Uitspraak · Personen- en familierecht

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 23 juni 2026

ECLI:NL:RBZWB:2026:6808Zaaknummer C/02/446546/ FA RK 26-1613

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
23 juni 2026
Publicatiedatum
24 augustus 2026
Zaaknummer
C/02/446546/ FA RK 26-1613
Rechtsgebied
Civiel recht, Personen- en familierecht
Procedure
Rekestprocedure, Voorlopige voorziening, Beschikking
Zittingsplaats
Middelburg
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

vovo - toevertrouwing, woning, zorgregeling (birdnesting) en afwijzing kal

De rechtbank:

5.1.

bepaalt dat de man bij uitsluiting gerechtigd is tot het gebruik van de echtelijke woning, gelegen aan [adres] te [plaats 1] en beveelt de vrouw die woning verder niet te betreden, behoudens de ene week op zaterdag van 9.00 uur tot 19.00 uur en in de andere week op zondag van 09:00 tot 19:00 uur indien dit in het kader van de vastgestelde voorlopige verdeling van de zorg- en opvoedingstaken noodzakelijk is;

5.2.

bepaalt dat aan de man worden toevertrouwd de minderjarigen:

- [minderjarige 1], geboren op [geboortedag 1] 2012 in [geboorteplaats 1];

- [minderjarige 2], geboren op [geboortedag 2] 2014 in [geboorteplaats 2];

- [minderjarige 3], geboren op [geboortedag 3] 2018 in [geboorteplaats 2];

5.3.

bepaalt dat de vrouw en voornoemde minderjarigen in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken voorlopig gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar conform hetgeen is overwogen in de rechtsoverwegingen 4.9., 4.10. en 4.11. is overwogen;

5.4.

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. Voorn, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 23 juni 2026, in tegenwoordigheid van De Pooter, griffier.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 2 De feiten
  2. 3 Het geschil
  3. 4 De beoordeling
  4. 5 De beslissing

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team Familie- en Jeugdrecht

Middelburg

Zaak-/rekestnummer: C/02/446546/ FA RK 26-1613

beschikking d.d. 23 juni 2026 betreffende vaststelling voorlopige voorzieningen

in de zaak van

[de vrouw],

wonende te [plaats 1], thans feitelijk verblijvende in [plaats 2],

hierna te noemen de vrouw,

advocaat mr. H. Mink, kantoorhoudende te Oost-Souburg,

tegen

[de man],

wonende te [plaats 1],

hierna te noemen de man,

advocaat mr. R. Wouters, kantoorhoudende te Middelburg.

Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is in de procedure gekend:

- de Raad voor de Kinderbescherming Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg, hierna te noemen: de Raad.

1 Het procesverloop

1.1 Dit blijkt uit de volgende stukken:

- het op 27 maart 2026 ontvangen verzoekschrift, met producties;

- het op 20 mei 2026 ontvangen verweerschrift tevens zelfstandig verzoeken, met producties;

- de tijdens de mondelinge behandeling op 26 mei 2026 door mr. Wouters overgelegde draagkrachtberekening.

1.2. De zaak is behandeld op de mondelinge behandeling van 26 mei 2026. Bij die gelegenheid zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaat. Tevens was aanwezig een vertegenwoordigster van de Raad. In het kader van de pilot Piketmediation was ter gelegenheid van de mondelinge behandeling, met de instemming van partijen, ook aanwezig mediator mevrouw [mediator].

1.3. Nader te noemen minderjarigen zijn gelet op hun leeftijd in staat gesteld hun mening kenbaar te maken en hebben van deze gelegenheid gebruik gemaakt door het schrijven van een brief aan de rechtbank en de minderjarige [persoon] eveneens tijdens een zogenoemd kindgesprek op 26 mei 2026. Tijdens de zitting heeft de rechter samengevat wat de minderjarigen hebben aangegeven in hun brieven respectievelijk gesprek. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2 De feiten

2.1.

Partijen zijn met elkaar gehuwd op [datum] 2010 te [plaats 3].

2.2.

Partijen zijn de ouders van de navolgende kinderen:

- [minderjarige 1], geboren op [geboortedag 1] 2012 in [geboorteplaats 1];

- [minderjarige 2], geboren op [geboortedag 2] 2014 in [geboorteplaats 2];

- [minderjarige 3], geboren op [geboortedag 3] 2018 in [geboorteplaats 2].

2.3.

Partijen zijn gezamenlijk belast met het gezag over de minderjarigen.

2.4.

De vrouw heeft in december 2025 de echtelijke woning verlaten. De man verblijft tot op heden met de minderjarigen in de echtelijke woning.

3 Het geschil

3.1.

De vrouw heeft verzocht, bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

­ de vrouw met uitsluiting van de man gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning aan [adres] te [plaats 1] (gemeente Vlissingen);

­ dat de minderjarige kinderen voornoemd voorlopig aan de vrouw zullen worden toevertrouwd;

­ de man te veroordelen tot betaling van een bijdrage in de kosten van opvoeding en verzorging van de minderjarigen voornoemd van € 414,- per kind per maand m.i.v. de datum van het wijzen van de beschikking en telkens bij vooruit betaling te voldoen.

3.2.

De man voert verweer en verzoekt tot afwijzing van de verzoeken van de vrouw

Bij wijze van zelfstandig verzoek verzoekt de man bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

­ dat de kinderen van partijen worden toevertrouwd aan de man;

­ te bepalen dat de man bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning, staande en gelegen te [plaats 1], aan [adres], inclusief alle aanwezige inboedel in de woning, waarbij de vrouw wordt bevolen die woning verder niet meer te betreden, behoudens met voorafgaande instemming van de man;

­ een zorgregeling te bepalen tussen de vrouw en de kinderen, inhoudende dat de vrouw de zorg zal hebben over de kinderen op twee dagdelen per veertien dagen, in de eerste week op de zaterdag van 10.00 tot 19.00 uur en in de tweede week van zondag 10.00 uur tot 19.00 uur.

3.3.

Op de standpunten van partijen wordt, voor zover van belang voor de beoordeling van de verzoeken, hierna ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

De zaak is na de mondelinge behandeling voor een korte periode aangehouden teneinde partijen in de gelegenheid te stellen deel te nemen aan mediation in het kader van hiervoor in 1.2 vermelde pilot. Van de piketmediator is vervolgens het bericht ontvangen dat de mediation is beëindigd zonder overeenkomst en dat de rechtbank door partijen wordt verzocht om uitspraak te doen.

Toevertrouwing, uitsluitend gebruik echtelijke woning en voorlopige zorgregeling;

4.2.

Beide partijen verzoeken de toevertrouwing van de minderjarigen alsmede het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning. De man verzoekt daarnaast een zorgregeling te bepalen tussen de vrouw en de minderjarigen, inhoudende dat de vrouw de zorg zal hebben over de minderjarigen op twee dagen per veertien dagen, in de eerste week op de zaterdag van 10.00 tot 19.00 uur en in de tweede week van zondag 10.00 uur tot 19.00 uur.

4.3.

De vrouw heeft – samengevat en voor zover hier van belang - aangevoerd dat het huwelijk duurzaam is ontwricht en dat de vrouw om die reden is vertrokken uit de voormalige echtelijke woning. De vrouw heeft in eerste instantie in verschillende vakantiewoningen verbleven en verblijft nu in een opvanglocatie in [plaats 2]. De vrouw stelt dat zij tot 1 december vorig jaar ook altijd – met hulp van de man – de zorg over de minderjarigen heeft gehad. De vrouw was er voor de minderjarigen in de middag na school en ging mee naar doktersafspraken en dergelijke. De man zorgde voor het inkomen. De vrouw wenst het liefst weer volledig voor de minderjarigen te zorgen. Het probleem is dat zij op dit moment geen goede huisvesting heeft om de minderjarigen te kunnen ontvangen. Zij hoopt dat hierin een goede verdeling kan worden gevonden.

4.4.

De man heeft verweer gevoerd tegen de verzoeken van de vrouw en zelf verzocht om de toevertrouwing van de minderjarigen en het gebruik van de echtelijke woning. De man stelt dat hij inmiddels al een half jaar effectief de toevertrouwing en zorg voor de kinderen heeft. De vrouw kan deze zorg op dit moment niet aan. Het is voor de

vrouw al moeilijk om voor één van de kinderen een dagdeel te zorgen. Zo is de afgelopen

periode gebleken toen de vrouw in een vakantiewoning verbleef. De man werd gevraagd het

kind op te halen omdat de vrouw niet meer wist wat ze moesten doen. De man is van mening dat de door hem verzochte regeling voor nu het maximaal haalbare is gezien de draagkracht van de vrouw. In overleg en onder begeleiding van de hulpinstanties is uitbreiding

van de regeling wel een doelstelling.

4.5.

De vertegenwoordigster van de Raad heeft tijdens de zitting het volgende naar voren

gebracht. De Raad maakt zich, gelet op dat wat in de stukken en tijdens de zitting naar voren

is gebracht, zorgen over de minderjarigen. De dynamiek tussen ouders heeft invloed op de minderjarigen. De minderjarigen dienen onbelast contact te kunnen hebben met beide ouders. Op dit moment is het contact met de vrouw minimaal. Dit is niet in het belang van de minderjarigen. Als het niet lukt om een woning te vinden voor de vrouw waar zij de minderjarigen kan ontvangen, dan adviseert de Raad birdnesting. De Raad kan aan de hand van de huidige informatie niet inschatten wat de beste zorgregeling is. De Raad acht het wel van belang dat [hulpverlening] in de vorm van IPT weer betrokken raakt bij het gezin. Hopelijk lukt het partijen om in mediation voorlopige afspraken te maken.

Toevertrouwing minderjarigen;

4.6.

Naar het oordeel van de rechtbank dienen de minderjarigen te worden toevertrouwd aan de man. De kinderen verblijven sinds het vertrek van de vrouw uit de echtelijke woning in december 2025 bij de man en hebben sindsdien minimaal contact met hun moeder. Dit betekent dat de minderjarigen eraan gewend zijn dat zij bij hun vader zijn en dat hun vader voor hen zorgt. Er zijn geen signalen dat het bij de man niet goed gaat met de minderjarigen.

De rechtbank acht het in het belang van de minderjarigen dat zij in deze voor hen ongetwijfeld onrustige tijd zo min mogelijk met wijzigingen in hun situatie worden geconfronteerd. Anders gezegd: handhaving van de huidige situatie is op dit moment het meest in hun belang. Dit betekent dat de rechtbank zal beslissen dat de juridische situatie in overeenstemming wordt gebracht met de feitelijke situatie. Het voorgaande leidt ertoe dat het verzoek van de man tot toevertrouwing van de kinderen aan hem zal worden toegewezen onder gelijktijdige afwijzing van het verzoek van de vrouw. De rechtbank benadrukt dat hiermee niet vooruitgelopen wordt op het definitieve hoofdverblijf van de minderjarigen. Onweersproken is immers gebleven dat tot voor kort de zorg en opvoeding van de minderjarigen nagenoeg volledig bij de vrouw lag, en de man voor het inkomen zorgde. Bovendien acht de rechtbank het van belang dat – zoals hierna zal worden overwogen - dat het contact tussen de minderjarigen en de vrouw wordt hersteld en met de tijd verder wordt uitgebreid.

Uitsluitend gebruik woning;

4.7.

Gelet op de inhoud van de stukken en de verklaringen van partijen ter zitting stelt de rechtbank vast dat het gezamenlijk gebruik van de echtelijke woning in redelijkheid niet meer mogelijk is, zodat thans dient te worden beoordeeld wiens belang bij het uitsluitend gebruik van die woning zwaarder weegt. Vast staat dat de vrouw de echtelijke woning heeft verlaten en op dit moment in de opvang in [plaats 2] verblijft. De man verblijft met de minderjarigen in de echtelijke woning. De rechtbank is, de belangen van beide partijen tegen elkaar afwegend, van oordeel dat - in de huidige omstandigheden - het belang van de man (en de minderjarigen) bij het gebruik van de echtelijke woning zwaarder weegt dan het belang van de vrouw. Hiervoor acht de rechtbank van belang dat de minderjarigen aan de man zijn toevertrouwd en dat het voor de minderjarigen belangrijk is dat zij in hun vertrouwde omgeving kunnen opgroeien. De rechtbank zal mitsdien bepalen dat de man het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning toekomt, zulks onder afwijzing van verzoek van de vrouw, behoudens hetgeen hierna wordt overwogen ten aanzien van de (uitvoering van de) zorgregeling.

Voorlopige zorgregeling;

4.8.

Tussen partijen staat vast dat er contact moet zijn tussen de vrouw en de minderjarigen en dat de minderjarigen daar ook behoefte aan hebben. Vast staat dat de vrouw de minderjarigen in haar huidige woonruimte niet of moeilijk kan ontvangen. Ter zitting is besproken dat de man bereid is om een woonruimte te faciliteren waar de vrouw alle minderjarigen kan ontvangen. Partijen zijn overeengekomen dat zij dit verder zullen bespreken in mediation. Nu partijen geen afspraken hebben kunnen maken in mediation, zal de rechtbank hierover een beslissing nemen.

4.9.

Gelet op hetgeen ter zitting is besproken met partijen en op hetgeen is aangegeven door de minderjarigen acht de rechtbank wekelijks een één-op-één contact tussen de vrouw en iedere minderjarige van belang. Hiermee krijgen de minderjarigen en de vrouw de kans om het contact en hun band in een rustig tempo te herstellen en op te bouwen. Gelet op het feit dat de vrouw op dit moment niet over geschikte woonruimte beschikt om de minderjarigen te kunnen ontvangen en tijd met hen door te brengen, is dat op dit moment niet mogelijk. De rechtbank zal wel bepalen dat zodra de vrouw over geschikte woonruimte beschikt zij en iedere minderjarige individueel contact met elkaar zullen hebben gedurende een doordeweekse dag na school (de vrouw haalt de minderjarige op) tot na het avondeten. De dagen en tijdstippen dienen in nader overleg tussen ouders en de minderjarigen te worden bepaald, afgestemd op de na-schoolse activiteiten van de minderjarigen.

4.10.

Naast voornoemde wekelijkse individuele contactmomenten tussen de vrouw en de minderjarigen acht de rechtbank het van belang dat er omgangscontacten tussen de vrouw en alle minderjarigen plaatsvinden op een voor de minderjarigen vertrouwde en veilige plek. Nu de huidige woonruimte van de vrouw niet geschikt is om alle drie de kinderen te ontvangen en zoals hiervoor is overwogen partijen in mediation evenmin overeenstemming hebben kunnen bereiken over een alternatieve woonruimte voor omgang tussen de vrouw en de minderjarigen, zal de rechtbank bepalen dat er wekelijks contact tussen de vrouw en de minderjarigen gezamenlijk - ondanks de toekenning van het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning aan de man - plaatsvindt in c.q. vanuit de echtelijke woning, totdat partijen in onderling overleg een andere voor de minderjarigen geschikte plek afspreken. De rechtbank begrijpt dat dit geen ideale situatie is, maar is van oordeel dat het belang van de minderjarigen (in het hebben van contact met beide ouders) voorop dient te staan.

4.11

Ten aanzien van de contacten tussen de vrouw en alle minderjarigen acht de rechtbank het verder van belang dat deze contacten zorgvuldig worden opgebouwd en dat er moet worden gestart met een overzichtelijk tijdspanne zodat het contactmoment voor de minderjarigen (en de vrouw) positief verloopt. Gelet daarop zal de rechtbank het verzoek van de man in zoverre toewijzen dat – naast de individuele contactmomenten – de vrouw de ene week op zaterdag van 9.00 uur tot 19.00 uur en in de andere week op zondag van 09:00 tot 19:00 uur de zorg draagt voor de minderjarigen, zulks in de echtelijke woning en buiten aanwezigheid van de man totdat partijen in onderling overleg een andere voor de minderjarigen geschikte plek afspreken. De rechtbank gaat ervan uit dat partijen in onderling overleg en met behulp van de hulpverlening dit moment in een rustig tempo verder zullen uitbreiden naar een weekendregeling een keer in de twee weken van vrijdag uit school tot en met zondagavond 19:00. Gelet op de toekenning van het uitsluitend gebruik van de woning aan de man betekent dit dat het de vrouw alleen de ene week op zaterdag van 9.00 uur tot 19.00 uur en de andere week op zondag van 09:00 tot 19:00 uur is toegestaan om in de echtelijke woning te verblijven indien dit in het kader van de voorlopige verdeling van de zorg- en opvoedingstaken noodzakelijk is.

Kinderbijdrage

4.12.

Gelet op de hiervoor bepaalde toevertrouwing van de minderjarigen aan de man en de voorlopige zorgregeling tussen de vrouw en de minderjarigen, komt de rechtbank niet toe aan het verzoek van de vrouw tot het vaststellen van een door de man aan haar te betalen kinderbijdrage. De rechtbank zal dit verzoek dan ook afwijzen.

Directe werking

4.13.

Tegen deze beslissing staat geen gewoon rechtsmiddel open. Ingevolge artikel 824 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering kan alleen cassatie in het belang der wet worden ingesteld. Hoger beroep is dus niet mogelijk. Dit betekent dat deze beslissing directe werking heeft.

5 De beslissing

De rechtbank:

5.1.

bepaalt dat de man bij uitsluiting gerechtigd is tot het gebruik van de echtelijke woning, gelegen aan [adres] te [plaats 1] en beveelt de vrouw die woning verder niet te betreden, behoudens de ene week op zaterdag van 9.00 uur tot 19.00 uur en in de andere week op zondag van 09:00 tot 19:00 uur indien dit in het kader van de vastgestelde voorlopige verdeling van de zorg- en opvoedingstaken noodzakelijk is;

5.2.

bepaalt dat aan de man worden toevertrouwd de minderjarigen:

- [minderjarige 1], geboren op [geboortedag 1] 2012 in [geboorteplaats 1];

- [minderjarige 2], geboren op [geboortedag 2] 2014 in [geboorteplaats 2];

- [minderjarige 3], geboren op [geboortedag 3] 2018 in [geboorteplaats 2];

5.3.

bepaalt dat de vrouw en voornoemde minderjarigen in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken voorlopig gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar conform hetgeen is overwogen in de rechtsoverwegingen 4.9., 4.10. en 4.11. is overwogen;

5.4.

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. Voorn, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 23 juni 2026, in tegenwoordigheid van De Pooter, griffier.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.