Uitspraak · Personen- en familierecht

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 23 juni 2026

ECLI:NL:RBZWB:2026:6800Zaaknummer C/02/439247 / JE RK 25-1571

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
23 juni 2026
Publicatiedatum
18 augustus 2026
Zaaknummer
C/02/439247 / JE RK 25-1571
Rechtsgebied
Civiel recht, Personen- en familierecht
Procedure
Rekestprocedure, Beschikking
Zittingsplaats
Breda
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Verlenging machtiging tot uithuisplaatsing. De rechtbank onderschrijft het perspectiefbesluit. Perspectief van minderjarige ligt niet bij de ouders.

De rechtbank:

6.1.

verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 1 juni 2026 tot 1 juli 2026;

6.2.

verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 1 juli 2026 tot 24 oktober 2026;

6.3.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

De beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 23 juni 2026, welke beschikking tevens bevat de schriftelijke vastlegging van de gegeven en in het openbaar uitgesproken mondelinge beslissing op 26 mei 2026, door mrs. Vos, Van Triest en Sumner, kinderrechters, in tegenwoordigheid van mr. Van Noort, griffier.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 Het verdere verloop van de procedure
  2. 2 De feiten
  3. 3 Het resterende verzoek
  4. 4 De standpunten
  5. 5 De beoordeling
  6. 6 De beslissing

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht

Locatie Breda

Zaaknummer: C/02/439247 / JE RK 25-1571

Datum mondelinge uitspraak: 26 mei 2026

Datum schriftelijke uitspraak: 23 juni 2026

Nadere beschikking van de meervoudige kamer over een verlenging machtiging tot uithuisplaatsing

in de zaak van

de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering, gevestigd te Amsterdam,

hierna te noemen de GI,

over

[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2015 in [geboorteplaats],

hierna te noemen [minderjarige].

De rechtbank merkt als belanghebbenden aan:

[de moeder],

hierna te noemen de moeder,

wonende in [woonplaats 1],

advocaat mr. R.T.A.G Keller uit Tilburg,

[de vader],

hierna te noemen de vader,

wonende in [woonplaats 2].

Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, hierna te noemen: de Raad, om de meervoudige kamer over het verzoek te adviseren.

1 Het verdere verloop van de procedure

1.1.

De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:

  • de beschikking van 3 oktober 2025 en alle daarin genoemde stukken;
  • het op 23 april 2026 ontvangen raadsrapport;
  • de brief van mr. Keller van 21 mei 2026 met bijlage;
  • de ter zitting door mr. Keller overgelegde pleitaantekeningen met bijlagen.
1.2.

De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 26 mei 2026. Daarbij waren aanwezig:

- de moeder en haar advocaat;

  • een vertegenwoordigster van de GI
  • een vertegenwoordiger van de Raad.
1.3.

Daarnaast waren tijdens de zitting, met bijzondere toestemming van de rechtbank, als toehoorders aanwezig mevrouw [naam 1], de ambulant begeleidster van de moeder van [hulpverlening], en de heer [naam 2], de partner van de moeder.

1.4.

Hoewel juist opgeroepen is de vader niet verschenen.

2 De feiten

2.1.

De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige].

2.2.

De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 3 oktober 2025 de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd met ingang van 24 oktober 2025 tot 24 oktober 2026 en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verlengd met ingang van 24 oktober 2025 tot 1 juni 2026. De kinderrechter heeft de behandeling van het resterende deel tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] pro forma aangehouden en de Raad verzocht onderzoek te doen naar het perspectief van [minderjarige] en het adviesrapport te overleggen aan de rechtbank, (de advocaten van) de ouders en de GI. De kinderrechter heeft zich iedere verdere beslissing voorbehouden.

2.3.

[minderjarige] verblijft met de machtiging tot uithuisplaatsing bij Sterk Huis in [plaats].

3 Het resterende verzoek

3.1.

De GI heeft in haar verzoek van 29 augustus 2025 verzocht de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Aan de orde is nog het resterende deel van dit verzoek.

4 De standpunten

4.1.

De GI heeft naar voren gebracht dat de moeder en [minderjarige] in de zomer van 2024 in [de woongroep] van Sterk Huis zijn gaan wonen voor een observatietraject. Het traject is in september 2024 beëindigd omdat er onvoldoende opvoedingsvaardigheden bij de moeder werden gezien en sprake was van weerstand tegen de hulpverlening. [minderjarige] is binnen [de woongroep] gebleven vanwege zijn complexe medische situatie. Op 28 augustus 2025 heeft de GI in een brief aan de ouders laten weten dat de GI besloten heeft dat [minderjarige] niet kan opgroeien bij een van zijn ouders. Er wordt niet meer gewerkt aan een thuisplaatsing, zo staat in de brief. De GI staat ook nu nog achter dit perspectiefbesluit dat inmiddels ook door de Raad wordt onderschreven en vindt dat de machtiging tot uithuisplaatsing moet worden verlengd tot het einde van de ondertoezichtstelling.

4.2.

Bij [minderjarige] is sprake complexe problematiek. Positief is dat hij hele kleine stapjes in zijn ontwikkeling maakt. [minderjarige] verblijft nu bij Sterk Huis met één-op-één begeleiding van [zorginstelling 2], maar dat is geen duurzame plek voor hem. Het CCE is betrokken voor advies en inmiddels is er meer duidelijkheid over zijn uitstroomperspectief. [zorginstelling 3] kan [minderjarige] de behandelsetting bieden die hij nodig heeft. Het personeel van [zorginstelling 3] zal medisch worden bijgeschoold. Vanuit [zorginstelling 2] zullen de drie vaste begeleiders van [minderjarige] meegaan naar [zorginstelling 3]. Daarnaast zal Sterk Huis traumabehandeling van [minderjarige] inzetten door middel van de methode ‘Slapende Honden Wakker Maken’. Een en ander is in gang gezet en naar verwachting zal [minderjarige] medio zomer 2026 kunnen worden overgeplaatst. Verder heeft de GI aangeven dat met [minderjarige] middels de methode ‘Drie Huizen’ is gesproken over zijn wensen, gevoelens en toekomstvisie. Hieruit komt vooral naar voren dat hij een duidelijke rol ziet in zijn leven voor de moeder. Ook ziet hij een rol voor zijn [begeleider] van [zorginstelling 2] en zijn [deeltijdpleegmoeder]. Voor [minderjarige] is het belangrijk dat hij duidelijkheid gaat ervaren over dat hij niet bij een van zijn ouders gaat opgroeien. Er is de afgelopen jaren veel hulpverlening ingezet. Op meerdere momenten is geconstateerd dat de opvoedcapaciteiten van de moeder tekort schieten. De moeder is nu wel beter in de samenwerking maar er zijn nog steeds zorgen over de opvoeding. Tijdens de omgang wordt gezien dat het voor de moeder lastig is om ontspannen het contact met [minderjarige] aan te gaan en hem te begrenzen. Daarnaast wordt gezien dat het voor [minderjarige] na een contactmoment moeilijk is om zijn gedrag weer te reguleren. Dit leidt bij hem tot agressief en opstandig gedrag. De hoop is dat in de toekomst [zorginstelling 3] de contactmomenten met de moeder voor- en na kan bespreken.

4.3.

Door en namens de moeder is, samengevat, aangevoerd, dat het perspectiefbesluit onvoldoende onderbouwd of in ieder geval prematuur is genomen. Niet ter discussie staat de kind eigen problematiek van [minderjarige]. Ook wordt niet weersproken dat [minderjarige] een zeer intensieve zorgbehoefte heeft en van zijn opvoeders bovengemiddeld veel vraagt. In een eerder stadium is de moeder met [minderjarige] opgenomen geweest bij [de woongroep] en is geconcludeerd dat de moeder niet zelfstandig voor [minderjarige] kan zorgen. Miskend wordt echter dat de moeder de afgelopen twee jaar enorm positieve stappen heeft gemaakt. Mede gelet op de omstandigheid dat de verblijfplaats van [minderjarige] sowieso zal wijzigingen maar bovenal gelet op de sterke wens van de moeder en [minderjarige] om bij elkaar te wonen, dient de moeder nog een laatste kans te krijgen. Middels een ouder-kindplaatsing kan de moeder laten zien dat zij zich ontwikkeld heeft en kan opnieuw worden beoordeeld of een thuisplaatsing aan de orde kan zijn. De omstandigheden die de Raad naar voren brengt om de stelling te onderbouwen dat dit niet in het belang van [minderjarige] is, houden geen stand. De conclusies over de opvoedkwaliteiten van de moeder zijn ruim twee jaar geleden getrokken, op een moment dat de moeder nog te maken had met ontregeling als gevolg van de problematische relatie met de vader. Inmiddels is de situatie van de moeder ten goede gekeerd. Er zijn geen escalaties meer tussen de ouders, de moeder staat open voor hulpverlening, komt afspraken na en haar leefsituatie is stabiel. De moeder heeft nu een stabiele relatie met een partner die haar steunt. De moeder heeft bovendien voldoende groei laten zien in haar vaardigheden. Volgens de moeder is dit onvoldoende meegewogen in het onderzoek van de Raad, terwijl de GI de afgelopen twee jaar ook op geen enkele wijze heeft geïnvesteerd in de opvoedmogelijkheden van de moeder. De moeder verzoekt de rechtbank om het perspectiefbesluit als onvoldoende zorgvuldig tot stand gekomen te beoordelen en de GI mee te geven alsnog in te zetten op een ouder-kindplaatsing. De moeder begrijpt echter wel dat [minderjarige] nu niet op stel en sprong naar huis kan en refereert zich aan het oordeel van de rechtbank voor wat betreft het resterende deel van het verzoek tot uithuisplaatsing.

Tot slot verzoekt de moeder de rechtbank een overweging te wijden aan het belang van uitbreiding van het contact tussen de moeder en [minderjarige]. Ook wenst de moeder beter geïnformeerd te worden over [minderjarige] zodat recht wordt gedaan aan haar positie als gezagdragende ouder.

4.4.

De Raad adviseert de rechtbank het perspectief van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te bepalen. [minderjarige] is een jongen met een zeer complexe zorgvraag. Hij heeft zowel op medisch als gedragsmatig vlak 24 uur per dag intensieve begeleiding nodig. De begeleiding van [minderjarige] is ook voor professionals uitdagend. De ouders kunnen hem die intensieve begeleiding dan ook niet bieden. In 2024 is er een moeder kind-plaatsing geweest bij [de woongroep]. Tijdens dat traject is vast komen te staan dat de moeder over onvoldoende opvoedcapaciteiten beschikt. Weliswaar zijn de omstandigheden van de moeder veranderd, maar haar opvoedcapaciteiten zijn niet veranderd. Hoewel de Raad begrijpt dat dit voor de moeder een verdrietige boodschap is, ziet de Raad geen mogelijkheden om [minderjarige] volledig thuis te laten wonen. De Raad ziet dat [minderjarige] en de moeder veel van elkaar houden. Dat is belangrijk, maar maakt het toekomstperspectief van [minderjarige] niet anders. De Raad heeft ook gekeken naar het opnieuw inzetten van een moeder-kind traject om zicht te krijgen op de pedagogische vaardigheden van de moeder, omdat de moeder aangeeft dat zij op dat vlak stappen heeft gezet. De Raad ziet het weer opstarten van een traject, net als de GI en Sterk Huis, als risicovol voor de stabiliteit van [minderjarige]. Het heeft anderhalf jaar geduurd om met [minderjarige] te komen waar hij nu is. Hij is nu relatief stabiel in gedrag en komt in kleine stapjes tot ontwikkeling. Het risico dat zijn ontwikkeling stagneert of achteruitgaat op het moment dat wederom wordt ingezet op een moeder-kindtraject acht de Raad te groot. De Raad vindt het van belang dat er met [minderjarige] en de moeder wordt gewerkt aan acceptatie van de situatie. Mogelijk kan van daaruit gewerkt worden aan een andere vorm van contact. Ook blijft het belangrijk om duidelijkheid te krijgen welke rol de vader in het leven van [minderjarige] kan spelen. De Raad is van mening dat de aanvaardbare termijn voor [minderjarige] is verstreken en dat hij niet langer in onzekerheid dient te verkeren over waar hij verder zal opgroeien. [minderjarige] heeft meer dan een gemiddeld kind behoefte aan duidelijkheid en structuur om zich positief te kunnen ontwikkelen binnen zijn eigen mogelijkheden. De Raad gunt [minderjarige] een passende plek waar hij de zorg en de aansturing krijgt die hij nodig heeft, met daarbij - indien mogelijk - een opbouwend, goed contact met de moeder en op termijn mogelijk met de vader.

5 De beoordeling

Mondelinge uitspraak

5.1.

Na afloop van de zitting heeft de rechtbank, met instemming van partijen, direct mondeling uitspraak gedaan over een deel van het verzoek. Het verzoek van de GI met betrekking tot de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing in een accommodatie jeugdhulpaanbieder is mondeling toegewezen voor de duur van een maand, tot 1 juli 2026. Dit was noodzakelijk, omdat de machtiging tot uithuisplaatsing voor [minderjarige] was verleend tot 1 juni 2026. Voor de meervoudige kamer van de rechtbank was het onmogelijk om voor die datum een gemotiveerde schriftelijke uitspraak te doen. Aan alle wettelijke vereisten voor het toewijzen van het verzoek werd voldaan. Deze beschikking is in zoverre een schriftelijke vastlegging van die mondelinge beslissing.

5.2.

Tijdens de zitting is afgesproken dat de rechtbank schriftelijk uitspraak zal doen over het resterende verzoek van de GI tot uithuisplaatsing van [minderjarige] tot het einde van de ondertoezichtstelling. Daartoe wordt als volgt overwogen.

Perspectief van [minderjarige]

5.3.

Bij iedere uithuisplaatsing van een kind is het de bedoeling dat er gewerkt wordt aan het herenigen van de ouder(s) en het kind. Hierbij dienen de belangen van het kind en die van de ouder tegen elkaar afgewogen te worden, waarbij de gezondheid en de ontwikkeling van het kind altijd voorop dienen te staan. Gedurende de uithuisplaatsing van een kind kan de GI tot het standpunt komen dat terugplaatsing bij de ouder(s) niet meer aan de orde is en dat het opgroeiperspectief van het kind elders ligt. Dit standpunt van de GI wordt in de praktijk aangeduid als ‘perspectiefbesluit’. Het perspectiefbesluit heeft echter als zodanig geen wettelijke grondslag. De wet verbindt daaraan geen rechtsgevolgen en voorziet niet in een specifieke rechtsgang om het perspectiefbesluit ter beoordeling aan de rechter voor te leggen. Wel mag de rechter een perspectiefbesluit beoordelen in het verband van beslissingen, maatregelen en verzoeken die (mede) voortvloeien uit of samenhangen met het standpunt van de GI over het opvoedperspectief van de minderjarige. De rechtbank is dan ook bevoegd om zich in het kader van de ondertoezichtstelling of de machtiging tot uithuisplaatsing uit te laten over het door de GI geformuleerde perspectiefbesluit.

5.4.

Ouders en kinderen zijn gediend met inzicht in en duidelijkheid over het standpunt van de GI over het opgroeiperspectief van een kind. In dat opzicht vervult het perspectiefbesluit een belangrijke functie. De GI heeft het perspectiefbesluit genomen dat [minderjarige] niet zal opgroeien bij de moeder of de vader. Het standpunt van de GI over dit opgroeiperspectief werkt door in de hulpverlening die de GI in het kader van een ondertoezichtstelling inzet en heeft grote gevolgen. In het perspectiefbesluit dat de GI op

28 augustus 2025 heeft genomen over [minderjarige] staat: “Dit betekent dat er door de WSSJB&JR niet meer wordt gewerkt aan thuisplaatsing van [minderjarige] ”.

5.5.

De rechtbank overweegt als volgt. [minderjarige] is een zeer kwetsbare jongen met meervoudige, complexe, ontwikkelings- en gedragsproblematiek die in zijn jonge leventje al veel heeft meegemaakt. Hij heeft een intensieve opvoedbehoefte die vraagt om duidelijkheid en structuur en specialistische pedagogische begeleiding en verpleegkundige zorg. De zorg voor [minderjarige] vraagt veel meer van een opvoeder dan die van een gemiddeld kind van zijn leeftijd. Zo heeft hij op dit moment 24-uurs één-op-één begeleiding van een vast team van drie zorgprofessionals van [zorginstelling 2].

5.6.

In de afgelopen jaren is ontzettend veel hulpverlening en begeleiding ingezet om de moeder en de vader te ondersteunen in hun primaire verantwoordelijkheid voor het opvoeden van [minderjarige]. Tijdens de geboorte van [minderjarige] woonden de ouders samen bij een ouder-kindtraject van [zorginstelling 3]. In de jaren daarna is er veel gebeurd en is [minderjarige] uit huis geplaatst. De ouders zijn daarna gaan wonen binnen een ouder-kindtraject van [hulpverlening] en op enig moment is [minderjarige] daarbij geplaatst. De vader was toen hoofdopvoeder. Laatstelijk, eind 2024, is er nog een ouder-kindtraject geweest bij [de woongroep]. Dit traject is voortijdig beëindigd. De vader heeft zich teruggetrokken uit het leven van [minderjarige] en heeft sinds 2025 geen contact meer met hem. Ten aanzien van de moeder werd door [zorginstelling 1] geconcludeerd dat het mede door haar persoonlijke problematiek en de complexe zorgvraag van [minderjarige] voor haar niet mogelijk is om [minderjarige] op te voeden.

De moeder beschikt niet over de daarvoor benodigde opvoedvaardigheden. Hierdoor is de veiligheid van [minderjarige] onvoldoende gewaarborgd, aldus [de woongroep].

5.7.

Ook voor [minderjarige] zelf is veel hulpverlening ingezet. Zo is hij begeleid en ondersteund door de [zorginstelling 4]. Daarmee is gedurende vele jaren intensief geïnvesteerd in zowel [minderjarige] als het gezinssysteem teneinde een thuisplaatsing mogelijk te maken. De rechtbank heeft er oog voor dat de moeder de problematiek van [minderjarige] en zijn behoefte aan een opvoeder ++ onderkent. Voor de rechtbank is ook duidelijk dat de moeder en [minderjarige], en ongetwijfeld ook de vader en [minderjarige], veel van elkaar houden. De moeder stelt dat zij nu wel degelijk is staat is om de zorg voor [minderjarige] te dragen. Reden waarom de kinderrechter bij beschikking van 3 oktober 2025 de Raad heeft verzocht om onderzoek te doen naar het perspectief van [minderjarige] en de vraag te beantwoorden of terugplaatsing bij de moeder of de vader in het belang van [minderjarige] is. De rechtbank stelt vast dat de moeder zich de afgelopen periode heeft ingespannen om haar persoonlijke omstandigheden te verbeteren. De rechtbank vindt het, ook voor [minderjarige], positief dat de moeder aan haar eigen ontwikkeling heeft gewerkt en haar leefsituatie heeft verbeterd. Echter, de rechtbank is van oordeel dat onvoldoende is gebleken dat zij op dit moment wel beschikt over de opvoedvaardigheden die nodig zijn om aan de intensieve, complexe opvoedbehoefte van [minderjarige] tegemoet te komen. De rechtbank betrekt daarbij dat bij de moeder, en overigens ook bij de vader, sprake is van persoonlijke problematiek. Een nieuw moeder-kindtraject acht de rechtbank daarbij niet in het belang van [minderjarige]. Het is risico is te groot dat dit de fragiele stabiliteit van dit zeer kwetsbare jongetje wederom doet wankelen, met alle gevolgen voor zijn ontwikkeling van dien. Het belang van [minderjarige] bij duidelijkheid, zodat hij voorzichtige kleine stappen kan blijven zetten in zijn ontwikkeling, prevaleert in dit geval boven het belang van de moeder bij een nieuw onderzoek naar de mogelijkheid tot gezinshereniging.

5.8.

De rechtbank heeft bovendien kennis genomen van de resultaten van het onderzoek door de Raad. De Raad adviseert de rechtbank aangaande het perspectief van [minderjarige] dit perspectief te bepalen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder. De rechtbank heeft geen reden om aan het advies van de Raad te twijfelen. Het advies is door een gedegen onderzoek tot stand gekomen. De rechtbank onderschrijft dan ook het perspectiefbesluit van de GI, in die zin dat het opgroeiperspectief van [minderjarige] niet bij de moeder of de vader ligt, maar in een passende accommodatie. Hoe pijnlijk en verdrietig ook, de conclusie van de rechtbank is eveneens dat ondanks al deze inzet [minderjarige] niet bij een van zijn ouders kan opgroeien.

5.9.

Het voorgaande neemt niet weg dat de moeder en de vader altijd de ouders zullen blijven van [minderjarige]. Het is daarom van belang dat [minderjarige] contact blijft hebben met de moeder, en mogelijk op termijn ook weer met de vader en dat zij geïnformeerd worden over zijn ontwikkeling. Er wordt vanuit gegaan dat alle betrokkenen zich zullen inzetten voor een betekenisvolle rol van de ouders in het leven van [minderjarige], op een wijze die passend is bij zijn belastbaarheid. Het is uiteindelijk aan de GI om dit vorm te geven.

Verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing

5.10.

Op grond van artikel 1:265c lid 2 BW kan de rechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:265b lid 1 BW is voldaan, de duur van de machtiging uithuisplaatsing telkens verlengen met ten hoogste een jaar.

5.11.

Gelet op hetgeen hiervoor omtrent het opgroeiperspectief van [minderjarige] is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat het verblijf van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder moet worden voortgezet. Een verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing is in het belang van de verzorging en opvoeding van [minderjarige] nog steeds noodzakelijk. De rechtbank zal dan ook het – onweersproken – resterende verzoek van de GI toewijzen.

5.12.

De rechtbank gaat er van uit dat, nu het perspectief van [minderjarige] is bepaald, de GI in de komende periode onderzoekt welke juridische situatie vervolgens het meest passend is. Immers, nu vaststaat dat het perspectief van [minderjarige] niet meer bij (één van) de ouder(s) ligt, zijn de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing wellicht niet langer de geëigende maatregelen.

Uitvoerbaar bij voorraad

5.13.

De rechtbank verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat. De rechtbank vindt dit in het belang van [minderjarige].

6 De beslissing

De rechtbank:

6.1.

verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 1 juni 2026 tot 1 juli 2026;

6.2.

verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 1 juli 2026 tot 24 oktober 2026;

6.3.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

De beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 23 juni 2026, welke beschikking tevens bevat de schriftelijke vastlegging van de gegeven en in het openbaar uitgesproken mondelinge beslissing op 26 mei 2026, door mrs. Vos, Van Triest en Sumner, kinderrechters, in tegenwoordigheid van mr. Van Noort, griffier.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.