Uitspraak · Personen- en familierecht

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 10 juli 2026

ECLI:NL:RBZWB:2026:7467Zaaknummer C/02/437567 / FA RK 25-3580 en C/02/439398 / FA Rk 25-4487

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
10 juli 2026
Publicatiedatum
18 september 2026
Zaaknummer
C/02/437567 / FA RK 25-3580 en C/02/439398 / FA Rk 25-4487
Rechtsgebied
Civiel recht, Personen- en familierecht
Procedure
Rekestprocedure, Beschikking
Zittingsplaats
Middelburg
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Kinderalimentatie, omgangs-zorgregeling aangehouden in afwachting resulaten casusregie

De rechtbank

in de zaak met kenmerk C/02/437567 / FA RK 25-3580

5.1

bepaalt, uitvoerbaar bij voorraad, dat de man met ingang van heden ten behoeve van de verzorging en opvoeding van de minderjarige [minderjarige], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2020 aan de vrouw, voor de toekomst bij vooruitbetaling, moet voldoen een bedrag van € 218,= per maand;

5.2

wijst het meer of anders verzochte af;

in de zaak met kenmerk C/02/439398 / FA RK 25-4487

5.3

stelt, uitvoerbaar bij voorraad, tussen de man en [minderjarige] een voorlopige omgangsregeling vast, inhoudende dat [minderjarige] iedere week op zondag gedurende zes uur bij de man verblijft, zulks in aanwezigheid van de moeder van de man, totdat partijen hierover, onder regie van de casusregisseur, andere afspraken hebben gemaakt of door de rechtbank anders wordt beslist;

5.4

houdt iedere verdere beslissing over het verzoek van de man tot gezamenlijk gezag en vaststelling van een de definitieve omgangs- c.q. zorgregeling aan tot de familiekamerrol van dinsdag 23 maart 2027, in afwachting van het bericht van partijen zoals onder rechtsoverweging 4.33 is overwogen.

Deze beschikking is gegeven door mr. Polak, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 10 juli 2026, in tegenwoordigheid van mr. Krocké, griffier.

Mededeling van de griffier:

Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:

  • door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 2 De feiten
  2. 3 De verzoeken
  3. 4 De beoordeling
  4. 5.De beslissing

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team Familie- en Jeugdrecht

Middelburg

Zaaknummer: C/02/437567 / FA RK 25-3580 (kinderalimentatie)

C/02/439398 / FA RK 25-4487 (gezag en omgangs- c.q. zorgregeling)

datum uitspraak: 10 juli 2026

beschikking betreffende kinderalimentatie, gezag en omgangs- c.q. zorgregeling

in de zaak van

[de vrouw],

hierna te noemen: de vrouw,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. H. Mink te Oost-Souburg,

verzoekster in de zaak C/02/437567 / FA RK 25-3580,

verweerster in de zaak C/02/439398 / FA RK 25-4487,

en

[de man],

hierna te noemen: de man,

wonende in [woonplaats],

advocaat: mr. M. Kalle te Middelburg,

verweerder in de zaak C/02/437567 / FA RK 25-3580,

verzoeker in de zaak C/02/439398 / FA RK 25-4487,

over de minderjarige:

- [minderjarige], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2020, hierna: [minderjarige].

Op grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg,

hierna: de Raad, de rechtbank over de verzoeken geadviseerd.

1 Het procesverloop

1.1 Dit blijkt uit de volgende stukken:

In de zaak met kenmerk C/02/437567 / FA RK 25-3580

- het op 20 juni 2025 ontvangen verzoekschrift vaststelling kinderalimentatie van de vrouw, met bijlagen;

- het op 17 december 2025 ontvangen verweerschrift van de man, met bijlagen;

- het F9-formulier van 9 juni 2026 van mr. Mink, met bijlagen;

- het F9-formulier van 10 juni 2026 van mr. Kalle, met bijlagen;

- het F9-formulier van 10 juni 2026 van mr. Mink, met bijlagen.

In de zaak met kenmerk C/02/439398 / FA RK 25-4487

- het op 2 september 2025 ontvangen verzoekschrift tot het vaststellen van een omgangsregeling en gezamenlijk gezag van de man, met bijlagen;

- het rapport en advies van de Raad d.d. 28 april 2026.

1.2 De verzoeken in beide procedures zijn gelijktijdig behandeld op de mondelinge behandeling van 23 juni 2026. Bij die gelegenheid zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaat. Tevens was aanwezig een vertegenwoordigster van de Raad.

1.3 Op 1 juli 2026 is in de zaak met kenmerk C/02/439398 / FA RK 25-4487, zoals ter zitting besproken, de bij het raadsrapport behorende bijlage ontvangen.

2 De feiten

2.1

Partijen hebben een affectieve relatie gehad uit welke relatie [minderjarige] is geboren.

2.2

[minderjarige] heeft zijn hoofdverblijf bij de vrouw.

2.3

De man heeft [minderjarige] erkend.

2.4

De vrouw is belast met het eenhoofdig gezag over [minderjarige].

2.5

Bij beschikking van deze rechtbank van 20 november 2025 betreffende provisionele voorzieningen is verstaan dat partijen in de zaak met kenmerk C/02/437567 / FA RK 25-3580 overeenstemming hebben over een voorlopige kinderbijdrage in die zin dat de man aan de vrouw een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] zal voldoen van € 200,= per maand, met ingang van 1 november 2025. Verder is bepaald dat er tussen de man en [minderjarige] een omgangsregeling zal gelden, inhoudende (samengevat) dat er -na een korte opbouw- elke zaterdag ongeveer 4 uur omgang zal zijn tussen de man en de [minderjarige] bij de man thuis. De moeder van de man zal bij deze contactmomenten aanwezig zijn. Tenslotte is de Raad verzocht een onderzoek in te stellen ter beantwoording van de vragen zoals geformuleerd onder rechtsoverweging 4.7 van die beschikking en het raadsrapport in te brengen in de bodemprocedure.

3 De verzoeken

In de zaak met kenmerk C/02/437567 / FA RK 25-3580

3.1

De vrouw verzoekt, voor zover mogelijk, uitvoerbaar bij voorraad de man te veroordelen tot betaling van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] van € 382,- per maand en de bijdrage vast te stellen met ingang van 1 april 2025.

3.2

De man verzoekt de verzochte bijdrage af te wijzen, dan wel deze op een lager bedrag vast te stellen en dit primair met ingang van de datum van de te geven beschikking en subsidiair vanaf de datum van indiening van het verzoekschrift.

In de zaak met kenmerk C/02/439398 / FA RK 25-4487

3.3

De man verzoekt, voor zover mogelijk, uitvoerbaar bij voorraad:

- te bepalen dat de man mede met het gezag over [minderjarige] wordt belast;

- te bepalen dat de man één weekend per 14 dagen van vrijdagmiddag 17.00 uur tot

zondagmiddag 17.00 uur de zorg heeft voor [minderjarige], alsmede gedurende de helft van

vakanties en feestdagen, dan wel een zorg-/omgangsregeling tussen de man en

[minderjarige] vast te stellen die de rechtbank in het belang van hem acht;

- kosten rechtens.

In beide procedures

3.4

Op de standpunten van partijen wordt, voor zover voor de beoordeling van de verzoeken van belang, hierna ingegaan.

4 De beoordeling

In de zaak met kenmerk C/02/437567 / FA RK 25-3580 (kinderalimentatie)

4.1

De vrouw legt aan haar verzoek tot vaststelling van een kinderalimentatie voor [minderjarige] ten grondslag dat [minderjarige] behoefte heeft aan een onderhoudsbijdrage van de man en dat de man financiële draagkracht heeft die te voldoen.

4.2

Bij het bepalen van de behoefte aan een onderhoudsbijdrage en de financiële draagkracht om in die behoefte te voorzien, hanteert de rechtbank de uitgangspunten zoals deze zijn neergelegd in de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie.

Ingangsdatum

4.3

De rechtbank zal, zoals partijen ter zitting hebben verzocht, een door de man te betalen kinderalimentatie vaststellen met ingang van de datum van deze beschikking.

Behoefte [minderjarige]

4.4

Partijen zijn het erover eens dat de behoefte van [minderjarige] ten tijde van hun uiteengaan in 2025 € 512,= per maand bedroeg. Rekening houdend met de wettelijke indexering bedraagt die behoefte nu (afgerond) € 536,= per maand.

Draagkracht partijen

4.5

Beoordeeld dient te worden in welke verhouding de behoefte van [minderjarige] tussen de onderhoudsplichtigen, te weten partijen, moet worden verdeeld. De rechtbank volgt ook in dit opzicht de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie, inhoudende dat de behoefte van kinderen tussen de onderhoudsplichtigen wordt verdeeld naar rato van hun draagkracht. Daartoe dient eerst het netto besteedbaar inkomen (NBI) van de onderhoudsplichtigen te worden bepaald. Het bedrag aan draagkracht wordt in 2026 bij inkomens vanaf € 2.200,= per maand in beginsel vastgesteld aan de hand van de formule 70% x [NBI – (0,3 x NBI + € 1.365,=)]. Voor de lagere inkomens (beneden een NBI van € 2.200,= per maand) zijn vaste bedragen per categorie van toepassing.

Draagkracht man

4.6

Partijen zijn ter zitting overeengekomen dat voor de berekening van de draagkracht van de man uitgegaan dient te worden van zijn inkomen dat volgt uit de jaaropgaaf 2025, te weten € 42.366,- per jaar.

4.7

De rechtbank houdt rekening met de van toepassing zijnde heffingskortingen (algemene heffingskorting en arbeidskorting) en de verschuldigde inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen.

4.8

Uitgaande van voormeld inkomen bedraagt het NBI van de man € 2.924,= per maand.

4.9

Tussen partijen is in geschil of voor de bepaling van de draagkracht van de man moet worden uitgegaan van het woonbudget of van de werkelijke woonlasten van de man. De man stelt zich op het standpunt dat van zijn werkelijke woonlasten moet worden uitgegaan omdat die duurzaam aanmerkelijk hoger zijn dan het woonbudget en dat deze hogere woonlasten bovendien niet vermijdbaar en verwijtbaar zijn. Verder woont zijn moeder inderdaad tijdelijk bij hem in omdat haar relatie is verbroken, maar ze is hard op zoek naar eigen woonruimte. De vrouw stelt zich op het standpunt dat er geen reden is om af te wijken van de forfaitaire berekening van de woonlasten. De hoge woonlast van de man is zijn eigen keuze en moet niet ten koste gaan van [minderjarige]. Voor zover al met de werkelijke woonlasten van de man rekening gehouden zou moeten worden, stelt de vrouw zich op het standpunt dat de man deze woonlasten kan delen met zijn moeder, omdat zijn moeder op dit moment bij de man inwoont.

4.10

De rechtbank overweegt als volgt. Bij de berekening van de draagkracht wordt in beginsel uitgegaan van een forfaitaire woonlast van 30% van het NBI (het woonbudget). Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken als de werkelijke woonlasten duurzaam aanmerkelijk hoger zijn dan het forfaitaire woonbudget en deze lasten niet vermijdbaar zijn en het (voort)bestaan daarvan niet aan de onderhoudsplichtige kan worden verweten. De rechtbank ziet in dit geval aanleiding om van het uitgangspunt af te wijken en overweegt daartoe als volgt.

4.11

De man heeft voldoende aangetoond dat zijn werkelijke woonlasten (€ 1.248,= netto per maand) aanmerkelijk hoger zijn dan het woonbudget (€ 872,= per maand). Eveneens is voldoende onderbouwd dat die werkelijke woonlasten een structureel karakter hebben en niet op korte termijn zullen veranderen. De (hoge) woonlasten van de man zijn, zo heeft hij onbetwist gesteld, niet enkel het gevolg van de aankoop van het appartement als zodanig, maar eveneens een gevolg van een na die aankoop door de Vereniging van Eigenaren (VvE) doorgevoerde verhoging van de eigen VvE-bijdrage van ongeveer € 200,= per maand. Nu deze kostenstijging buiten de invloedsfeer van de man ligt, kan hem die verhoging niet worden verweten. Het standpunt van de vrouw dat de man zijn woonlasten had kunnen beperken door een ander appartement te kopen of een kamer te huren, volgt de rechtbank niet. Niet gebleken is dat een ander koopappartement per saldo tot lagere woonlasten zou hebben geleid. Weliswaar zou er dan wellicht sprake zijn van een lagere VvE-bijdrage, maar daar staat tegenover dat de maandelijkse aflossingsverplichting mogelijk hoger zou zijn geweest. Evenmin kan redelijkerwijs van de man worden verlangd dat hij zijn koopappartement verruilt voor een andere woonvorm, zoals, door de vrouw gesteld, het huren van een kamer. De huidige woning van de man biedt de man de mogelijkheid om [minderjarige] op passende wijze te ontvangen in het kader van de omgangsregeling en de, door beide partijen, beoogde uitbreiding daarvan. Gelet op het vorenstaande zijn de werkelijke woonlasten van de man dan ook niet vermijdbaar en verwijtbaar.

4.12

Nu de hoogte van de door de man opgevoerde werkelijke woonlast van € 1.248,= netto per maand niet is betwist, zal de rechtbank van die woonlast uitgaan. Daarbij volgt de rechtbank de vrouw niet in haar standpunt dat de woonlast gedeeld kan worden met de moeder van de man, omdat die situatie van tijdelijke aard is.

4.13

De toe te passen formule is dan 70% x [NBI – (€ 1.248 + € 1.365)] op basis waarvan de draagkracht van de man € 218,= per maand bedraagt.

Draagkracht vrouw

4.14

Ten aanzien van de draagkracht van de vrouw is tussen partijen in geschil van welk inkomen van de vrouw uitgegaan dient te worden. De man stelt zich op het standpunt dat van een fictief inkomen van € 2.000,= bruto per maand uitgegaan dient te worden omdat de vrouw in staat is om meer uren per week te werken nu [minderjarige] naar school gaat. De vrouw betwist dit gelet op de zorg die zij voor [minderjarige] heeft.

4.15

De rechtbank stelt voorop dat bij het vaststellen van de draagkracht van een onderhoudsplichtige niet alleen acht dient te worden geslagen op de inkomsten die de onderhoudsplichtige zich feitelijk verwerft, maar ook op de inkomsten die hij/zij zich in redelijkheid kan verwerven. Vaststaat dat de vrouw op dit moment 16 uur per week werkt. Gelet op het feit dat [minderjarige] naar school gaat, is de rechtbank van oordeel dat van de vrouw in redelijkheid verwacht mag worden dat zij haar arbeidsomvang uitbreidt. De rechtbank acht daarbij wel van belang dat een uitbreiding in arbeidsomvang past binnen de schooltijden van [minderjarige], zodat de vrouw zich niet geconfronteerd ziet met (hoge) oppaskosten. Hiermee rekening houdend is de rechtbank van oordeel dat aan de vrouw een verdiencapaciteit gebaseerd op een arbeidsomvang van 21 uur per week kan worden toegedicht. Van andere omstandigheden die aan uitbreiding van de werkzaamheden van de vrouw in deze omvang in de weg zouden staan, is niet gebleken. Uitgaande van het niet betwiste uurloon van de vrouw dat volgt uit de door haar overgelegde salarisstroken van 2026 en de op haar salaris in te houden premies, leidt een arbeidsomvang van 21 uur per week tot een bruto maandsalaris van € 1.338,=. De rechtbank houdt daarnaast rekening met een, door de man onvoldoende gemotiveerd betwist, bedrag van € 30,= netto per maand aan fooi dat de vrouw ontvangt.

4.16

De rechtbank houdt rekening met de van toepassing zijnde premies en heffingskortingen (algemene heffingskorting, arbeidskorting en inkomensafhankelijke combinatiekorting) en de verschuldigde inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen. Daarnaast komt de vrouw met voormeld inkomen in aanmerking voor een kindgebonden budget en de daarvan deel uitmakende alleenstaande ouderkop van € 5.996,= per jaar.

4.17

Aan de hand van voormelde uitgangspunten becijfert de rechtbank het NBI van de vrouw op € 1.919,= per maand.

4.18

Gelet op het vorenstaande stelt de rechtbank vast dat zelfs als van een hogere verdiencapaciteit van de vrouw wordt uitgegaan, zij een lager NBI heeft dan € 1.950,= per maand en zij dus nog steeds een minimale draagkracht heeft van € 25,= per maand. De rechtbank zal daar dan ook van uitgaan.

Draagkrachtvergelijking

4.19

Gelet op het vorenstaande bedraagt de totale draagkracht van partijen € 243,= per maand. Omdat de totale draagkracht van partijen lager is dan de hiervoor becijferde behoefte van [minderjarige], te weten € 536,= per maand, blijft een draagkrachtvergelijking achterwege.

Zorgkorting

4.20

Partijen zijn het eens over toepassing van een zorgkorting van 15%. Gelet op de behoefte van [minderjarige] van € 536,= per maand, beloopt de zorgkorting een bedrag van € 80,40 per maand.

4.21

Nu het tekort aan gezamenlijke draagkracht van partijen om in de behoefte van [minderjarige] te voorzien meer dan driemaal zo groot is als de zorgkorting waar de man recht op heeft, moet de man tot het volledige bedrag van zijn draagkracht, zijnde € 218,= per maand, in de kosten van [minderjarige] voorzien.

Conclusie

4.22

Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de door de man te betalen bijdrage in de kosten van [minderjarige] vaststellen op € 218,= per maand, zulks met ingang van heden.

Aanhechten berekeningen

4.23

De rechtbank heeft berekeningen gemaakt. Gescande exemplaren van deze berekeningen zijn als bijlage aan deze beschikking toegevoegd en maken daarvan deel uit.

Uitvoerbaar bij voorraad

4.24

De rechtbank zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren. Dat wil zeggen dat de kinderalimentatie betaald moet worden ook al wordt er hoger beroep ingesteld.

In de zaak met kenmerk C/02/439398 / FA RK 25-4487 (gezag en omgangs- c.q. zorgregeling)

Wettelijk kader

4.25

Ingevolge artikel 1:253c van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de tot het gezag bevoegde ouder van het kind, die nimmer het gezag gezamenlijk met de moeder heeft uitgeoefend, de rechtbank verzoeken de ouders met het gezamenlijk gezag over het kind te belasten. Uit het tweede lid van voornoemd artikel volgt dat indien de andere ouder met dit gezamenlijk gezag niet instemt, het verzoek slechts wordt afgewezen indien er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen of afwijzing anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.

4.26

In artikel 1:377a lid 1 BW staat dat het kind het recht heeft op omgang met zijn ouders en dat de niet met het gezag belaste ouder het recht op en de verplichting heeft tot omgang met zijn kind. Op grond van lid 2 van dat artikel stelt de rechter op verzoek van de ouders of van één van hen, al dan niet voor bepaalde tijd, een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht vast dan wel ontzegt, al dan niet voor bepaalde tijd, het recht op omgang.

Inhoudelijke beoordeling

4.27

De rechtbank verwijst naar de beschikking betreffende provisionele voorzieningen van 20 november 2025 waarbij in rechtsoverweging 4.7 de Raad is verzocht om een onderzoek in te stellen ter beantwoording van de navolgende vragen en het rapport met bijbehorend advies in te brengen in de bodemprocedure van partijen:

- Bestaat er, als de ouders samen het gezag krijgen een onacceptabel risico dat [minderjarige] klem

komt te zitten tussen de ouders en het er niet naar uitziet dat dit binnen korte tijd voldoende

zal verbeteren of is het om een andere reden in het belang van [minderjarige] om af te wijken van het

uitgangspunt in de wet dat de ouders gezamenlijk het gezag uitoefenen?

- Welke omgangsregeling c.q. verdeling van de zorg- en opvoedingstaken door de ouders

past het beste bij de belangen van [minderjarige] ?

- Welke andere feiten en/of omstandigheden die uit het onderzoek naar voren zijn gekomen,

zijn niet in voorgaande vragen aan de orde gesteld en zijn wel van belang om te vermelden?

4.28

In het raadsrapport van 28 april 2026 adviseert de Raad om de beslissing ten aanzien van het verzoek van de man tot verkrijging van gezamenlijk gezag en de definitieve zorg-/omgangsregeling tussen de man en [minderjarige] voor de duur van negen maanden aan te houden. Volgens de Raad kan op dit moment nog niet gezegd worden of [minderjarige] klem of verloren zal raken tussen partijen als er sprake is van gezamenlijk gezag. De Raad ziet zeker perspectief voor gezamenlijk gezag, maar van belang is dat eerst duidelijk wordt of de man ook over langere tijd stabiel blijft. Ook dient de communicatie tussen partijen nog verder te verbeteren. Daar kan middels hulpverlening aan gewerkt worden. Ten aanzien van het contact tussen de man en [minderjarige] is belangrijk dat toegewerkt wordt naar een duidelijke vaste regeling die haalbaar is. In het belang van [minderjarige] dient de huidige omgangsregeling van elke week vier uur, waarbij de moeder van de man aanwezig is, als minimaal contact gehandhaafd te blijven. Van daaruit kan het contact, onder begeleiding van de hulpverlening, verder opgebouwd worden tot een definitieve regeling. Om tot onbegeleid contact te kunnen komen, is het van belang dat de man stabiel blijft, dat er veiligheidsafspraken zijn gemaakt, dat er een terugvalpreventieplan ligt en dat de contacten positief blijven verlopen.

4.29

De Raad heeft ter zitting, in aanvulling op het rapport en advies, geadviseerd de huidige omgangsregeling van vier uur per week op dit moment niet uit te breiden naar de door de man gewenste zes dan wel acht uur per week, maar daarmee te wachten totdat hulpverlening betrokken is. De man drinkt in het weekend nog alcohol. De problemen van de man op het gebied van emotieregulatie maken hem kwetsbaar voor een terugval. De Raad onderschrijft de zorgen van moeder en vindt uitbreiding van de omgang zonder betrokkenheid van een casusregisseur dan ook niet passend.

4.30

De vrouw heeft ter zitting aangegeven dat partijen in onderling overleg zijn overeengekomen om de omgang tussen de man en [minderjarige] op zondag (in plaats van op zaterdag) te laten plaatsvinden. De vrouw kan zich vinden in het advies van de Raad. Het streven is om toe te werken naar een regeling waarbij [minderjarige] een weekend per veertien dagen bij de man verblijft, maar daarvoor is het noodzakelijk dat de man stabiel blijft. De vrouw maakt zich ernstig zorgen over het feit dat de man nog steeds alcohol drinkt en de invloed die alcohol op hem heeft. Er zijn nu geen afspraken over wat te doen als de man een terugval zou krijgen. Daarom dient er volgens de vrouw eerst een veiligheidsplan opgesteld te worden voordat de omgang kan worden uitgebreid.

4.31

De man kan zich vinden in het advies van de Raad om de beslissing op zijn verzoeken voor de duur van negen maanden aan te houden. Hij begrijpt dat er weer vertrouwen dient te ontstaan bij de vrouw en dat het contact tussen hem en [minderjarige] opgebouwd dient te worden. Inmiddels heeft hij al langere tijd gedurende elke week vier uur contact met [minderjarige]. Dit contact, waar zijn moeder bij aanwezig is, verloopt goed maar is erg kort. Het contact met [minderjarige], doet niet alleen zijn zoon maar ook hem goed. De man wenst daarom dat deze omgang nu al uitgebreid wordt naar zes of acht uur per week. Verdere uitbreiding kan vervolgens onder begeleiding van de nog in te zetten hulpverlening gerealiseerd worden.

4.32

De rechtbank overweegt als volgt. Uit de processtukken en de mondelinge behandeling volgt dat het vertrouwen tussen partijen en hun onderlinge communicatie verbeterd is, maar dat dit zich nog in een wankel evenwicht bevindt. Om de onderlinge verhouding tussen partijen verder te herstellen is het nodig dat de man laat zien dat hij zijn alcoholgebruik onder controle heeft en stabiel kan blijven, zeker omdat zijn alcoholgebruik hem in het verleden ernstig in gevaar heeft gebracht en hij zelf ook benoemt niet goed te reageren op het gebruik van alcohol, maar hij desondanks niet volledig is gestopt. De man moet daarom laten zien dat hij langere tijd stabiel is en zijn alcoholgebruik hem niet meer in gevaar brengt, waardoor bij de vrouw het vertrouwen in de man verder kan groeien. Partijen erkennen dat zij hulpverlening nodig hebben om dit proces te begeleiden en zijn bereid om, in het belang van [minderjarige], aan hulpverlening mee te werken. De rechtbank vindt het positief dat partijen zich bij de gemeente voor casusregie hebben aangemeld en hoopt dat die casusregie op korte termijn kan starten. Met de Raad en partijen is de rechtbank van oordeel dat door middel van casusregie de benodigde hulp ter verbetering van het onderlinge vertrouwen, de onderlinge communicatie en de samenwerking tussen partijen opgestart moet worden, dat er veiligheidsafspraken gemaakt moeten worden en dat er een terugvalpreventieplan opgesteld moet worden. Vervolgens kan onder regie van de casusregisseur de contacten tussen de man en [minderjarige] uitgebreid worden naar een, door partijen voor ogen hebbende, weekendregeling.

4.33

Gelet op het vorenstaande is de rechtbank, met de Raad en partijen, van oordeel dat de resultaten van de nog in te zetten casusregie (en de daaruit voortvloeiende hulpverlening) van belang zijn om een beslissing te kunnen nemen op de verzoeken van de man tot gezamenlijk gezag en het vaststellen van een (definitieve) omgangs- c.q. zorgregeling. Om die reden zal de rechtbank, zoals door de Raad geadviseerd, de beslissing op die verzoeken voor de duur van negen maanden aanhouden tot de familiekamerrol van dinsdag 23 maart 2027. De rechtbank ziet geen aanleiding om, zoals namens de man is verzocht, een kortere aanhoudingsperiode te hanteren, nu de casusregie nog niet is opgestart en in dat geval een termijn van negen maanden niet onredelijk is. De rechtbank verzoekt partijen de rechtbank uiterlijk op voornoemde datum te informeren over het verloop en de resultaten van de casusregie (en de daaruit voortvloeiende hulpverlening) en zich uit te laten over de vraag wat die resultaten voor de verzoeken betekenen, alsmede zich uit te laten over het door hen gewenste verdere procesverloop.

Voorlopige zorgregeling

4.34

De rechtbank vindt het van belang dat de contacten tussen de man en [minderjarige] voortgezet worden. Anders dan door de Raad geadviseerd, zal de rechtbank een voorlopige omgangsregeling tussen de man en [minderjarige] vaststellen die inhoudt dat [minderjarige] iedere week op zondag gedurende zes uur bij de man verblijft, zulks in aanwezigheid van de moeder van de man. De huidige regeling, waarbij [minderjarige] vier uur per week bij de man verblijft, verloopt goed. Op basis van het raadsrapport en hetgeen ter zitting naar voren is gebracht, stelt de rechtbank vast dat de contacten voor zowel de man als [minderjarige] van betekenis zijn en positief bijdragen aan hun relatie en welzijn. Ook neemt de rechtbank in aanmerking dat de Raad professionele omgangsbegeleiding niet meer passend vindt. Nu de moeder van de man ook bij een omgang van zes uur per week aanwezig zal zijn, is er naar het oordeel van de rechtbank voldoende waarborg dat de belangen van [minderjarige] gedurende de omgang in het oog gehouden worden. Tenslotte weegt de rechtbank mee dat partijen de intentie hebben de omgang geleidelijk verder uit te breiden en toe te werken naar een regeling waarbij [minderjarige], onbegeleid, dat wil zeggen zonder aanwezigheid van de moeder van de man, een weekend per veertien dagen bij de man verblijft. Tegen deze achtergrond ziet de rechtbank in de beperkte uitbreiding van vier naar zes uur per week geen aanleiding om te veronderstellen dat de veiligheid of het welzijn van [minderjarige] daardoor in het gedrang komt. Verdere uitbreiding van de omgang zal plaatsvinden onder regie van de nog te starten casusregisseur, zodat de belangen van [minderjarige] ook bij volgende stappen kunnen worden bewaakt. De rechtbank merkt in dat verband op dat bij die verdere uitbreiding de hiervoor vermelde intentie van partijen in acht genomen dient te worden.

4.35

De rechtbank zal de voorlopige omgangsregeling op onderstaande wijze vaststellen en de beslissing over de definitieve omgangs- c.q. zorgregeling aanhouden om reden zoals vermeld onder rechtsoverweging 4.33 van deze beschikking.

Uitvoerbaar bij voorraad

4.36

De rechtbank zal de voorlopige omgangsregeling uitvoerbaar bij voorraad verklaren. Dat betekent dat de regeling moet worden uitgevoerd, ook als iemand in hoger beroep zou gaan.

5.De beslissing

De rechtbank

in de zaak met kenmerk C/02/437567 / FA RK 25-3580

5.1

bepaalt, uitvoerbaar bij voorraad, dat de man met ingang van heden ten behoeve van de verzorging en opvoeding van de minderjarige [minderjarige], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2020 aan de vrouw, voor de toekomst bij vooruitbetaling, moet voldoen een bedrag van € 218,= per maand;

5.2

wijst het meer of anders verzochte af;

in de zaak met kenmerk C/02/439398 / FA RK 25-4487

5.3

stelt, uitvoerbaar bij voorraad, tussen de man en [minderjarige] een voorlopige omgangsregeling vast, inhoudende dat [minderjarige] iedere week op zondag gedurende zes uur bij de man verblijft, zulks in aanwezigheid van de moeder van de man, totdat partijen hierover, onder regie van de casusregisseur, andere afspraken hebben gemaakt of door de rechtbank anders wordt beslist;

5.4

houdt iedere verdere beslissing over het verzoek van de man tot gezamenlijk gezag en vaststelling van een de definitieve omgangs- c.q. zorgregeling aan tot de familiekamerrol van dinsdag 23 maart 2027, in afwachting van het bericht van partijen zoals onder rechtsoverweging 4.33 is overwogen.

Deze beschikking is gegeven door mr. Polak, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 10 juli 2026, in tegenwoordigheid van mr. Krocké, griffier.

Mededeling van de griffier:

Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:

  • door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.