin. Na kamp gaat zij samen met haar zusje een paar dagen naar opa en oma vz. Als [minderjarige] niet met iedereen terug naar huis kan en ook niet bij haar jongste broertje kan zijn, wil zij samen met haar oudere broer bij [zorginstelling] verblijven.

5 De beoordeling

5.1.

Voorafgaand aan de inhoudelijke beoordeling van de zaak heeft de kinderrechter met de aanwezigen besproken dat de GI in haar briefupdate van 16 juli 2026 heeft opgeschreven geen uitvoering meer aan de ondertoezichtstelling te kunnen geven op het moment dat de kinderrechter ook maar ten aanzien van één van de kinderen zou overwegen om de uithuisplaatsing niet te verlengen. De GI heeft daarbij aangegeven in dat geval de opdracht terug te geven en een wijziging van de GI te verzoeken. De kinderrechter is van oordeel dat dit een oneigenlijk pressiemiddel vanuit de GI is, hetgeen niet passend is in het wettelijk kader. De kinderrechter beoordeelt het verzoek van de GI onafhankelijk en op basis van de feiten en omstandigheden zoals deze in de stukken en tijdens de zitting naar voren komen.

Spoedbeslissing machtiging tot uithuisplaatsing

5.2.

Bij beschikking van 9 juli 2026 heeft de kinderrechter een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing in een voorziening voor pleegzorg verleend met ingang van 9 juli 2026 en tot 23 juli 2026, zonder voorafgaand verhoor van de belanghebbende(n). De belanghebbende(n) zijn op 17 juli 2026 gehoord.

5.3.

De kinderrechter dient in beginsel te beoordelen of er nieuwe feiten dan wel omstandigheden naar voren zijn gekomen die maken dat de spoedbeslissing van 9 juli 2026 moet worden herroepen. Alhoewel een deel van de punten die door de advocaat van de moeder naar voren zijn gebracht wel degelijk tot vraagtekens bij de kinderrechter leidt, stelt zij vast dat er sprake is van structurele zorgen in de opvoedsituatie bij de moeder en dat de acute veiligheid van [minderjarige] ten tijde van de spoedbeslissing niet werd gewaarborgd. Op grond van de stukken en wat tijdens de zitting is besproken, is de kinderrechter van oordeel dat de situatie dusdanig onstabiel en onveilig voor [minderjarige] is dat de spoedbeslissing niet zal worden herroepen en daarmee zijn werking zal behouden.

Inhoudelijke beoordeling resterende deel van het (spoed)verzoek

5.4.

Ingevolge artikel 1:265b lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna te noemen: BW) kan de kinderrechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot

onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.

5.5.

De kinderrechter zal het resterende deel van het (spoed)verzoek tot het verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing voor [minderjarige] toewijzen, maar anders dan door de GI is verzocht zal de kinderrechter het mindere toewijzen en in plaats van een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder een machtiging tot uithuisplaatsing in het netwerk bij opa en oma vaderszijde verlenen, te weten tot 8 september 2026. Zij legt deze beslissing hierna uit.

5.6.

De kinderrechter stelt vast dat sprake is van langdurige en structurele zorgen binnen het gezin en in de opvoedsituatie van [minderjarige], waarbij het de moeder onvoldoende lukt om [minderjarige] structureel een emotioneel veilige, stabiele en voorspelbare opvoedomgeving te bieden. Er is een patroon zichtbaar van afwezigheid en beperkte beschikbaarheid van de huidige partner van de moeder, hetgeen ook in de recente observaties van [thuiszorg] naar voren komt. Dit in combinatie met de langdurige lichamelijke en psychische klachten en overbelasting van de moeder maakt dat er met momenten geen ouder in de opvoedsituatie van [minderjarige] bij de moeder thuis voor de kinderen beschikbaar is. Op die momenten proberen [minderjarige] en haar zusje de zorg voor de jongere kinderen op zich te nemen. Ten aanzien van [minderjarige] maakt de kinderrechter zich dan ook zorgen over parentificatie. Er zijn signalen dat [minderjarige] binnen het gezin een verantwoordelijkheid draagt die niet past bij haar leeftijd en dat zij wordt belast met opvoedende taken en volwassenproblematiek. Dat de moeder de afgelopen periode onder druk heeft gestaan en dat er sprake is geweest van lichamelijke klachten, spanningen en overbelasting is door en namens de moeder ook niet betwist. Daarnaast maakt de kinderrechter zich zorgen over de dynamiek tussen de moeder en haar huidige partner waarvan ook [minderjarige] getuige is geweest en waarbij er signalen van conflicten met verbale agressie en mogelijk huiselijk geweld – ook richting [minderjarige] – zijn. Dit alles maakt dat er structurele spanningen binnen de partnerrelatie en het gezin zijn en dat de veiligheid, stabiliteit en basale zorg voor [minderjarige] met momenten tekortschiet. Het is de kinderrechter gebleken dat er al langdurig hulpverlening bij het gezin betrokken is, voorheen ook binnen het vrijwillig kader en dat het netwerk van de ouders waar nodig bijspringt maar geen duurzame oplossing is. Dit maakt dat de kinderrechter van oordeel is dat [minderjarige] voor nu niet terug naar huis kan. Anders dan de GI vindt de kinderrechter het gelet op de kwetsbaarheid van [minderjarige] voor nu niet passend als zij, na het kamp en na een paar dagen bij opa en oma vz te zijn geweest, naar [zorginstelling] zou gaan. Tijdens de zitting heeft de GI niet nader kunnen onderbouwen waarom EvidEndt passend voor [minderjarige] is en dit de voorkeur boven een tijdelijke plaatsing in het netwerk bij opa en oma vz zou moeten hebben. Na telefonisch contact door de vader met opa en oma vz is duidelijk geworden dat opa en oma vz bereid zijn om [minderjarige] en haar zusje tot 8 september 2026 op te vangen. De kinderrechter vindt dit meer in het belang van [minderjarige] en passend bij de situatie en zal om die reden – met instemming van de ouders en in het licht van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind – het mindere toewijzen en een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in het netwerk bij opa en oma vz tot het einde van de ondertoezichtstelling en daarmee tot 8 september 2026 verlenen.

5.7.

Dat [minderjarige] voor nu in het netwerk van opa en oma vz wordt geplaatst, betekent niet per se dat dit voor de langere termijn de beste optie is. De plaatsing van [minderjarige] bij opa en oma vz is bedoeld ter overbrugging, waarbij de GI in de tussentijd dient te onderzoeken of [minderjarige] terug naar huis kan en wat daarvoor nodig is en als dat niet het geval is, waar [minderjarige] dan wel blijvend zou moeten opgroeien. Van de ouders verwacht de kinderrechter dat zij met de GI en de hulpverlening in het belang van [minderjarige] (blijven) samenwerken en samen met de GI gaan overleggen hoe de dagen dat opa en oma vz met de andere kinderen een dagje weg zijn of zij bij hen logeren voor [minderjarige] en haar zusje kunnen worden opgevangen. Aan de GI geeft de kinderrechter tot slot mee dat het aan de GI is om een nieuw verzoek bij de rechtbank in te dienen op het moment dat de plaatsing van [minderjarige] bij opa en oma vz onverhoopt niet (langer) houdbaar is.

5.8.

De kinderrechter verklaart de beslissing om de machtiging tot uithuisplaatsing af te geven uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat. De kinderrechter doet dit, omdat het voor de ontwikkeling van [minderjarige] noodzakelijk is dat de beslissing ondanks een eventueel hoger beroep meteen uitgevoerd kan worden.

6 De beslissing

De kinderrechter:

6.1.

verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in het netwerk bij opa en oma vaderszijde met ingang van 23 juli 2026 en tot 8 september 2026;

6.2.

verklaart de beslissing onder 6.1. uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 17 juli 2026 door mr. Borm, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Vork als griffier, en op schrift gesteld op 23 juli 2026.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.