Uitspraak · Personen- en familierecht

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 9 juli 2026

ECLI:NL:RBZWB:2026:7422Zaaknummer C/02/422422 / FA RK 24-2242

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
9 juli 2026
Publicatiedatum
18 september 2026
Zaaknummer
C/02/422422 / FA RK 24-2242
Rechtsgebied
Civiel recht, Personen- en familierecht
Procedure
Rekestprocedure, Beschikking
Zittingsplaats
Middelburg
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Hoofdverblijf bij vrouw - zorgregeling tussen man en mj onder regie GI

De rechtbank:

bepaalt het hoofdverblijf van de [minderjarige], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2020, bij de vrouw;

bepaalt dat de man en voornoemde minderjarige in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken gerechtigd zijn tot contact met elkaar onder leiding en regie van de GI, een en ander met inachtneming van het in rechtsoverweging 2.10 overwogene;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. De Beer, rechter, tevens kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 9 juli 2026, in tegenwoordigheid van De Pooter, griffier.

Mededeling van de griffier:

Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:

  • door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 Het nadere procesverloop
  2. 2 De verdere beoordeling
  3. 3 De beslissing

beschikking

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team Familie- en Jeugdrecht

Zittingsplaats: Middelburg

Zaaknummer: C/02/422422 / FA RK 24-2242

Datum uitspraak: 9 juli 2026

Nadere beschikking betreffende vaststelling hoofdverblijf en zorgregeling

in de zaak van

[de man],

hierna te noemen: de man,

wonende te [woonplaats],

advocaat: voorheen mr. W. van der Sande te Goes (onttrokken), thans mr. M.S. Yap te Bergen op Zoom

tegen

[de vrouw],

hierna te noemen: de vrouw,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. R. Wouters te Middelburg,

betreffende de minderjarige:

- [minderjarige], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2020, hierna te noemen: [minderjarige]

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

de gecertificeerde instelling STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND, gevestigd te Middelburg,

hierna te noemen: de GI,

Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

- de Raad voor de Kinderbescherming Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg,

hierna te noemen: de Raad, om de rechtbank over de verzoeken te adviseren

1 Het nadere procesverloop

1.1

De rechtbank oordeelt op grond van de navolgende stukken:

- de tussenbeschikking van deze rechtbank van 19 november 2024 en alle daarin opgenomen en gemelde stukken;

- de op 2 mei 2025 ingekomen klachtbeslissing van de Raad d.d. 15 april 2025;

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 12 augustus 2025;

- de brief van de GI d.d. 10 september 2025, met bijlagen;

- de brief van de man d.d. 1 oktober 2025;

- het F-formulier d.d. 19 januari 2026 van mr. Wouters;

- de briefrapportage van de GI van 2 juni 2026, met bijlagen;

- de brief van de GI van 3 juni 2026, met bijlage.

1.2

De verzoeken zijn nader mondeling behandeld op 10 juni 2026. Bij die gelegenheid zijn verschenen de vrouw, bijgestaan door haar advocaat. Verder is verschenen mr. Yap, advocaat, namens de man. Tevens was aanwezig een vertegenwoordigster van de Raad, alsmede twee vertegenwoordigsters van de GI. De man is, alhoewel correct en tijdig opgeroepen, niet verschenen.

2 De verdere beoordeling

2.1

In geschil zijn de verzoeken van de man om, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

- te bepalen dat de minderjarige [minderjarige] zijn hoofdverblijf zal hebben bij de man;

- te bepalen dat de zorgregeling tussen de vrouw en [minderjarige] zal zijn als volgt: de minderjarige verblijft bij de vrouw gedurende één weekend per twee weken van vrijdag 17:00 uur tot zondag 17:00 uur alsmede gedurende de helft van de schoolvakanties en feestdagen, dan wel een zodanige regeling die de rechtbank in het belang van de minderjarige acht.

2.2

Voorts liggen nog ter beoordeling voor de zelfstandige verzoeken van de vrouw om, bij beschikking en voor zover de wet dit toelaat uitvoerbaar bij voorraad:

- voor recht te verklaren dat het hoofdverblijf van [minderjarige] bij de vrouw is gelegen

althans te bepalen dat het hoofdverblijf van [minderjarige] bij de vrouw wordt bepaald;

- te bepalen dat er een zorgregeling wordt vastgesteld tusen [minderjarige] en de ouder die het hoofdverblijf niet heeft c.q. aan wie [minderjarige] niet is vertrouwd waarbij [minderjarige] per veertien dagen zeven dagen bij de ene ouder zal zijn c.q. deze ouder de zorg over [minderjarige] zal hebben en zeven dagen bij de andere ouder c.q. deze ouder de zorg over [minderjarige] zal hebben, met als wisselmoment vrijdag 17:00 uur, dan wel subsidiair een regeling vast te stellen die de rechtbank in goede justitie zal bepalen met betrekking tot de zorgregeling.

2.3

Bij tussenbeschikking van 19 november 2024 heeft de rechtbank bepaald dat de vrouw en [minderjarige] in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken voorlopig gerechtigd zijn tot het hebben van begeleid contact met elkaar twee keer per week gedurende twee uur, waarbij de GI de regie voert over de (uitbreiding van de) zorgregeling wat betreft opbouw, frequentie, duur en al dan niet begeleid zijn van de omgang, een en ander zoals onder rechtsoverweging 2.4.2 van die beschikking is overwogen;

2.4

De behandeling en beslissingen op de verzoeken van partijen zijn aangehouden tot 6 mei 2025 PRO FORMA. De GI is verzocht om uiterlijk op deze datum te rapporteren over de actuele stand van zaken in het kader van de ondertoezichtstelling, de ontwikkelingen in de situatie en het verloop en de resultaten van de hulpverlening en advocaten van partijen om daar schriftelijke op te reageren en zich uit te laten over het gewenste verdere procesverloop;

2.5

Bij beschikking van 22 januari 2026 heeft de kinderrechter de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd met ingang van 30 januari 2026 en tot 30 oktober 2026, en verder is een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de andere ouder met gezag, te weten de moeder, verleend met ingang van 22 januari 2026 en tot 30 oktober 2026.

2.6

De GI heeft op 2 juni 2026 gerapporteerd. Samengevat en voor zover van belang stelt de GI dat het goed gaat met [minderjarige] die na het overlijden van zijn pleegmoeder bij zijn moeder is geplaatst. Moeder heeft zich de afgelopen periode positief ontwikkeld. Ze werkt actief en constructief mee aan de ingezette hulpverlening en profiteert zichtbaar van de begeleiding. De partner van moeder is betrokken en ondersteunend. Uit terugkoppeling van betrokken hulpverlening blijkt dat moeder opvoedvaardig handelt, goed aansluit bij de behoeften van [minderjarige] en adequaat aangeeft welke ondersteuning zij nodig heeft. De samenwerking met hulpverlening wordt als positief en constructief ervaren. De samenwerking tussen vader en de betrokken hulpverlening verloopt moeizaam. Ondanks

herhaalde inspanningen is er geen sprake van een constructieve werkrelatie. Vader geeft aan zich niet gehoord te voelen en uit dit veelal in boos en escalatief gedrag tijdens

contactmomenten met professionals. Hij stelt voorwaarden aan de samenwerking en wenst enkel onder eigen voorwaarden in gesprek te gaan. Om het contact tussen vader en [minderjarige] zorgvuldig op te starten, is door de jeugdbescherming bezoekbegeleiding ingezet. De begeleide bezoeken zijn tijdelijk opgestart, maar verlopen onvoldoende stabiel. Vanuit de betrokken organisatie ( [zorgaanbieder]) is aangegeven dat afspraken structureel onder druk staan en dat voortgang afhankelijk is van de mate waarin vader bereid is zich te conformeren aan gestelde voorwaarden. Vanwege gedrag van vader richting hulpverleners heeft een corrigerend gesprek plaatsgevonden, waarbij concrete afspraken met vader zijn gemaakt als randvoorwaarde voor voortzetting van het contact. Tot op heden heeft vader geweigerd deze afspraken te ondertekenen. Als gevolg hiervan:

- zijn de begeleide contacten tussen vader en [minderjarige] stil komen te liggen – het laatste contact was op 27 maart 2026;

- heeft IPT (Intensieve Pedagogische Thuishulp) nog geen aanvang kunnen nemen;

- ontbreekt structureel zicht op de situatie bij vader.

Gezien het ontbreken van basisvoorwaarden voor samenwerking en veiligheid bij vader, is het op dit moment niet mogelijk om een duurzame en verantwoorde zorgregeling vast te stellen. Voortzetting of hervatting van contact tussen vader en [minderjarige] is uitsluitend mogelijk indien vader:

- bereid is de gestelde voorwaarden van hulpverlening te onderschrijven;

- meewerkt aan begeleide contacten;

- zich houdt aan afspraken en zich constructief opstelt richting betrokken professionals.

Zonder deze randvoorwaarden kan de veiligheid en voorspelbaarheid voor [minderjarige] onvoldoende worden gewaarborgd. De GI adviseert het hoofdverblijf van [minderjarige] vast te stellen bij moeder, aangezien zij op dit moment in staat is om een veilige, stabiele en ontwikkelingsbevorderende opvoedomgeving te bieden. Ten aanzien van de zorgregeling met vader adviseert de GI (vooralsnog) geen vaste zorgregeling vast te stellen, en contact afhankelijk te stellen van de bereidheid van vader om te voldoen aan voorwaarden van hulpverlening. Eventuele contactmomenten uitsluitend onder begeleiding te laten plaatsvinden, zodra vader medewerking verleent.

2.7

De vrouw kan zich vinden in het advies van de GI. Het hoofdverblijf kan worden bepaald bij de vrouw. Ten aanzien van de zorgregeling heeft de vrouw verzocht om een gelijkwaardige verdeling van de zorg tussen beide ouders. Ter zitting is door de vrouw desgevraagd verklaard dat dit nog steeds haar voorkeur heeft. Een andere verdeling waarbij minder contact is tussen [minderjarige] en zijn vader is voor de vrouw ook akkoord, zolang de omgang maar veilig is. Duidelijk is dat [minderjarige] zijn vader mist. De vrouw heeft ter zitting haar verzoek ten aanzien van de zorgregeling aangepast in die zin dat wordt verzocht onder regie van de GI nader invulling te geven aan de zorgregeling tussen de man en [minderjarige].

2.8

Mr. Yap stelt dat hij geen recent contact met de man heeft gehad en om die reden ook niet bekend is met het actuele standpunt van de man over de voorliggende verzoeken. Hij verzoekt de zaak voor wat betreft de zorgregeling aan te houden.

Hoofdverblijf;

2.9

De rechtbank overweegt dat de huidige situatie vraagt om om duidelijkheid en stabiliteit voor de minderjarige [minderjarige]. De rechtbank is met de GI van oordeel dat dit het beste gewaarborgd kan worden binnen de opvoedsituatie bij moeder. Om die reden zal de rechtbank het hoofdverblijf van [minderjarige] bepalen bij de vrouw. Dit is overeenkomstig de feitelijke situatie en verder is niet gebleken dat het belang van de minderjarige zich daartegen verzet.

Zorgregeling;

2.10

Voor wat betreft de zorgregeling tussen de man en [minderjarige] zal de rechtbank overeenkomstig het advies van de GI (vooralsnog) geen vaste zorgregeling vaststellen, en eventueel contact afhankelijk te stellen van de bereidheid van de man om te voldoen aan de voorwaarden van hulpverlening. Tegelijkertijd blijft het van belang dat, waar mogelijk en verantwoord, gewerkt wordt aan herstel van contact met vader, mits dit op een veilige en gestructureerde wijze kan plaatsvinden. De rechtbank betreurt het dat door toedoen van de man er na 27 maart 2026 vooralsnog geen contacten tussen [minderjarige] en de man hebben plaatsgevonden. De man is ook niet ter zitting verschenen om zijn standpunten en beweegredenen nader toe te lichten. Duidelijk is wel dat [minderjarige] zijn vader mist, hetgeen ook door de vrouw ter zitting is bevestigd. De rechtbank zal dan ook bepalen dat in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken de man en [minderjarige] gerechtigd zijn tot contact met elkaar, en dat de regie hiervoor bij de GI ligt, een en ander met inachtneming van het hiervoor overwogene.

3 De beslissing

De rechtbank:

bepaalt het hoofdverblijf van de [minderjarige], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2020, bij de vrouw;

bepaalt dat de man en voornoemde minderjarige in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken gerechtigd zijn tot contact met elkaar onder leiding en regie van de GI, een en ander met inachtneming van het in rechtsoverweging 2.10 overwogene;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. De Beer, rechter, tevens kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 9 juli 2026, in tegenwoordigheid van De Pooter, griffier.

Mededeling van de griffier:

Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:

  • door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.