Uitspraak · Personen- en familierecht
Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 10 juli 2026
ECLI:NL:RBZWB:2026:7442Zaaknummer C/02/449581 / JE RK 26-1096
- Instantie
- Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Datum uitspraak
- 10 juli 2026
- Publicatiedatum
- 18 september 2026
- Zaaknummer
- C/02/449581 / JE RK 26-1096
- Rechtsgebied
- Civiel recht, Personen- en familierecht
- Procedure
- Rekestprocedure, Beschikking
- Zittingsplaats
- Breda
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing
7 De beslissing
De kinderrechter:
stelt [minderjarige] onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming Brabant met ingang van 18 juli 2026 tot 18 juli 2027;
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 18 juli 2026 tot 18 maart 2027;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
| Deze beschikking is gegeven door mr. Maandag, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 10 juli 2026, in aanwezigheid van mr. Joosen als griffier, en op schrift gesteld op 17 juli 2026. |
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
- degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/449581 / JE RK 26-1096
Datum uitspraak: 10 juli 2026
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming,
Breda,
hierna te noemen De Raad,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2010 in [geboorteplaats],
hierna te noemen [minderjarige].
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonend op een geheim adres
advocaat mr. R. Joosen uit Oosterhout.
De kinderrechter merkt als informant aan:
[de vader], hierna te noemen de vader.
1 Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 12 juni 2026;
- het rapport van de Raad van 6 juli 2026.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 10 juli 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder, via een digitale verbinding;
- de advocaat van de moeder;
- een vertegenwoordiger van de Raad;
- een vertegenwoordiger van de GI.
De vader was niet bij de zitting aanwezig.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar haar mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
2 De feiten
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige].
Bij beschikking van 30 april 2026 is [minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld met ingang van 2 mei 2026 tot 18 juli 2026. Ook is zij bij deze beschikking uithuisgeplaatst bij de andere ouder zonder gezag, de vader met ingang van 2 mei 2026 tot 18 juli 2026 dan wel een accommodatie voor een jeugdhulpaanbieder met ingang van 30 april 2026 tot 18 juli 2026.
[minderjarige] verblijft op basis van deze beschikking op een woongroep van [accommodatie].
3 Het verzoek
De Raad verzoekt [minderjarige] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de Raad een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlenen voor de duur van negen maanden. De Raad verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4 Het standpunt van de Raad
De Raad heeft ter onderbouwing van het verzoek aangevoerd dat de relatie tussen de moeder en [minderjarige] verstoord is. Er hebben veelvuldig ruzies plaatsgevonden. Daarnaast zijn er zorgen over een verstoorde draagkracht en draaglast en het middelengebruik bij de moeder. [minderjarige] heeft het gevoel gehad veel taken in huis alleen te moeten doen. Zij heeft onveiligheid ervaren in de thuissituatie. Er is onvoldoende draagkracht voor de moeder om de opvoeding van [minderjarige] te dragen. Er is een verstoorde gezagsverhouding tussen de moeder en [minderjarige] en zij hebben elk een eigen visie over wat er thuis is voorgevallen. De moeder heeft te kampen gehad met overmatig middelengebruik, ziekte en een ziekenhuisopname. De moeder wil het graag goed doen maar kan onvoldoende overzien wat [minderjarige] nodig heeft en hoe zij haar het beste kan ondersteunen. Er is regievoering vanuit de GI nodig om de onderlinge relatie tussen de moeder en [minderjarige] te herstellen en duurzaam contact te realiseren. Ook is er hulpverlening nodig voor zowel de moeder als [minderjarige]. [minderjarige] heeft hulpverlening nodig voor emotie-regulatie en de moeder heeft hulpverlening nodig om haar draagkracht te kunnen laten toenemen. De Raad acht een terugplaatsing op korte termijn niet haalbaar, maar er zal meer duidelijkheid moeten komen op het contactherstel met de moeder en de behoeften van [minderjarige].
Daarnaast acht de Raad het van belang dat [minderjarige] positieve sociale steunfiguren heeft vanwege de zorgen over haar mogelijke beïnvloedbaarheid. Er moet zicht komen op het netwerk waar [minderjarige] mee omgaat en bij het versterken van positieve contacten zoals met bijvoorbeeld de grootouders moederszijde en mogelijk met haar vader, kan [minderjarige] zich optrekken en spiegelen aan deze volwassen personen om zich verder te kunnen ontwikkelen.
Bij de mondelinge behandeling is hieraan door de Raad toegevoegd dat een ondertoezichtstelling nodig is omdat de moeder en [minderjarige] een andere kijk hebben op wat nodig is. Zodra de moeder en [minderjarige] samen zijn, is er onenigheid of loopt het uit op forse ruzies. De regie van de GI is nodig. De Raad handhaaft het verzoek tot een ondertoezichtstelling voor de duur van een jaar en de machtiging uithuisplaatsing voor de duur van negen maanden. Of terugplaatsing bij de moeder een optie is, zal moeten worden bekeken. Er zal gestart worden met contactherstel tussen de moeder en [minderjarige]. Ook als dat goed gaat en als [minderjarige] eventueel terug kan wonen bij de moeder moet worden gemonitord of dit goed blijft gaan.
5 De standpunten van partijen
De moeder staat achter het verzoek van de ondertoezichtstelling maar verzet zich tegen de duur van negen maanden van de uithuisplaatsing. Het is juist dat de moeder na de vorige zitting al na één dag en nacht niet langer voor [minderjarige] kon zorgen, maar dat was omdat zij ziek was en net uit het ziekenhuis kwam. Het was niet wenselijk dat zij toen al voor [minderjarige] moest zorgen. Er is een tijd lang geen contact geweest tussen de moeder en [minderjarige] maar inmiddels hebben zij dagelijks contact. De moeder wenst dan ook dat [minderjarige] zo snel mogelijk weer bij haar komt wonen.
Door de advocaat van de moeder is daaraan nog toegevoegd dat [minderjarige] wisselend is in haar wensen, dat er geen sprake meer is van alcohol- of middelengebruik bij de moeder, de moeder hulpverlening heeft van bemoeizorg en dat moeder openstaat voor tips en adviezen voor wat betreft de opvoeding van [minderjarige], zodat een terugplaatsing bij de moeder wel degelijk tot de opties moet behoren. De moeder staat achter een ondertoezichtstelling voor de duur van een jaar, maar vindt de machtiging tot uithuisplaatsing van negen maanden te lang.
De GI heeft zich bij de mondelinge behandeling aangegeven achter het verzoek van de Raad te staan. De GI heeft aangevoerd dat [minderjarige] het naar haar zin heeft op de woongroep waar zij verblijft. Bij de vorige zitting was duidelijk dat de vader niet voor [minderjarige] kon zorgen. Hierop is [minderjarige] slechts één nacht bij de moeder geweest en dit liep uit op forse ruzie. [minderjarige] is vervolgens enige tijd bij een vriendin geweest tot zij geplaatst kon worden op de woongroep van [accommodatie]. Er is gesproken over contactherstel met zowel de moeder als met de grootmoeder als met de vader, maar hierbij wordt het tempo van [minderjarige] gevolgd.
[minderjarige] is goed in contact en laat zich stimuleren. Ze is echter wel een zestienjarig meisje met een vriendje en ze vertoont met vragen ook puberaal gedrag. De invloed van [naam] op [minderjarige] is onder de aandacht van zowel de GI als van de groepsleiding van de woongroep. De GI meent dat contactherstel met de moeder en de rest van de familie belangrijk is, maar verwacht dat de vervolgstap begeleid wonen of zelfstandig wonen zal zijn en niet terugplaatsing bij de moeder, omdat de wens van [minderjarige] gevolgd wordt. De GI is geneigd te luisteren naar haar wens omdat [minderjarige] zelfstandig en zelfverzekerd overkomt en lijkt te weten wat ze wil. Een kortere uithuisplaatsing acht de GI niet realistisch en haalbaar. Daarbij kijkt de GI naar de draagkracht van de moeder en de leeftijd en kwetsbaarheid van [minderjarige]. Desgevraagd laat de GI weten dat er een andere jeugdbeschermer zal komen als de verlenging van de ondertoezichtstelling wordt toegekend, omdat [minderjarige] niet langer onder de spoed valt, terwijl de huidige jeugdbeschermers alleen spoedgevallen behandelen.
6 De beoordeling
De kinderrechter kan op grond van artikel 1:255 eerste lid van het Burgerlijk Wetboek (BW) een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. Daarnaast moet:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van deze bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouder(s) die het gezag uitoefenen, niet of onvoldoende door hen worden geaccepteerd, en
b. de verwachting gerechtvaardigd zijn dat de ouder(s) die het gezag uitoefenen de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van de minderjarige in staat zijn te dragen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbare termijn.
Als het noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid kan de kinderrechter op grond van artikel 1:265b eerste lid van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) de gecertificeerde instelling (die is belast met de ondertoezichtstelling) op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling is voldaan. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
De ontwikkeling van [minderjarige] wordt ernstig bedreigd. [minderjarige] heeft in een korte tijd veel meegemaakt. De zorgen ten tijde van de voorlopige ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing zijn nog onverkort aanwezig. [minderjarige] is een kwetsbaar meisje en de vele wisselingen van verblijf hebben haar geen goed gedaan. Hoewel zij op haar plaats lijkt te zitten bij de woongroep van [accommodatie], is ook duidelijk geworden dat [minderjarige] moeite heeft om haar emoties te uiten en dat zij begeleiding nodig heeft voor het contact tussen haar en de moeder. De moeder heeft bij de mondelinge behandeling aangegeven dat er nu dagelijks contact is tussen haar en [minderjarige]. Uit het raadsrapport en ook uit het kindgesprek wat op 8 juli 2026 plaatsvond, is echter gebleken dat de relatie tussen de moeder en [minderjarige] nog moeizaam en wisselend verloopt. Daarnaast heeft [minderjarige] ook moeizaam contact met de vader. [minderjarige] wordt belast met de problematiek van zowel de moeder als de vader. De contacten die [minderjarige] heeft met [naam] (een bekende van vader) zijn eveneens zorgwekkend doordat deze [naam] [minderjarige] alcohol en softdrugs heeft gegeven en andere niet bij haar leeftijd passende of te dure cadeautjes. Ook is [naam] zonder toestemming op bezoek gegaan bij [minderjarige] op de woongroep. Uit dit contact blijkt dat [minderjarige] beïnvloedbaar is. De ambulante begeleiding die [minderjarige] heeft, kan hiervoor worden ingezet. De kinderrechter ziet ook een rol voor de GI om positief contact met andere volwassen steunfiguren te stimuleren, zoals haar grootouders (moederszijde) en mogelijk ook met de vader. [minderjarige] heeft deze steunfiguren lange tijd moeten missen in haar leven.
De ernstige ontwikkelingsbedreiging kan niet of onvoldoende worden weggenomen met vrijwillige hulpverlening, omdat de draagkracht van de moeder nog beperkt is. De moeder (heeft ge-)kampt met middelenverslaving, ziekte en een ziekenhuisopname. De moeder is nog altijd niet volledig hersteld. De moeder heeft inmiddels bemoeizorg en accepteert hulpverlening. Hoewel de kinderrechter heeft gemerkt dat de moeder het beste voor heeft met [minderjarige], is eveneens duidelijk dat de moeder niet altijd inziet wat daadwerkelijk het beste is voor [minderjarige] en dus niet altijd kan aansluiten bij de behoeften van [minderjarige]. De moeder mist [minderjarige] en handelt hierdoor of door andere omstandigheden zoals haar ziekte niet altijd in het belang van [minderjarige]. Hiervoor is eveneens regievoering nodig van de GI.
De ondertoezichtstelling is nodig en de moeder staat achter het verzoek om een ondertoezichtstelling. De kinderrechter zal [minderjarige] onder toezicht stellen voor de duur van een jaar.
De kinderrechter neemt de doelen over zoals deze zijn opgenomen in het raadsrapport, te weten:
• Er is duidelijkheid over het woonperspectief van [minderjarige];
• [minderjarige] groeit op in een fysiek en emotioneel veilige opvoedomgeving, waarbij
er zicht is op haar en ze duidelijkheid, sturing en begrenzing krijgt in haar gedrag;
• [minderjarige] verwerkt de ingrijpende gebeurtenissen die haar zijn overkomen;
• [minderjarige] ervaart een (emotioneel) veilige band met haar moeder en/of vader;
• [minderjarige] onderhoudt een zinvolle daginvulling door school/ werk/ dagbesteding;
• Er is zicht op de sociale contacten van [minderjarige];
• Moeder ondersteunt [minderjarige] bij het ontwikkelen tot een evenwichtige volwassene, en helpt haar bij het ontwikkelen van haar zelfstandigheid.
Ook is de kinderrechter van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding. De kinderrechter neemt daarbij als uitgangspunt dat het momenteel goed gaat met [minderjarige] op de woongroep en haar wens om daar te blijven. Ondanks de teleurstelling van het niet halen van het eindexamen, wil zij er toch voor gaan om het laatste jaar opnieuw te doen. Er zijn echter nog veel stappen te zetten voordat er een stabiele basis is bereikt. Teugplaatsing naar de moeder acht de kinderrechter niet in het belang van de ontwikkeling van [minderjarige]. Het verblijf van [minderjarige] bij de moeder is een tijdlang niet houdbaar gebleken en vervolgens was er geruime tijd geen enkel contact tussen [minderjarige] en de moeder. Hoewel de moeder bij de mondelinge behandeling aangeeft dat er nu dagelijks (bel- of Whatsapp-)contact is en dat [minderjarige] zelfs zoekt naar een vakantie voor hen beiden, heeft [minderjarige] bij het kindgesprek aangegeven dat er ook nu nog vaak sprake is van onenigheid. Voor een periode van uithuisplaatsing korter dan negen maanden, zoals de moeder wenst, ziet de kinderrechter geen reden. [minderjarige] is momenteel gebaat bij rust en bij de geruststelling dat ze kan blijven op een plek waar zij zich goed voelt en waar zij zich kan ontwikkelen.
De beslissing wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister.[_73715cf4-a480-4326-b7c4-4462da78c644]
De kinderrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
7 De beslissing
De kinderrechter:
stelt [minderjarige] onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming Brabant met ingang van 18 juli 2026 tot 18 juli 2027;
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 18 juli 2026 tot 18 maart 2027;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
| Deze beschikking is gegeven door mr. Maandag, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 10 juli 2026, in aanwezigheid van mr. Joosen als griffier, en op schrift gesteld op 17 juli 2026. |
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
- degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.