Uitspraak · Personen- en familierecht

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 10 juli 2026

ECLI:NL:RBZWB:2026:7437Zaaknummer C/02/449382 / KG ZA 26-329

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
10 juli 2026
Publicatiedatum
18 september 2026
Zaaknummer
C/02/449382 / KG ZA 26-329
Rechtsgebied
Civiel recht, Personen- en familierecht
Procedure
Kort geding, Rekestprocedure
Zittingsplaats
Middelburg
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Kort geding nakoming zorgregeling. Veroordeling nakoming. Geen contra-indicaties voor omgang aannemelijk geworden. Contact moet onmiddellijk worden hervat. Vooralsnog geen reden voor een dwangsom.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter:

5.1.

veroordeelt [ouder 2] met ingang van 13 juli 2026 tot nakoming van de door partijen overeengekomen zorgregeling, zoals is opgenomen in het ouderschapsplan dat door partijen op 1 september 2024 is ondertekend (met uitzondering van de vrijdag, omdat die dag feitelijk al een tijd niet meer is nageleefd door partijen);

5.2.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.3.

compenseert de proceskosten tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

5.4.

wijst af hetgeen meer of anders (in conventie en in reconventie) is gevorderd.

Dit vonnis is gewezen door mr. De Beer, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken op 10 juli 2026 in tegenwoordigheid van mr. Boomaars, griffier.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 De procedure
  2. 2 De feiten
  3. 3 Het geschil in conventie en reconventie
  4. 4 De beoordeling in conventie en in reconventie
  5. 5 De beslissing

vonnis

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team Familie- en Jeugdrecht

Middelburg

Zaaknummer / rolnummer: C/02/449382 / KG ZA 26-329

Vonnis in kort geding van 10 juli 2026

in de zaak van

[ouder 1],

wonende te [woonplaats],

eiseres in conventie,

verweerdster in reconventie,

advocaat: mr. M.V. de Nooijer te Middelburg,

tegen

[ouder 2],

wonende te [woonplaats],

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat: mr. M. de Houck te Terneuzen.

Partijen zullen hierna ‘ [ouder 1] ’ en ‘ [ouder 2] ’ genoemd worden.

over de minderjarige:

- [minderjarige], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2022, hierna: [minderjarige].

Op grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg,

hierna: de Raad, de rechtbank over de vorderingen geadviseerd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met producties;

- de conclusie van antwoord, tevens eis in reconventie, met producties;

- het bericht van mr. de Nooijer met bijlage, ontvangen op 30 juni 2026;

- de mondelinge behandeling op 3 juli 2026.

1.2.

De voorzieningenrechter heeft de zaak tijdens de mondelinge behandeling met gesloten deuren behandeld, omdat het belang van de minderjarige en/of de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van partijen dit eiste.

1.3.

Tijdens de mondelinge behandeling zijn verschenen [ouder 1], bijgestaan door mr. E. Sijnesael als waarnemend advocaat voor mr. de Nooijer, alsmede [ouder 2], bijgestaan door haar advocaat. Daarnaast is een vertegenwoordigster verschenen van de Raad.

1.4.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Partijen hebben een affectieve relatie gehad. De navolgende thans nog minderjarige [minderjarige] is geboren uit de [ouder 2].

2.2.

[ouder 1] heeft de minderjarige erkend.

2.3.

Partijen hebben gezamenlijk gezag over [minderjarige].

2.4.

De minderjarige heeft zijn hoofdverblijf bij [ouder 2].

2.5.

Partijen hebben op 1 september 2024 een ouderschapsplan opgesteld, waarin zijn de volgende zorgregeling zijn overeengekomen:

- In de even weken: op maandag is [minderjarige] tot 17:00 uur bij [ouder 1]. Vervolgens is [minderjarige] van maandag 17:00 uur tot en met donderdag bij [ouder 2]. [minderjarige] is daarna van vrijdag tot zaterdag 08:30 uur bij [ouder 1], waarna [minderjarige] van zaterdag 08:30 uur tot en met zondag bij [ouder 2] is.

- In de oneven weken: op maandag is [minderjarige] bij [ouder 1] tot woensdag 08:30 uur. Vervolgens is [minderjarige] van woensdag 08:30 uur tot zaterdag 08:30 uur bij [ouder 2]. Daarna is [minderjarige] van zaterdag 08:30 uur tot maandag 17:00 uur bij [ouder 1].

Na afloop van het contactmoment zal deze ouder [minderjarige] brengen naar de andere ouder. Vakanties en feestdagen worden in onderling overleg met elkaar gepland en zoveel mogelijk op basis van 50/50 verdeeld. Ook zijn ouders afspraken overeengekomen over de verjaardagen van [minderjarige], de ouders en derden tot in de 2e graad.

2.6.

[ouder 1] heeft de Belgische nationaliteit, [ouder 2] de Nederlandse.

3 Het geschil in conventie en reconventie

3.1.

[ouder 1] vordert in conventie bij vonnis in kort geding, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. [ouder 2] te veroordelen tot nakoming van de zorgregeling tussen [ouder 1] en [minderjarige] zoals overeengekomen in het door partijen op 1 september 2024 ondertekende ouderschapsplan;

II. te bepalen dat [ouder 2] voor iedere dag dat zij niet meewerkt een dwangsom is verschuldigd van € 500,- per dag dat zij niet meewerkt aan deze regeling, met een maximum van € 50.000,-.

3.2.

Door en namens [ouder 1] is daartoe in de stukken en tijdens de mondelinge behandeling, kort samengevat, het navolgende aangevoerd. [ouder 1] heeft [minderjarige] al vijf weken niet meer gezien. Er heeft kort geleden een escalatie plaatsgevonden in haar woning, waarbij [ouder 1] door [ouder 2] is mishandeld. Zij kon zich hier niet tegen verzetten, mede gelet op de aanwezigheid van de nieuwe partner van [ouder 2]. [ouder 2] heeft toen op basis van eigen invullingen, zonder onderbouwing door middel van stukken, de zorgregeling tussen [ouder 1] en [minderjarige] abrupt stopgezet. Hierbij heeft zij geen rekening gehouden met het effect daarvan op [minderjarige]. Er worden vervolgens door [ouder 2] leugens verspreid, waaronder onwaarheden over alcoholgebruik, een gebrek aan interesse in [minderjarige] en de gebrekkige verzorging van [minderjarige]. [ouder 1] mist [minderjarige] en maakt zich zorgen om hem. Zo wordt [minderjarige] steeds geconfronteerd met de nieuwe relaties van [ouder 2]. Ook is bij de kennismaking met de nieuwste partner van [ouder 2] meteen aan haar gevraagd of [ouder 1] wil instemmen met een verhuizing. Tevens heeft ze het gevoel dat het voorheen vooral goed ging tussen partijen als zij [ouder 2] haar zin gaf. Zo was ze het in de basis niet eens met een inperking van de zorgregeling op de vrijdag. [ouder 1] wil graag een week op week af regeling, maar begrijpt dat dit opgebouwd moet worden. [ouder 1] vordert nakoming van de zorgregeling zoals hij is opgenomen in het ouderschapsplan, aangezien andere oplossingen het abrupt stopzetten van het contact zouden goedkeuren. Tevens staat ze open voor hulpverlening van Slim uit Elkaar om nadere (veiligheids)afspraken te maken, aangezien de ouders samen voor [minderjarige] moeten zorgen. In de tussentijd moet [ouder 1] wel omgang kunnen hebben met [minderjarige]. Het zou bovendien fijn zijn als de Raad, indien blijkt dat partijen er niet samen uitkomen, alvast een onderzoek doet naar de zorgregeling en daarover rapporteert in de nog te starten bodemprocedure tussen partijen.

3.3.

[ouder 2] voert verweer tegen de vorderingen van [ouder 1] in conventie en concludeert tot niet-ontvankelijkheid dan wel afwijzing van die vorderingen.

In reconventie vordert [ouder 2] bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. de zorgregeling zoals overeengekomen in het ouderschapsplan van l september 2024, voor een nader vast te stellen (on)bepaalde tijd op te schorten, althans mw. [ouder 1] het recht op contact met [minderjarige] te ontzeggen, althans enkel nog contact tussen haar en [minderjarige] te laten plaatsvinden onder begeleiding van mw. [ouder 2], althans onder begeleiding van een (onafhankelijke en deskundige) derde, althans een zodanige beslissing te nemen als de voorzieningenrechter juist acht;

II. voor zover mogelijk in kort geding partijen door te verwijzen naar het Uniform Hulpaanbod, althans naar Slim Uit Elkaar, althans een zodanige beslissing te nemen als de voorzieningenrechter juist acht.

3.4.

Ter onderbouwing van haar verweer en vorderingen voert [ouder 2], kort samengevat, het navolgende aan. [ouder 2] heeft nooit de intentie gehad om het contact tussen [minderjarige] en [ouder 1] te beëindigen, maar ze heeft al een langere tijd grote zorgen over het alcoholgebruik en de mentale toestand van [ouder 1]. Ook maakt [ouder 2] zich zorgen over de verzorging van [minderjarige] als hij langdurig bij [ouder 1] is. Zo heeft zij [minderjarige] aangetroffen met een volle luier, terwijl hij net in bed lag, en een te kleine pyjama. [ouder 2] heeft altijd gehandeld in het belang van [minderjarige]. Sinds hij geen contact meer heeft met [ouder 1], maakt hij zichtbaar enorme stappen. Het is belangrijk dat [ouder 2] weer vertrouwen krijgt in [ouder 1] door middel van het traject Slim uit Elkaar. Sinds [ouder 1] kennis heeft gemaakt met haar nieuwe partner, krijgt [ouder 2] berichten waaruit zij kan opmaken dat [ouder 1] onder invloed van alcohol is. [ouder 2] is voorts niet voornemens om met [minderjarige] te verhuizen. Ook staat ze open voor contact tussen [ouder 1] en [minderjarige], mits dit voor een kortere duur en zonder overnachting is. Dat heeft al een keer plaatsgevonden onder haar begeleiding en daar heeft ze immers al zorgen aan overgehouden. Toch heeft ze nog meerdere keren aangeboden om het contact zelf te begeleiden, maar is [ouder 1] hier niet op ingegaan. Bovendien loopt de zorgregeling al een langere tijd niet meer zoals hij is overeengekomen in het ouderschapsplan, aangezien [minderjarige] op de vrijdagen niet meer naar [ouder 1] gaat.

3.5.

Op de overige stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, ingegaan.

4 De beoordeling in conventie en in reconventie

Internationale bevoegdheid en toepasselijk recht

4.1.

Vanwege de Belgische nationaliteit van [ouder 1] heeft deze zaak een internationaal aspect. De voorzieningenrechter heeft die ambtshalve beoordeeld. De voorzieningenrechter is van oordeel dat hem rechtsmacht toekomt en dat hij naar Nederlands recht dient te beslissen op de vorderingen van partijen.

Spoedeisend belang

4.2.

Op grond van de gedingstukken en de toelichting door partijen tijdens de mondelinge behandeling staat naar het oordeel van de voorzieningenrechter het spoedeisend belang van partijen bij hun vorderingen vast. De voorzieningenrechter overweegt hierbij dat de zorgregeling tussen [ouder 1] en [minderjarige] stop is gezet, wat maakt dat [ouder 1] al een langere tijd geen contact meer heeft met [minderjarige]. Omdat de vorderingen van [ouder 2] in reconventie zien op hetzelfde onderwerp, zal de voorzieningenrechter het spoedeisend belang van [ouder 2] bij deze vorderingen eveneens aannemen.

Samenhang vorderingen in conventie en reconventie

4.3.

Vanwege de nauwe samenhang tussen de vorderingen in conventie en reconventie, zullen deze vorderingen gezamenlijk worden behandeld.

Standpunt Raad

4.4.

Tijdens de mondelinge behandeling is namens de Raad, kort samengevat, naar voren gebracht dat de ouders bereid zijn om de hulpverlening van Slim uit Elkaar te accepteren. Zij kunnen dit zelf, via de huisarts van [minderjarige] en de gemeente, regelen. Een verwijzing naar het Uniform Hulpaanbod (UHA) is hiervoor niet noodzakelijk. Daarnaast licht de Raad toe dat het lastig is om zicht te krijgen op de zorgen die maken dat de zorgregeling abrupt stopgezet zou moeten worden. [ouder 2] heeft zorgen geuit over alcoholgebruik, welke zorgen [ouder 1] ontkent. De wijze waarop het contact is stopgezet, is zeer ingrijpend voor [minderjarige]. De Raad maakt zich vooral zorgen dat [minderjarige] klem komt te zitten tussen partijen en last heeft van het wantrouwen en de spanningen tussen partijen. Het is belangrijk dat er hulpverlening betrokken wordt, zodat [minderjarige] onbelast contact kan hebben met beide ouders. De Raad adviseert om partijen niet door te verwijzen naar het UHA, maar zelf contact op te laten nemen met de huisarts en op die wijze de indicatie voor Slim uit Elkaar te verkrijgen. Partijen kunnen dan met de hulpverlening nadere afspraken maken, bijvoorbeeld veiligheidsafspraken. Ook adviseert de Raad om de zorgregeling te hervatten zoals hij was, nu zij geen zorgen ziet die een schorsing van de zorgregeling rechtvaardigen. De Raad kan bovendien, als de hulpverlening vastloopt, onderzoek doen naar de zorgregeling in de nog door partijen te starten bodemprocedure.

Inhoudelijke beoordeling

4.5.

De voorzieningenrechter oordeelt als volgt. Uit de overgelegde stukken en de zitting blijkt dat de zorgregeling tussen [ouder 1] en [minderjarige] na een escalatie tussen partijen is stopgezet. Partijen verschillen van visie over wat er tussen hen is voorgevallen. Daarnaast is het gebleken dat [ouder 2] al een langere tijd zorgen heeft over de opvoedsituatie bij [ouder 1], welke zorgen [ouder 1] ontkent. Ook heeft [ouder 1] zorgen over de situatie bij [ouder 2]. De voorzieningenrechter stelt op grond hiervan vast dat er veel speelt tussen partijen en dat hun onderlinge communicatie en samenwerking door de escalatie ernstig verstoord is geraakt. De voorzieningenrechter is – met de Raad – van oordeel dat partijen hulpverlening behoeven om aan hun onderlinge samenwerking en communicatie te werken, alsmede nadere (veiligheids)afspraken te maken, nu zij samen ouder zijn en blijven van [minderjarige]. Het stemt de voorzieningenrechter positief dat partijen open staan voor en vertrouwen hebben in de hulpverlening vanuit Slim uit Elkaar. Zij zullen dit, gelet op hetgeen ter zitting is besproken, zelf via de huisarts en de gemeente vormgeven. Gelet hierop ziet de voorzieningenrechter dan ook geen redenen om partijen door te verwijzen naar het Uniform Hulpaanbod. De voorzieningenrechter zal op die grond de vordering in reconventie van [ouder 2] om partijen door te verwijzen naar het Uniform Hulpaanbod dan ook afwijzen. De Raad is bereid om, zonder verwijzing naar het UHA, toch een onderzoek te starten indien de hulpverlening vanuit Slim Uit Elkaar niet mocht lukken. De voorzieningenrechter zegt toe dat, op het moment dat die hulpverlening zou mislukken, de rechtbank een opdracht aan de Raad zal geven om onderzoek te doen, zodat het rapport in de bodemzaak kan worden meegenomen.

4.6.

Daarnaast maakt de voorzieningenrechter zich – evenals de Raad – zorgen om de spanningen en het wantrouwen tussen partijen, de contactbreuk tussen [minderjarige] en [ouder 1] en de invloed van de huidige situatie op [minderjarige]. Het moet worden voorkomen dat [minderjarige] klem komt te zitten tussen zijn ouders. Gelet hierop is het van groot belang voor de ontwikkeling van [minderjarige] – mede gelet op zijn zeer jonge leeftijd – dat hij structureel en onbelast contact kan hebben met beide ouders. Daarnaast heeft [ouder 1] als (gezaghebbende) ouder het recht en de plicht om [minderjarige] te verzorgen en op te voeden, mits er geen sprake is van een contra-indicatie. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de zorgen, zoals door [ouder 2] naar voren zijn gebracht, onvoldoende aannemelijk zijn geworden, nu haar zorgen vooral lijken te berusten op eigen interpretaties en onvoldoende worden onderbouwd in de overgelegde stukken, en daarmee geen opschorting van de zorgregeling rechtvaardigen. De voorzieningenrechter ziet dan ook geen redenen om [ouder 1] het contact met [minderjarige] (tijdelijk) te ontzeggen. Tevens oordeelt de voorzieningenrechter dat er geen redenen zijn om de zorgregeling (tijdelijk) te doen begeleiden of op een andere wijze vorm te geven dan partijen aanvankelijk weloverwogen overeen zijn gekomen in het ouderschapsplan. Partijen zullen bij Slim uit Elkaar nadere (veiligheids)afspraken met elkaar maken om, onder andere, de zorgregeling inhoudelijk en praktisch verder vorm te geven. De vordering in reconventie van [ouder 2] ten aanzien van de zorgregeling zal de voorzieningenrechter dan ook eveneens afwijzen.

4.7.

De voorzieningenrechter is tevens van oordeel dat het contact tussen [ouder 1] en [minderjarige] zo snel mogelijk moet worden hersteld en dat er sprake moet zijn van structureel contact tussen hen. Partijen zijn met elkaar ter zitting overeengekomen dat [minderjarige] in ieder geval zondag 12 juli om 15:00 uur tot 18:30 uur onbegeleide omgang heeft met [ouder 1], mits er geen sprake is van alcoholgebruik en [minderjarige] geen luiers draagt. De voorzieningenrechter zal, gelet op het voorgaande, de vordering van [ouder 1] deels toewijzen, omdat inmiddels de vrijdag geen omgangsdag meer is, en [ouder 2] met ingang van 13 juli 2026 veroordelen tot nakoming van de zorgregeling zoals door partijen is overeengekomen in het op 1 september 2024 ondertekende ouderschapsplan (behalve de vrijdag). [ouder 1] kan zich hier nu in vinden. Verdere afspraken over de omgang kunnen met de hulpverlening worden besproken. Dit betekent dat vanaf 13 juli de bestaande zorgregeling weer ingaat. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om een dwangsom aan de veroordeling tot nakoming te verbinden, nu er op dit moment geen redenen zijn om aan te nemen dat [ouder 2] zich (mogelijk) niet zal houden aan de verplichtingen die voortvloeien uit dit vonnis, en zal deze vordering dan ook afwijzen.

4.8.

De voorzieningenrechter zal deze beslissing, gelet op het spoedeisende karakter daarvan en het belang dat hierover duidelijkheid bestaat, uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals over en weer door partijen is gevorderd (in conventie en in reconventie). Dit betekent dat deze beslissing per direct van kracht is en moet worden uitgevoerd, ook als daartegen hoger beroep wordt ingesteld.

4.9.

Gelet op de relatie die tussen partijen heeft bestaan, zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

4.10.

Het meer of anders gevorderde (in conventie en in reconventie) zal worden afgewezen.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter:

5.1.

veroordeelt [ouder 2] met ingang van 13 juli 2026 tot nakoming van de door partijen overeengekomen zorgregeling, zoals is opgenomen in het ouderschapsplan dat door partijen op 1 september 2024 is ondertekend (met uitzondering van de vrijdag, omdat die dag feitelijk al een tijd niet meer is nageleefd door partijen);

5.2.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.3.

compenseert de proceskosten tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

5.4.

wijst af hetgeen meer of anders (in conventie en in reconventie) is gevorderd.

Dit vonnis is gewezen door mr. De Beer, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken op 10 juli 2026 in tegenwoordigheid van mr. Boomaars, griffier.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.