Uitspraak · Bestuursrecht
Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 30 juli 2026
ECLI:NL:RBZWB:2026:7016Zaaknummer BRE 26/3959
- Instantie
- Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Datum uitspraak
- 30 juli 2026
- Publicatiedatum
- 6 augustus 2026
- Zaaknummer
- BRE 26/3959
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht
- Procedure
- Voorlopige voorziening
- Zittingsplaats
- Breda
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Vovo
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.M.L. van de Sande, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van S.J. Franssen, griffier, op 30 juli 2026 en openbaar gemaakt door geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
| griffier | voorzieningenrechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 26/3959
uitspraak van de voorzieningenrechter van 30 juli 2026 in de zaak tussen
't Oude Strandhuys B.V., uit Zoutelande, verzoekster
(gemachtigde: mr. L.J. de Rijke),
en
de burgemeester van de gemeente Veere
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster inzake het besluit van de burgermeester om de aanvragen alcoholwet- en exploitatievergunning (inclusief terras) buiten behandeling te stellen.
Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
Verzoekster heeft op verzoek van de voorzieningenrechter een nadere toelichting gegeven op het spoedeisend belang in de e-mail van 28 juli 2026.
Op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een zitting achterwege gebleven.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
2. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist. Dat betekent dat sprake moet zijn van een situatie waarin – in dit geval – de beslissing op bezwaar niet afgewacht kan worden, omdat het onmogelijk zal zijn om eventuele gevolgen van (de uitvoering van) het besluit te herstellen (onomkeerbaarheid).
Verzoekster heeft het volgende aangevoerd. Gelet op het reeds aangevangen vakantieseizoen heeft verzoekster belang bij het verkrijgen van de vergunning, omdat dit de periode bij uitstek is om haar inkomsten te genereren. Het niet kunnen genereren van inkomsten tijdens het zomerseizoen betreft een onomkeerbaar gevolg en kan ervoor zorgen dat de continuïteit van de onderneming in gevaar komt omdat schulden oplopen.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter moet het door verzoekster gestelde belang worden aangemerkt als een financieel belang. Op grond van vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State is een financieel belang op zich geen reden voor het treffen van een voorlopige voorziening. Eventuele schade kan immers worden verhaald indien achteraf blijkt dat het bestreden besluit onrechtmatig is. Een voorlopige voorziening kan wel aan de orde zijn als sprake is van een dreigende financiële noodsituatie.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is niet gebleken dat sprake is van een dreigende financiële noodsituatie. Hoewel de voorzieningenrechter begrijpt dat het reeds aangevangen vakantieseizoen de aangewezen periode is om als strandpaviljoen inkomsten te genereren, is niet gebleken dat verzoekster door het niet verkrijgen van deze vergunningen in een financiële en onomkeerbare noodsituatie terecht zou komen. De voorzieningenrechter neemt daarbij in aanmerking dat verzoekster, zoals zij stelt, wordt ondersteund door drie gelieerde ondernemingen, in die zin dat kosten voortvloeiend uit al gesloten overeenkomsten (huur, waarborg en nutsvoorzieningen) worden voorgeschoten door deze ondernemingen. Niet gesteld is dat deze ondersteuning tijdens de bezwaarprocedure niet zal worden voortgezet, zodat geen financiële noodsituatie dreigt. Daarnaast is het op voorhand kosten maken voor een onderneming zonder te beschikken over de vereiste vergunningen een keuze die verzoekster heeft gemaakt, welke valt onder het ondernemersrisico.
Bovendien stelt de voorzieningenrechter dat het bij voorlopige voorziening bepalen dat verzoekster het strandpaviljoen voorlopig zonder de vereiste vergunningen mag openen een te vergaande maatregel is die niet past bij het karakter van een voorlopige voorzieningenprocedure.
Conclusie en gevolgen
3. Gelet op het voorstaande stelt de voorzieningenrechter vast dat verzoekster onvoldoende spoedeisend belang heeft bij het treffen van de vergaande voorziening, als door verzoekster gevraagd. Dit betekent dat de voorzieningenrechter het verzoek zal afwijzen. Gelet op dit oordeel is er geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.M.L. van de Sande, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van S.J. Franssen, griffier, op 30 juli 2026 en openbaar gemaakt door geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
| griffier | voorzieningenrechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.