Uitspraak · Personen- en familierecht

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 16 juli 2026

ECLI:NL:RBZWB:2026:7772Zaaknummer C/02/448789 / JE RK 26-950

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
16 juli 2026
Publicatiedatum
28 september 2026
Zaaknummer
C/02/448789 / JE RK 26-950
Rechtsgebied
Civiel recht, Personen- en familierecht
Procedure
Rekestprocedure, Beschikking
Zittingsplaats
Breda
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Ondertoezichtstelling

6 De beslissing

De kinderrechter:

6.1.

stelt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht van de Stichting Jeugdbescherming Brabant, locatie Etten-Leur, met ingang van 16 juli 2026 tot 16 juli 2027;

6.2.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 16 juli 2026 door mr. Van den Broek, kinderrechter, in aanwezigheid van Van Dongen als griffier, en op schrift gesteld op 29 juli 2026.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 Het verloop van de procedure
  2. 2 De feiten
  3. 3 Het verzoek
  4. 4 De standpunten
  5. 5 De beoordeling
  6. 6 De beslissing

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht

Locatie Breda

Zaaknummer: C/02/448789 / JE RK 26-950

Datum uitspraak: 16 juli 2026

Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling

in de zaak van

RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING ZEELAND-WEST-BRABANT,

locatie Breda,

hierna te noemen de Raad,

over

[minderjarige 1], geboren op [geboortedag 1] 2014 te [geboorteplaats],

hierna te noemen [minderjarige 1],

[minderjarige 2], geboren op [geboortedag 2] 2015 te [geboorteplaats],

hierna te noemen [minderjarige 2].

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[de moeder],

hierna te noemen de moeder,

wonende op een bij de rechtbank bekend geheim adres,

advocaat mr. R. Joosen te Oosterhout,

[de vader],

hierna te noemen de vader,

wonende op een bij de rechtbank bekend geheim adres.

De kinderrechter merkt als informant aan:

de gecertificeerde instelling STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT, locatie Etten-Leur, hierna te noemen de GI.

1 Het verloop van de procedure

1.1.

De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:

- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 13 april 2026.

1.2.

De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 16 juli 2026. Daarbij waren aanwezig:

- de vader;

- de moeder met haar advocaat;

- een vertegenwoordigster van de Raad.

1.3.

Hoewel de GI ook is uitgenodigd voor de mondelinge behandeling, is er namens de GI niemand verschenen.

1.4.

De kinderrechter heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar hun mening gevraagd. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben op 15 juli 2026 een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren. De kinderrechter heeft tijdens de zitting aangegeven dat zowel [minderjarige 1] als [minderjarige 2] graag door de moeder geïnformeerd willen worden over de uitkomst van de zitting.

2 De feiten

2.1.

[minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn geboren uit de relatie van ouders. Zij zijn beiden erkend door de vader.

2.2.

De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1]. De moeder is alleen belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 2].

2.3.

[minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen bij de moeder.

3 Het verzoek

3.1.

De Raad verzoekt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4 De standpunten

4.1.

De Raad heeft in het rapport Raadsonderzoek van 26 mei 2026 (hierna het raadsrapport) de achtergrond bij zijn verzoek geschetst. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de Raad nog een toelichting gegeven op dat verzoek. De Raad is van mening dat het noodzakelijk is dat er een ondertoezichtstelling komt voor de duur van een jaar. De kinderen zitten in een loyaliteitsconflict. De Raad denkt dat de moeder de kinderen onvoldoende emotionele toestemming geeft om hun vader te zien en dat leuk te vinden. De Raad maakt zich ernstige zorgen dat dit uiteindelijk tot een definitieve contactbreuk gaat leiden. Dit leidt tot een bedreiging voor de identiteitsontwikkeling van de kinderen. Op dit moment stoppen met het contact tussen de kinderen geeft enkel schijnrust. De vader is en blijft immers de vader.

Er is hulpverlening geweest in het vrijwillig kader maar de ouders verschillen van mening over of en hoe de omgang moet worden voorgezet. De Raad vindt dat er gekeken moet worden of er tussen de ouders een verbeterslag gemaakt kan worden in het onderlinge vertrouwen en daarmee dan in de communicatie.

De Raad vindt dat de bal echt bij de vader ligt. Hij zal echt aan zichzelf moeten werken. Hij moet herkennen en erkennen dat de kinderen zich onveilig hebben gevoeld. Maar de Raad vindt zeker ook dat er een rol voor de moeder is in dit geheel. Zij ondersteunt de kinderen onvoldoende om naar de vader te gaan. Met hulpverlening kan de moeder leren hoe zij de kinderen beter kan ondersteunen. Hulpverlening kan inzicht geven in bewust en onbewust gedrag. De Raad is in ieder geval van mening dat datgene wat er gebeurd is in het verleden, een volledige contactbreuk niet rechtvaardigt.

4.2.

Door en namens de moeder is tijdens de mondelinge behandeling aangegeven dat zij zich niet kan verenigen met het verzoek van de Raad. Zij vindt een ondertoezichtstelling niet nodig. De moeder begint met te zeggen dat zij voorzichtig is in het kiezen van haar woorden omdat alles wat zij zegt door de hulpverlening uit zijn verband getrokken wordt. De moeder vindt het heel belangrijk dat de kinderen meer rust krijgen. De kinderen moeten zich op school kunnen concentreren. De omgang met hun vader leidt tot te veel stress. Als voorbeeld waaruit dit blijkt noemt zij dat het schooladvies van [minderjarige 1] van vwo naar havo is gegaan. Het laatste contact tussen de vader en de kinderen heeft maar 17 minuten geduurd. De begeleider heeft de moeder toen gebeld en gevraagd de kinderen op te halen omdat ze niet begeleidbaar waren en omdat dit op deze manier niet goed was voor de kinderen. De moeder is van mening dat hoe meer er aan de kinderen getrokken wordt, hoe meer ze zich af zullen zetten. Zij benadrukt dat zij de kinderen niet belemmert om contact te hebben met de vader. Dit komt echt uit de kinderen zelf. Zij houdt zich in ieder geval aan de afspraak dat er één keer per drie weken omgang is. Volgens de moeder wordt de schuld te veel bij haar gelegd. Zij zou onvoldoende openstaan voor de omgang. Dat is volgens haar niet zo. Zij is van mening dat de vader eerst hulp zou moeten zoeken. Voor wat betreft hulp bij het verbeteren van de communicatie met de vader geeft de moeder aan dat zij er geen vertrouwen meer in heeft dat de communicatie tussen haar en de vader nog zal verbeteren.

De advocaat van de moeder heeft nog opgemerkt dat er te veel voorbij gegaan wordt aan wat de kinderen hebben meegemaakt in de thuissituatie. Het gaat te veel over de omgang en de oudercommunicatie en te weinig over de vraag hoe het is gekomen dat de situatie is zoals die nu is. Het is voor de moeder heel belangrijk dat daar meer aandacht voor komt. Door Veilig Thuis en CJG is gezegd dat de kinderen de mogelijkheid moeten krijgen de traumatische ervaringen te verwerken. Bij de moeder bestaat de indruk dat het feit dat de kinderen geen omgang willen met de vader volledig bij haar gelegd wordt, terwijl de vader daarin zeker ook een aandeel heeft gehad. De kinderen hebben uitgesproken dat zij zich onveilig hebben gevoeld en duidelijk is dat de omgangsmomenten ook geen positieve ervaringen hebben gebracht. De vraag is of het in het belang van de kinderen is als zij keer op keer hun verhaal moeten doen bij de hulpverlening. En de advocaat vraagt zich af of het niet wat te gemakkelijk is te zeggen dat de moeder emotionele toestemming moet verlenen aan de kinderen voor omgang met de vader als zij zelf al jarenlang onder behandeling is van een psycholoog om haar verleden met de vader te verwerken.

4.3.

De vader heeft tijdens de mondelinge behandeling aangegeven dat hij een ondertoezichtstelling spannend vindt maar dat hij open staat voor alles wat nodig is om de situatie te verbeteren. De vader heeft gemerkt dat de kinderen anders op hem zijn gaan reageren. Hij ziet de kinderen maar weinig; ongeveer één keer in de drie weken. De vader hoopt dat de ondertoezichtstelling ertoe leidt dat er meer en beter contact komt met de kinderen. De vader geeft verder aan dat hij één keer per week een appje ontvangt met daarin informatie over de kinderen. De inhoud van het appje is altijd heel summier en als hij daarna een vraag stelt krijgt hij daarop geen antwoord. Andere communicatie dan dit ene appje per week is er niet tussen hem en de moeder.

Na het horen van de samenvattingen van de kindgesprekken geeft de vader aan dat hij zijn stem inderdaad wel kan verheffen en dat dit mogelijk hard over gekomen is. En hij heeft [minderjarige 2] wel eens op de gang gezet als zij niet luisterde maar dat was nooit van lange duur omdat [minderjarige 2] dan binnen korte tijd boven zat te spelen.

4.4.

[minderjarige 1] heeft de kinderrechter -samengevat- verteld dat het goed met haar gaat. Ze dacht dat ze op de rechtbank was om iets over [de vader] te zeggen. [minderjarige 1] vindt zelf dat ze geen hulp nodig heeft en haar zusje ook niet. Of haar ouders hulp nodig hebben weet ze niet.

[minderjarige 1] heeft verder nog verteld dat ze haar vader niet meer wil zien maar dat dit wel moet van de kinderbescherming. Als het aan haar ligt dan zou ze hem niet meer zien. Dat komt omdat hij haar vroeger toen de ouders nog met elkaar samenleefden pijn heeft gedaan. Dat was dan pijn met woorden (door schreeuwen en schelden). [minderjarige 1] vindt dat als haar vader echt van haar houdt hij dan zou zeggen dat ze niet meer hoeft te komen als ze dat niet wil. Verder heeft ze gezegd dat als ze dan omgang moet hebben, ze wil dat die omgang op een openbare plaats is en niet bij de vader thuis.

4.5.

[minderjarige 2] heeft de kinderrechter -samengevat- verteld dat het goed gaat met haar. [minderjarige 2] dacht dat ze kwam praten over [de vader]. [minderjarige 2] heeft geen hulp (meer) nodig, omdat ze al hulp gehad heeft van een psycholoog en een kindercoach. Haar moeder heeft ook zelf al hulp, dus ze denkt niet dat er nog hulp nodig is. De enige die misschien hulp nodig heeft, is [de vader] volgens [minderjarige 2].

[minderjarige 2] geeft aan dat zij haar vader eigenlijk niet meer wil zien. Vooral in het oude huis was hij gemeen. Ze vond het niet fijn omdat hij haar en haar zusje uitschold en als ze iets verkeerd deed kneep hij in haar arm en zette hij haar op de gang. Haar vader wordt heel snel boos. Verder heeft [minderjarige 2] gezegd dat de moeder tegen de kinderen heeft gezegd, als jullie naar [de vader] willen dan steun ik dat, als jullie niet willen gaan dan steun ik dat ook.

5 De beoordeling

5.1.

De kinderrechter kan op grond van artikel 1:255 eerste lid van het Burgerlijk Wetboek (BW) een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarig zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. Daarnaast moet:a. de zorg die in verband met het wegnemen van deze bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouder(s) die het gezag uitoefenen, niet of onvoldoende door hen worden geaccepteerd, enb. de verwachting gerechtvaardigd zijn dat de ouder(s) die het gezag uitoefenen de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van de minderjarige in staat zijn te dragen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbare termijn.

5.2.

De kinderrechter is op basis van de stukken en hetgeen tijdens de mondelinge behandeling is besproken van oordeel dat aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling is voldaan. Er is sprake van een ernstige ontwikkelingsbedreiging bij de kinderen en hulpverlening in een gedwongen kader is noodzakelijk om die bedreiging weg te nemen. De ontwikkelingsbedreiging vindt zijn oorsprong in omgang met de vader, of het gebrek daaraan. Maar ook de communicatie tussen de ouders, of eigenlijk het ontbreken daarvan, leidt tot een ontwikkelingsbedreiging voor de kinderen. De moeder zegt dat zij de kinderen vrij laat in het contact. Dat zij dat tegen de kinderen zegt, dat gelooft de kinderrechter ook. Een van de kinderen heeft dat overigens ook bevestigd tijdens het kindgesprek. Maar alleen uitspreken dat de kinderen omgang mogen hebben met de vader maakt nog niet dat de kinderen zich dus ook volledig vrij voelen in die keuze. De kinderrechter maakt zich zorgen over de vraag of de moeder de kinderen ook daadwerkelijk emotionele toestemming geeft. Uit hetgeen de moeder over de vader zegt en ook de wijze waarop ze over hem spreekt, bestaat bij de kinderrechter de indruk dat de moeder zelf nog veel moeite heeft met de vader. Dat krijgen de kinderen (onbedoeld) mee en mogelijk belemmert dit hen in het hebben van onbelaste omgang met de vader. Verder blijkt uit het raadsrapport en uit de kindgesprekken dat er bij de kinderen nog veel emoties spelen over gebeurtenissen uit het verleden. Naar het oordeel van de kinderrechter moet uitgezocht worden of bij de kinderen sprake is van een trauma en zo ja, op welke wijze dit een plaatsje kan krijgen.

Verder zal er aandacht moeten komen voor de vraag hoe deze ouders het ouderschap goed vorm kunnen geven. De vader en de moeder blijven immers gezamenlijk de ouders van deze twee kinderen. De ouders hebben in het verleden hulpverlening in het vrijwillig kader gehad, dit heeft niet voldoende opgeleverd, zodat de kinderrechter van oordeel is dat de hulpverlening in een gedwongen kader noodzakelijk is.

5.3.

De ondertoezichtstelling is vanwege bovengenoemde redenen nodig. De kinderrechter stelt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht voor de duur van één jaar. Gewerkt zal worden aan de volgende doelen:

- [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben onbelast en structureel contact met beide ouders;

- [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ervaren emotionele toestemming en ruimte van moeder om onbelast contact met vader te hebben en nieuwe positieve ervaringen met hem op te doen;

- [minderjarige 1] en [minderjarige 2] kunnen hun ervaringen vanuit het contact met vader delen met een professional (zoals een leerkracht, coach of hulpverlener) die hier op een neutrale manier met hen over kan hebben;

- [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben ouders die een manier hebben gevonden om het ouderschap gezamenlijk vorm te geven;

- [minderjarige 1] en [minderjarige 2] krijgen hulp bij het onder woorden brengen van hun (traumatische) ervaringen uit het verleden en blijkt dat dit nodig is dan krijgen zij hulp om deze (traumatische) ervaringen te verwerken.

5.4.

Om bovengenoemde doelen te bereiken is het noodzakelijk om:

- de huidige hulpverlening rondom de omgangen tussen de vader en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voort te zetten;

- hulpverlening te zoeken voor de moeder waarin zij actief wordt ondersteund in het geven van emotionele toestemming aan [minderjarige 1] en [minderjarige 2] om contact met de vader te hebben;

- ondersteuning te zoeken voor de ouders in het verbeteren van hun onderlinge communicatie en samenwerking, (eventueel) door middel van het opstellen van een nieuw gedragen ouderschapsplan;

- onderzoek te doen naar de vraag of er bij [minderjarige 1] en [minderjarige 2] sprake is van traumatische ervaringen uit het verleden.

5.3.

De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6 De beslissing

De kinderrechter:

6.1.

stelt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht van de Stichting Jeugdbescherming Brabant, locatie Etten-Leur, met ingang van 16 juli 2026 tot 16 juli 2027;

6.2.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 16 juli 2026 door mr. Van den Broek, kinderrechter, in aanwezigheid van Van Dongen als griffier, en op schrift gesteld op 29 juli 2026.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.