Uitspraak · Personen- en familierecht
Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 17 juli 2026
ECLI:NL:RBZWB:2026:7788Zaaknummer C/02/446051 FA RK 26/1339
- Instantie
- Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Datum uitspraak
- 17 juli 2026
- Publicatiedatum
- 28 september 2026
- Zaaknummer
- C/02/446051 FA RK 26/1339
- Rechtsgebied
- Civiel recht, Personen- en familierecht
- Procedure
- Rekestprocedure, Beschikking
- Zittingsplaats
- Breda
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Gelasten raadsonderzoek naar eenhoofdig gezag en zorgregeling. Teveel onduidelijkheden wat in het belang van de minderjarige is.
De rechtbank:
verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming locatie Breda een onderzoek in te stellen ter beantwoording van de in 4.7. vermelde vragen en daarover te rapporteren en te adviseren, welk rapport uiterlijk op 18 januari 2027 bij de rechtbank dient te worden ingediend, zulks onder gelijktijdige verstrekking van een afschrift daarvan aan de advocaten van partijen;
verzoekt de advocaten van partijen uiterlijk op 1 februari 2027 hun reactie op het rapport van de Raad in te dienen bij de rechtbank en het verdere gewenste verloop van de procedure aan te geven;
houdt de zaak aan tot 1 februari 2027 PRO FORMA;
houdt zich iedere verdere beslissing voor.
Deze beschikking is gegeven door mr. Van de Kraats, en, in tegenwoordigheid van mr. Mandemakers, griffier, in het openbaar uitgesproken op 17 juli 2026.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Breda
Zaaknummer: C/02/446051 FA RK 26/1339
datum uitspraak: 17 juli 2026
beschikking betreffende verdeling van de zorg- en opvoedingstaken
in de zaak van
[de man],
wonende te [woonplaats],
hierna te noemen de man,
advocaat mr. A. Elias,
en
[de vrouw],
wonende te [woonplaats],
hierna te noemen de vrouw,
advocaat mr. J. Nederlof.
1 Het procesverloop
1.1 Dit blijkt uit de volgende stukken:
- het op 13 maart 2026 ontvangen verzoekschrift met bijlagen;
- het op 30 juni 2026 ontvangen verweerschrift tevens houdende zelfstandig verzoek met bijlagen;
- de brief van mr. Elias van 3 juli 2026 met bijlagen.
1.2 De zaak is behandeld op de mondelinge behandeling van 7 juli 2026. Bij die gelegenheid zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaat. Tevens was aanwezig een vertegenwoordigster van de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, hierna te noemen de Raad.
2 De feiten
Blijkens de stellingen en overgelegde stukken staat tussen partijen het volgende vast:
- partijen hebben een relatie met elkaar gehad.
- uit hun relatie is het volgende, nu nog minderjarige kind geboren: [minderjarige], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2024.
- Partijen zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over die minderjarige;
- er is geen rechterlijke uitspraak van kracht ter zake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken.
Partijen hebben een turbulente relatie met elkaar gehad. Vanaf 2023 zijn partijen al in beeld bij de hulpverlening. In januari 2026 heeft er een incident plaatsgevonden. Sinds eind januari 2026 heeft de man [minderjarige] niet meer gezien.
Bij vonnis van 16 april 2026 heeft de voorzieningenrechter een gebieds- en contactverbod opgelegd aan de man rondom de woning van de vrouw en kinderopvang van [minderjarige] gedurende een jaar. De voorzieningenrechter heeft daarbij geoordeeld dat zij gelet op alle gebeurtenissen en er sprake is geweest van meermaals onrechtmatig handelen van de man richting de vrouw en dit zich in het verleden meermaals heeft voorgedaan, dat zij daarin een patroon ziet. Dat patroon maakt volgens de voorzieningenrechter dat sprake is van een reële dreiging van toekomstig onrechtmatig handelen door de man richting de vrouw.
3 De verzoeken
De man verzoekt:
- Te bepalen dat hij met ingang van de datum van de beschikking recht heeft op begeleide omgang met [minderjarige] van minimaal 2 uur per week onder begeleiding van [hulpverlening 1] of de Gezinsmanager waarbij de regie tot uitbreiding bij de begeleidende organisatie ligt;
- Een dwangsom op te leggen aan de vrouw van € 250,= voor iedere keer dat zij een begeleid moment niet nakomt met een maximum van € 5.000,=;
- De procedure tot vaststelling van een definitieve regeling aan te houden in afwachting van het verloop en het advies vanuit de begeleidende organisatie gedurende het traject waarbij de man zich het recht voorbehoudt op basis hiervan nog aanvullende verzoeken te doen;
- De beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
De vrouw heeft verweer gevoerd en verzocht de verzoeken van de man af te wijzen.
Bij wege van zelfstandig verzoek verzoekt de vrouw:
- Het gezamenlijk gezag van partijen over [minderjarige] te beëindigen en te bepalen dat voortaan het gezag alleen toekomt aan de vrouw.
4 De beoordeling
Ingevolge artikel 1:253a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kunnen geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het gezag op verzoek van de ouders of van een van hen aan de rechtbank worden voorgelegd. De rechtbank neemt alsdan een zodanige beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt.
Ingevolge artikel 1:253a lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechtbank op verzoek van de ouders of een van hen een regeling vaststellen inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag. Op grond van lid 2 van dit artikel kan deze regeling onder meer een aan ieder der ouders van de zorg- en opvoedingstaken omvatten.
Ingevolge artikel 1:253n van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders of een van hen het gezamenlijk gezag beëindigen, indien de omstandigheden zijn gewijzigd of bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Alsdan bepaalt de rechtbank aan wie van de ouders voortaan het gezag over ieder der minderjarige kinderen toekomt. Ingevolge artikel 1:253n lid 2 BW is artikel 1:251a lid 1 BW van overeenkomstige toepassing. Op grond van laatstgenoemde bepaling kan de rechter bepalen dat het gezag over minderjarigen aan één ouder toekomt indien er een onaanvaardbaar risico is dat bij instandhouding van gezamenlijk gezag van beide ouders de kinderen klem of verloren zouden raken tussen die ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen of indien wijziging van het gezag anderszins in het belang van de minderjarigen noodzakelijk is
De man stelt dat de relatie van partijen gekenmerkt wordt door aantrekken en afstoten. Zodra de relatie in een fase zit waarin partijen niet goed met elkaar communiceren, dan houdt de vrouw [minderjarige] als eerste bij de man weg. De man reageert hier dan weer zeer actief op en heeft dan moeite om zijn frustraties in toom te houden. Medio oktober 2025 is met ouders afgesproken dat zij met hulpverlening aan de slag zouden gaan om afspraken te maken voor de situatie wanneer het niet goed gaat met partijen. De uitkomst hiervan zou gecommuniceerd worden aan advocaten zodat er een ouderschapsplan zou kunnen worden opgesteld. Doordat partijen zich weer verzoenden is dit op een laag pitje komen te staan. In januari 2026 is de vlam in de pan gevlogen en sindsdien ziet vader [minderjarige] niet meer. Namens vader is contact opgenomen met [hulpverlening 2], met de vraag wat de hulpverlening voor vader kan betekenen, nu hij [minderjarige] niet meer mag zien. [hulpverlening 2] heeft aangegeven dat [hulpverlening 1] en DGM kunnen helpen bij begeleide omgang, maar daarvoor is toestemming van de vrouw voor nodig. Zij heeft deze tot op heden niet gegeven. [minderjarige] is nog heel jong en het is belangrijk voor de hechting met haar vader dat zij op regelmatige basis contact met hem heeft, als is het onder toezicht. Vader is zeer open over zijn drugsprobleem. Hij zet zich nu actief in om zijn verslaving onder controle te krijgen omdat hij graag onbegeleide omgang heeft met [minderjarige]. Ter zitting is namens de man toegelicht dat er een traject bij Novadic Kentron loopt. Op maandag en vrijdag zijn er belcontacten en op de woensdag vinden er gesprekken plaats met de vaste begeleider van de man en een arts. De man heeft nu ook medicatie gekregen waardoor hij meer rust kan ervaren. Het traject wordt nu bijna drie maanden goed nagekomen door de man. Daarom het verzoek van de man zoals weergegeven onder 3.1. De man vreest dat de vrouw weinig motivatie heeft haar medewerking te verlenen aan de begeleide omgang, daarom heeft de man verzocht een dwangsom op te leggen. En hoewel de man zich bewust is van zijn verslaving, heeft de man ook zijn zorgen over de opvoed- en thuissituatie van de vrouw. [minderjarige] heeft de man namelijk al een half jaar niet meer gezien en in dat tijdsbestek heeft [minderjarige] gedrag laten zien dat zorgelijk is. Ter zitting is namens de man naar voren gebracht dat als er een onderzoek door de Raad wordt gelast, dat niet wegneemt dat er direct gestart kan worden met begeleide omgang zodat de resultaten daarvan meegenomen kunnen worden in dat onderzoek.
Volgens de vrouw kenmerkt de relatie van partijen zich als een situatie van dwingende controle en intieme terreur. Tijdens de zwangerschap is de vrouw door een geweldsincident op straat komen te staan. De man is destijds strafrechtelijk veroordeeld voor mishandeling. Verder kampt de man met een ernstige middelenverslaving (alcohol en cocaïne en andere verdovende middelen) en heeft zich tot op heden niet bereid getoond om zich duurzaam te laten behandelen. Nergens blijkt uit dat hij een positieve ontwikkeling heeft doorgemaakt in de behandeling van zijn verslavingsproblematiek. De vrouw heeft er ook geen vertrouwen in dat de man op korte termijn positieve stappen zal doormaken op weg naar herstel. De vrouw acht het schadelijk voor [minderjarige] als zij op enige manier geconfronteerd zou worden met middelengebruik of de uitwerkingen daarvan. Door MET en [hulpverlening 2] zijn de gebeurtenissen van de afgelopen jaren in kaart gebracht (productie 3). In het verleden heeft de man ook herhaaldelijk schade aangebracht aan de woning van de vrouw. Ook is de man een keer haar woning binnen gedrongen en heeft haar bedreigd. Op 28 januari 2026 heeft de man de vrouw ernstig mishandeld in het bijzijn van [minderjarige]. De vrouw heeft aangifte hiervan gedaan bij de politie. Zij heeft hierna ook aan de man laten weten dat zij geen contact meer met hem wenste. Aangezien de man hieraan geen gehoor gaf, heeft de vrouw een kort geding procedure aangespannen. De voorzieningenrechter heeft de man een gebieds- en contactverbod opgelegd voor de duur van een jaar. Sinds dat vonnis is er meer rust ontstaan, maar sinds enkele weken neemt de onrust weer toe. De vrouw onderschrijft het contact tussen [minderjarige] en haar vader, tegelijkertijd is zij reeds meermaals getuige geweest van ernstig geweld. Dit heeft effect op haar gedrag. De vrouw acht het daarom niet in het belang van [minderjarige] om een zorg- en contactregeling vast te stellen. Het recht op contact vindt zijn grens waar omgang ernstig nadeel op zou leveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van het kind of anderszins in strijd is met de belangen van het kind. De rechtbank zal op basis van nationale en internationale wetgeving bij de beslissing rekening moeten houden dat de rechten en veiligheid van [minderjarige] en de vrouw gewaarborgd blijven. Er zijn op dit moment geen mogelijkheden om een zorg- en contactregeling vast te leggen tussen de man en [minderjarige]. De man zal eerst duurzaam hulpverlening dienen te accepteren om te werken aan de behandeling van zijn verslaving en dat traject met goed gevolg af dienen te ronden, alvorens kan worden gedacht aan een vorm van contact tussen de man en [minderjarige]. Het hervatten van contact tussen de man en [minderjarige] dient op een zorgvuldige en verantwoorde manier te worden ingekleed en daar is op dit moment (nog) geen ruimte voor. Ter zitting is namens de vrouw naar voren gebracht dat een onderzoek door de Raad noodzakelijk is om te kijken op welke manier er veilig en duurzaam contact kan zijn tussen [minderjarige] en haar vader. Daarbij dient meegenomen te worden wat [minderjarige] nodig heeft, en welke problematiek er nu bij haar speelt als gevolg van de gebeurtenissen. Er moet ook stevig regie op worden gevoerd, de [hulpverlening 2] is daarvoor naar de mening van de vrouw te licht. Er zal wellicht uit het raadsonderzoek komen dat een beschermingsmaatregel nodig is. Dit raadsonderzoek moet er komen, ongeacht of het verzoek tot eenhoofdig gezag wordt toe- of afgewezen.
Voorts verzoekt de vrouw het gezamenlijk gezag te beëindigen. Volgens de vrouw is aan de wettelijke eisen voldaan voor het beëindigen van gezamenlijk gezag. Er bestaat een te groot risico dat [minderjarige] klem komt te zitten of verloren raakt tussen haar ouders en de vrouw verwacht niet dat dat binnen afzienbare tijd beter zal worden. De minimale noodzakelijke basis voor gezamenlijk gezag ontbreekt al geruime tijd tussen partijen. Sinds de geboorte van [minderjarige] is het partijen niet gelukt om het gezag samen in te vullen zonder dat [minderjarige] wordt belast met de persoonlijke problematiek van de man en de uiterst moeizame communicatie tussen partijen. De man weigert ook toestemming te verlenen voor een reisdocument voor [minderjarige] en ook is de man het er niet mee eens dat [minderjarige] met de vrouw op vakantie gaat. Voorts ziet de vrouw al jaren geen vooruitgang in de persoonlijke problematiek van de man. Ook de huidige gebieds- en contactverboden zetten de man niet aan om hulp te accepteren. Van de vrouw kan niet worden verwacht, mede gelet op de relevante bepalingen uit het Verdrag van Istanbul, dat zij contact opneemt met de man om belangrijke zaken omtrent [minderjarige] af te stemmen. Mocht de rechtbank menen onvoldoende geïnformeerd te zijn dan verzoekt de vrouw een onderzoek door de Raad of het in het belang van [minderjarige] is dat het gezag door beide ouders wordt uitgeoefend.
Ter zitting hebben beide advocaten een bevlogen betoog gehouden dat een raadsonderzoek noodzakelijk is, nadat de Raad ter zitting te kennen heeft gegeven daartoe niet bereid te zijn. De rechtbank heeft geconstateerd dat er over en weer zorgen bestaan, over de verslaving van de vader, de opvoed- en thuissituatie van de moeder en wat er precies aan de hand is met [minderjarige], gelet op haar gedragswijziging. Onvoldoende inzichtelijk is of deze zorgen in objectieve zin gegrond zijn. Hoewel het in beginsel voor rekening en risico van partijen is dat zij geen onderbouwende stukken hebben ingediend, neemt dit de zorgen die ter zitting herhaaldelijk geuit zijn door advocaten niet weg. Volgens beide advocaten speelt er veel meer onderliggende problematiek bij partijen, kan de verantwoordelijkheid niet bij de ouders worden gelegd om juiste hulpverlening in te schakelen en is er onderzoek nodig zodat minutieus weergegeven kan worden welke hulpverlening, voorwaarden en eventuele veiligheidsmaatregelen nodig zijn zodat [minderjarige] onbelast contact kan hebben met beide ouders. Daarnaast kan onderzocht worden of gezamenlijk gezag van de ouders in het belang van [minderjarige] is. Gelet op het voorgaande acht de rechtbank zich onvoldoende voorgelicht om reeds nu al een definitieve beslissing te nemen op de voorliggende verzoeken.
De rechtbank verzoekt de Raad daarom om een onderzoek in te stellen ter beantwoording van de volgende vragen:
- Bestaat er, bij instandhouding van het gezamenlijk gezag van beide ouders, een onaanvaardbaar risico dat de minderjarige klem of verloren zal raken tussen de ouders en is niet te verwachten dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zal komen of is het anderszins in het belang van de minderjarige te achten om af te wijken van het in de wet neergelegde uitgangspunt dat de ouders gezamenlijk het gezag uitoefenen?
- Welke vorm van contact met de man komt het meest tegemoet aan de belangen van de minderjarige?
- Zijn er contra-indicaties voor omgang en zo ja, welke?
- In hoeverre zijn deze contra-indicaties op te heffen; hoe, onder welke voorwaarden en op welke termijn?
Het staat de Raad vrij het onderzoek – indien nodig – uit te breiden naar een beschermingsonderzoek.
In afwachting van de rapportage van de Raad zal de behandeling van de zaak worden aangehouden tot 18 januari 2027.
In de tussenliggende periode acht de rechtbank het niet in het belang van [minderjarige] dat er begeleide contactmomenten worden georganiseerd tussen haar en de vader. Eerst dient in kaart gebracht te worden of het voldoende veilig is en in haar belang is om een start te maken met contactherstel. Niets is schadelijker voor [minderjarige] dan dat het contact wordt opgestart en daarna weer moet worden gestopt. Zorgvuldigheid en een duurzaam herstel van contact dienen voorop te staan.
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.
5 De beslissing
De rechtbank:
verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming locatie Breda een onderzoek in te stellen ter beantwoording van de in 4.7. vermelde vragen en daarover te rapporteren en te adviseren, welk rapport uiterlijk op 18 januari 2027 bij de rechtbank dient te worden ingediend, zulks onder gelijktijdige verstrekking van een afschrift daarvan aan de advocaten van partijen;
verzoekt de advocaten van partijen uiterlijk op 1 februari 2027 hun reactie op het rapport van de Raad in te dienen bij de rechtbank en het verdere gewenste verloop van de procedure aan te geven;
houdt de zaak aan tot 1 februari 2027 PRO FORMA;
houdt zich iedere verdere beslissing voor.
Deze beschikking is gegeven door mr. Van de Kraats, en, in tegenwoordigheid van mr. Mandemakers, griffier, in het openbaar uitgesproken op 17 juli 2026.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.