Uitspraak · Personen- en familierecht
Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 16 juli 2026
ECLI:NL:RBZWB:2026:7771Zaaknummer C/02/445777 / FA RK 26-1205
- Instantie
- Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Datum uitspraak
- 16 juli 2026
- Publicatiedatum
- 28 september 2026
- Zaaknummer
- C/02/445777 / FA RK 26-1205
- Rechtsgebied
- Civiel recht, Personen- en familierecht
- Procedure
- Rekestprocedure, Beschikking
- Zittingsplaats
- Breda
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Informele rechtsingang. Minderjarige trekt haar vraag in zodat hierop geen ambtshalve beslissing wordt genomen. Zaak wordt afgesloten.
4 De beslissing van de kinderrechter
De kinderrechter:
neemt geen ambtshalve beslissing op de vraag van [minderjarige].
Deze beschikking is gegeven door mr. Phillips, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 16 juli 2026 in aanwezigheid van mr. Snatersen, griffier.
Mededeling van de griffier:
Voor zover in deze beschikking één of meer eindbeslissingen zijn opgenomen, kan tegen deze beschikking hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof:
a. namens de minderjarige door zijn wettelijk vertegenwoordiger of de bijzondere curator: binnen 3 maanden na de dag van de beschikking;
b. door de minderjarige zelf als zijn aanvraag ziet op de benoeming van een bijzondere curator: binnen 3 maanden na de dag van de beschikking;
c. door de anderen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden: binnen 3 maanden na de dag van de beschikking;
d. door andere belanghebbenden: binnen 3 maanden na de betekening van de beschikking of nadat de beschikking hun op een andere manier bekend is geworden. Het hoger beroep kan slechts worden ingesteld door een advocaat.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
beschikking
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Zittingsplaats: Breda
Zaaknummer: C/02/445777 / FA RK 26-1205
datum uitspraak: 16 juli 2026
beschikking op de vraag van de minderjarige door middel van een informele rechtsingang
[minderjarige],
hierna te noemen [minderjarige],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedag] 2009,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen in [plaats].
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende in [plaats].
De Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, hierna te noemen de Raad, is op grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) betrokken in de zaak om de kinderrechter over de vraag van de minderjarige te adviseren.
1 Het verloop van de zaak
Op 6 maart 2026 heeft de rechtbank een op 26 februari 2026 gedateerde brief van [minderjarige] ontvangen.
De kinderrechter heeft op 19 maart 2026 met [minderjarige] gesproken over haar brief.
Naar aanleiding van dit gesprek heeft de kinderrechter de moeder en de Raad uitgenodigd voor een zitting. De zitting heeft plaatsgevonden op 13 april 2026. Hierbij zijn de moeder en een medewerkster namens de Raad verschenen.
[minderjarige] is met de moeder meegekomen naar de zitting van 13 april 2026. De kinderrechter heeft, nadat zij met de moeder en de medewerkster van de Raad op zitting had gesproken, afzonderlijk met [minderjarige] gesproken.
De zaak is na de zitting van 13 april 2026 voor drie maanden aangehouden. [minderjarige] is opnieuw uitgenodigd voor een gesprek met de kinderrechter op 14 juli 2026. Bije-mailbericht van 8 juli 2026 heeft [minderjarige] aan de kinderrechter laten weten dat een gesprek niet meer nodig is en dat het dossier kan worden gesloten.
2 De feiten
De moeder heeft alleen het ouderlijk gezag over [minderjarige].
[minderjarige] woonde bij haar moeder. Vanaf eind oktober 2025 tot medio februari 2026 heeft [minderjarige] bij haar oom, te weten de broer van haar moeder, gewoond. Daarna heeft [minderjarige] op een crisisgroep verbleven. De kinderrechter heeft geen informatie over de huidige verblijfplaats van [minderjarige].
3 De beoordeling
[minderjarige] heeft gebruik gemaakt van de informele rechtsingang. Zij heeft de kinderrechter bij de start van de procedure gevraagd om te bepalen dat zij niet meer terug bij haar moeder hoeft te wonen.
Uit het e-mailbericht van [minderjarige] van 8 juli 2026 leidt de kinderrechter af dat [minderjarige] de onderhavige zaak niet langer meer wil voortzetten. De kinderrechter beschouwt daarmee de vraag van [minderjarige] als ingetrokken. Met deze beschikking, die zal worden verstuurd naar [minderjarige], de moeder en de Raad, zal de zaak worden afgesloten.
4 De beslissing van de kinderrechter
De kinderrechter:
neemt geen ambtshalve beslissing op de vraag van [minderjarige].
Deze beschikking is gegeven door mr. Phillips, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 16 juli 2026 in aanwezigheid van mr. Snatersen, griffier.
Mededeling van de griffier:
Voor zover in deze beschikking één of meer eindbeslissingen zijn opgenomen, kan tegen deze beschikking hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof:
a. namens de minderjarige door zijn wettelijk vertegenwoordiger of de bijzondere curator: binnen 3 maanden na de dag van de beschikking;
b. door de minderjarige zelf als zijn aanvraag ziet op de benoeming van een bijzondere curator: binnen 3 maanden na de dag van de beschikking;
c. door de anderen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden: binnen 3 maanden na de dag van de beschikking;
d. door andere belanghebbenden: binnen 3 maanden na de betekening van de beschikking of nadat de beschikking hun op een andere manier bekend is geworden. Het hoger beroep kan slechts worden ingesteld door een advocaat.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.