Uitspraak · Personen- en familierecht

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 22 juni 2026

ECLI:NL:RBZWB:2026:6753Zaaknummer C/02/447139 / FA RK 26-1912

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
22 juni 2026
Publicatiedatum
21 augustus 2026
Zaaknummer
C/02/447139 / FA RK 26-1912
Rechtsgebied
Civiel recht, Personen- en familierecht
Procedure
Rekestprocedure, Beschikking
Zittingsplaats
Breda
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Verwijzing UHA. Aanhouden beslissing wijziging hoofdverblijf en verdeling zorg-en opvoedtaken.

6 De beslissing

De kinderrechter:

6.1.

bepaalt dat de minderjarigen:

- [minderjarige 1], geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 2018 en

- [minderjarige 2], geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedag 2] 2019,

voorlopig hun hoofdverblijf hebben bij de man;

6.2.

stelt vast dat de vrouw en de minderjarigen in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen de ouders, voorlopig, totdat de ouders hierover in goed onderling overleg afwijkende afspraken maken dan wel totdat de rechtbank definitief beslist, gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar overeenkomstig hetgeen hiervoor in rechtsoverweging 5.20 is overwogen;

6.3.

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

6.4.

verwijst de ouders, [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voor een (jeugd)hulptraject ten behoeve van de hiervoor onder rechtsoverwegingen 5.7 en 5.8 vermelde resultaten naar het zorgloket van de samenwerkende gemeenten in de zorgregio West-Brabant-Oost. Het loket zal de ouders, [minderjarige 1] en [minderjarige 2] vervolgens via de toegang van de woonplaatsgemeente van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verwijzen naar (een) zorgaanbieder(s);

6.5.

verzoekt het loket om uiterlijk op dinsdag 8 december 2026 PRO FORMA, of zoveel eerder als mogelijk is, de UHA-rapportage over het verloop en de resultaten van het (jeugd)hulptraject bij de griffie van de rechtbank in te dienen;

6.6.

verzoekt het loket, wanneer het traject niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat, om de UHA-eindrapportage ook direct toe te sturen aan de Raad;

6.7.

verzoekt de Raad om binnen veertien dagen na binnenkomst van de UHA-rapportage de rechtbank te informeren of hij aanleiding ziet om naar aanleiding daarvan een onderzoek of een interventie te starten;

6.8.

verzoekt de Raad, wanneer het UHA-traject niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat, dan wel als de Raad daartoe zelf aanleiding ziet, om een onderzoek in te stellen ter beantwoording van de hiervoor onder rechtsoverweging 5.10 vermelde vraag en daarover te rapporteren en te adviseren;

6.9.

verzoekt de Raad om zijn rapport en advies binnen vier maanden nadat de Raad de rechtbank heeft laten weten dat een onderzoek of interventie zal worden verricht, bij de rechtbank in te dienen;

6.10.

behoudt zich iedere (verdere) beslissing voor.

Deze beslissing is gegeven door mr. Baggel, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 22 juni 2026 in aanwezigheid van mr. Van Krieken als griffier.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 Het verloop van de procedure
  2. 2 De feiten
  3. 3 Het verzoek
  4. 4 De standpunten en het advies van de Raad
  5. 5 De beoordeling
  6. 6 De beslissing

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht

Locatie Breda

Zaaknummer: C/02/447139 / FA RK 26-1912

Datum uitspraak: 22 juni 2026

Beschikking van de kinderrechter over wijziging hoofdverblijf en verdeling van zorg- en opvoedingstaken

in de zaak van

[de man],

hierna te noemen de man,

wonende in [woonplaats 1],

advocaat mr. K.J.M. Slangen uit Arnhem,

tegen

[de vrouw],

hierna: de vrouw,

wonende in [woonplaats 2].

over de minderjarigen:

- [minderjarige 1], geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 2018, hierna te

noemen [minderjarige 1]:

- [minderjarige 2], geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedag 2] 2019, hierna te noemen: [minderjarige 2].

Op grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad

voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, locatie Breda,

hierna: de Raad, de rechtbank over het verzoek geadviseerd.

1 Het verloop van de procedure

1.1.

In het dossier zitten de volgende stukken:

- het op 13 april 2026 ontvangen verzoekschrift met producties;

- het bericht van de vrouw van 6 mei 2026.

1.2.

De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 15 juni 2026. Daarbij waren aanwezig:

- de man, bijgestaan door zijn advocaat;

- de vrouw;

- een vertegenwoordiger van de Raad.

2 De feiten

2.1.

Partijen hebben met elkaar een relatie gehad. Uit deze relatie zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] geboren. De relatie van partijen is in 2020 verbroken.

2.2.

De man heeft beide minderjarigen erkend. Partijen zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2].

2.3.

De kinderen woonden bij de vrouw en de rechtbank heeft bij beschikking van 24 april 2025 de volgende verdeling van de zorg- en opvoedingstaken vastgesteld:

  • de man draagt iedere donderdag uit school (14.15 uur, bij geen school: vanaf 8.30 uur) tot 18.00 uur (na het eten) de zorg voor voornoemde minderjarigen;
  • de man draagt in de weekenden van de even weken de zorg voor voornoemde minderjarigen, waarbij heeft te gelden:

o dat de man in de ene even week van vrijdag uit school tot zondag 18.00 uur (na het eten) de zorg voor de minderjarigen heeft;

o dat de man in de andere even week van vrijdag uit school tot maandag voor school de zorg voor de minderjarigen heeft, waarbij de man voornoemde minderjarigen naar school zal brengen;

- de zorg wordt tijdens de vakanties en feestdagen bij helfte tussen partijen verdeeld op de navolgende wijze:

• zomervakantie: in de even jaren bij de man de eerste drie weken en bij de vrouw de laatste drie weken; in de oneven jaren bij de man de laatste drie weken en bij de vrouw de eerste drie weken;

• gedurende de herfstvakantie, voorjaarsvakantie en meivakantie (wanneer meivakantie één week duurt, bij twee weken beiden één week, waarbij de man in de oneven jaren de eerste week heeft) oneven jaren bij de man van vrijdag 14.15 uur tot en met woensdag 11.00 uur en de even jaren bij de man van woensdag 11.00 uur tot en met zondag 18.00 uur. Weekendregeling komt dan te vervallen;

• kerstvakantie: in de oneven jaren de eerste week bij de man en de tweede week bij de vrouw en de even jaren de eerste week bij de vrouw en de tweede week bij de man. Tweede kerstdag zijn de kinderen dan bij de ouder die de tweede week heeft en Nieuwjaardag zijn de kinderen bij de ouder die de eerste week heeft. Weekendregeling komt dan te vervallen;

• verjaardag man en Vaderdag bij de man, verjaardag vrouw en Moederdag bij de vrouw.

2.4.

Feitelijk verblijven [minderjarige 1] en [minderjarige 2] sinds augustus 2025 bij de man en is de zorgregeling aldus dat de kinderen bij de vrouw verblijven:

  • iedere donderdag uit school tot 18:00 uur;
  • om het weekend: de ene keer van vrijdagmiddag uit school tot zondagavond 18:00 uur en de andere keer van vrijdagmiddag uit school tot maandagochtend voor school.

3 Het verzoek

3.1.

De man verzoekt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. de hoofdverblijfplaats van de kinderen te wijzigen en vast te stellen bij de man;

II. de zorgregeling in de beschikking van 24 april 2025 te wijzigen en te bepalen dat voortaan de volgende zorgregeling heeft te gelden:

- de kinderen verblijven bij de vrouw onder de voorwaarde dat de vrouw een eigen vaste en veilige verblijfplaats heeft:

• iedere donderdag vanuit school (14.15 uur) tot 18.00 uur (na het eten); bij geen school vanaf 08.30 uur;

• in de oneven weken op zaterdag van 10.00 uur tot 18.00 uur (na het eten);

- de vakanties en feestdagen worden op de navolgende wijze verdeeld, onder de voorwaarde dat de vrouw een eigen vaste en veilige verblijfplaats heeft:

• zomervakantie: in de even jaren bij de man de eerste 3 weken en bij de vrouw de laatste 3 weken; in de oneven jaren bij de man de laatste 3 weken en bij de vrouw de eerste 3 weken;

• herfstvakantie en voorjaarsvakantie en meivakantie (wanneer meivakantie 1 week duurt, bij 2 weken beiden 1 week waarbij de man in de oneven jaren de 1e week heeft en de vrouw de 2e week): oneven jaren bij de man van vrijdag 14.15 t/m woensdag 11.00 uur en bij de vrouw van woensdag 11.00 uur t/m zondag 18.00 uur; en in de even jaren bij de vrouw van vrijdag 14.15 uur t/m woensdag 11.00 uur en bij de man van woensdag 11.00 uur t/m zondag 18.00 uur. Weekend regeling komt dan te vervallen.

• kerstvakantie: In de oneven jaren de 1e week bij de man en de 2e week bij de vrouw en de even jaren de 1e week bij de vrouw en de 2e week bij de man. 2e kerstdag zijn ze dan bij de ouder die de 2e week heeft en nieuwjaarsdag zijn ze bij de ouder die de 1e week heeft. Weekend regeling komt dan te vervallen.

• verjaardag vader en Vaderdag bij de man, verjaardag moeder en Moederdag bij de vrouw.

3.2.

De vrouw is het niet eens met de verzoeken van de man en verzoekt deze verzoeken af te wijzen.

4 De standpunten en het advies van de Raad

4.1.

Door en namens de man is, ter onderbouwing van het verzoek, in het verzoekschrift en tijdens de zitting het volgende aangevoerd. Kort na de kortgedingprocedure in juli 2025 zijn door partijen afspraken gemaakt. De minderjarigen wonen vanaf augustus 2025 bij de man. Zij zijn vanaf 18 augustus 2025 ingeschreven op het adres van de man in [plaats]. De vrouw is in december 2025 naar Thailand vertrokken voor zes weken. Medio januari 2026 is de vrouw teruggekeerd naar Nederland. De vrouw heeft geen woning en, voor zover de man bekend, ook geen zicht op een woning. De vrouw verblijft nu in een camper op dezelfde camping waar de man een chalet heeft. De man woont doordeweeks in zijn woning in [plaats] en in het weekend op de camping. Partijen hadden afgesproken om de gemaakte afspraken te evalueren als de vrouw weer terug in Nederland zou zijn. Eind februari 2026 heeft er een gesprek bij de mediator plaatsgevonden, maar de vrouw is tijdens het intakegesprek vertrokken waardoor de mediation niet van start is gegaan.

4.2.

De man wenst het hoofdverblijf van de kinderen voortaan bij hem vastgesteld te hebben. De kinderen verblijven nu feitelijk bij de man en gaan bij de man naar school. De situatie van de vrouw is niet stabiel. De man acht het van belang dat de huidige stabiele situatie voor de kinderen behouden blijft. De kinderen gaan nu naar school en hebben structuur, rust en regelmaat bij de man. De kinderen kunnen vanaf het huis van de man lopend naar school. De man acht het van belang dat de kinderen wekelijks contact hebben met hun moeder. Dit contact moet wel veilig en verantwoord zijn. In de afgelopen maanden heeft de vrouw in de visie van de man laten zien dat zij geen goede invulling kan geven aan het contact met de kinderen. De zorgregeling verloopt moeizaam. De vrouw komt de afspraken qua tijden (brengen naar school, terugbrengen naar de man) niet na. Daarnaast stoort de man zich eraan dat de kinderen naar hem toe komen als zij eigenlijk bij de vrouw horen te zijn. Zij komen dan eten en drinken halen en hij hoort van hen dat de vrouw dit niet in huis heeft. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben ook speelgoed bij de man, maar als zij dit meenemen naar de vrouw wordt het niet teruggebracht. De man ontvangt signalen van de kinderen dat zij bij “ [persoon] ” verblijven. Dit zouden ze van de vrouw niet tegen de man mogen vertellen. Tussen [persoon] en de man is in het verleden een forse ruzie geweest. De man vindt verblijf van de kinderen bij [persoon] onveilig. De man acht op dit moment een zorgregeling passend waarbij de kinderen iedere donderdagmiddag bij de vrouw zijn en om de week in het weekend. De overnachtingen in het weekend zijn goed, mits de vrouw een eigen vaste en veilige verblijfplaats heeft.

4.3.

De vrouw voert verweer tegen de verzoeken. Zij geeft aan dat zij een veilige verblijfplaats heeft voor de kinderen, met alle voorzieningen die nodig zijn om goed te kunnen wonen. De kinderen wonen bij haar en haar oudste zoon in een camper, waar iedereen ook kan slapen. Ze vindt het niet vreemd dat de kinderen bij haar komen als ze honger of dorst hebben tijdens de tijd dat ze bij de man zijn. Dat vindt zij geen probleem; de kinderen mogen vrij bepalen waar ze naartoe gaan. Voorlopig is ze van plan om in de camper te blijven. De communicatie tussen partijen verloopt niet goed. De vrouw heeft voorgesteld om solo parallel ouderschap toe te passen, omdat minder communicatie volgens haar beter is. De in juli 2025 gemaakte afspraken waren tijdelijk en zouden geëvalueerd worden, maar die evaluatie heeft nooit plaatsgevonden. Nu heeft de vrouw hulp aangevraagd bij de gemeente, omdat zij ziet dat de kinderen vastlopen in hun ontwikkeling. Hun onderlinge gedrag is heftig en ze doen heftige uitspraken naar elkaar. De gemeente inventariseert momenteel welke hulpverlening nodig is. De vrouw is van mening dat de situatie rondom de kinderen complexer is dan de man beschrijft. Ze maakt zich grote zorgen over hen. De kinderen vertonen patronen en gedrag waar aandacht aan besteed moet worden. Zij stemt in met een hulpverleningstraject via het UHA.

4.4.

De Raad heeft tijdens de zitting een verwijzing van partijen naar hulpverlening via het UHA geadviseerd, zodat partijen kunnen werken aan de onderlinge communicatie en het herwinnen van vertrouwen. De Raad adviseert om het hoofdverblijf te wijzigen. De kinderen hebben het afgelopen jaar feitelijk het hoofdverblijf bij de man gehad. De vrouw heeft momenteel geen stabiele leefsituatie en er is weinig zicht op verbetering, omdat zij van plan is te blijven leven in de camper. Door de vrouw zijn zorgen aangegeven over de kinderen en hoe ze zich gedragen. Er moet gekeken worden waarom zij dit gedrag laten zien en hoe de kinderen ondersteund kunnen worden. Daarom acht de Raad van belang dat aanvullend binnen het UHA gekeken wordt naar de inzet van opvoedondersteuning.

5 De beoordeling

Vaststelling hoofdverblijf en verdeling van de zorg- en opvoedingstaken over [minderjarige 1] en [minderjarige 2]

5.1.

In artikel 1:253a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) staat dat geschillen over het samen uitoefenen van het gezag op verzoek van een ouder aan de rechtbank kunnen worden voorgelegd. De rechtbank neemt dan een beslissing die zij in het belang van het kind vindt.

Op grond van het tweede lid van dit artikel kan de rechtbank eveneens op verzoek van de ouders of een van hen een regeling vaststellen inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag. Deze regeling kan op grond van sub a een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen de ouders omvatten.

In artikel 1:253a lid 5 BW staat dat de rechter, voordat zij een beslissing neemt over het verzoek tot wijziging van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, eerst moet bekijken of de ouders afspraken kunnen maken met elkaar teneinde het ontstane geschil tussen hen weg te nemen.

Inhoudelijke beoordeling en uniform hulpaanbod

5.2.

Uit de overgelegde stukken en hetgeen is besproken ter zitting is duidelijk geworden dat het partijen niet lukt om constructief met elkaar te communiceren en samen te werken. Daarnaast is gebleken dat sprake is van een gebrek aan vertrouwen over en weer en van zorgen over (het gedrag van) de kinderen. De man maakt zich zorgen over de woonsituatie van de vrouw, de onduidelijkheid over haar verblijfplaats en haar instabiliteit. De vrouw uit zorgen over de ontwikkeling van de kinderen; hun welbevinden en hun gedrag.

5.3.

Tijdens de zitting is gebleken dat beide ouders bereid zijn om, in het kader van het uniform hulpaanbod (UHA), onder de begeleiding van professionele hulpverlening te werken aan het verbeteren van de onderlinge communicatie en samenwerking, met (onder meer) als doel om tot overeenstemming te komen over de geschilpunten in deze zaak.

5.4.

Ook de rechtbank ziet het belang hiervan in. Daarnaast acht de rechtbank van belang dat aanvullend binnen het UHA gekeken wordt naar de inzet van opvoedondersteuning, zodat er zicht komt op beide opvoedsituaties en de achterliggende oorzaken van het gedrag van de kinderen.

5.5.

De rechtbank vindt het noodzakelijk dat de ouders hierbij zorg en ondersteuning krijgen. De rechtbank zal de ouders daartoe, met hun instemming, verwijzen naar het loket van de samenwerkende gemeenten in de zorgregio West-Brabant-Oost. Deze beschikking geldt als bevestiging dat de ouders met de doorverwijzing en de daarbij behorende voorwaarden hebben ingestemd.

5.6.

Gebleken is dat de gemeente Altena momenteel al een inventarisatie maakt van de benodigde hulpverlening. De rechtbank verzoekt het loket om dit mee te nemen bij de doorverwijzing.

5.7.

Met de inzet van het UHA-traject gaan de ouders, zo is met hen afgesproken, in ieder geval werken aan het behalen van de volgende resultaten:

  • de ouders hebben inzicht in de (psychologische) gevolgen van de scheiding voor het kind;
  • het kind heeft een stem in het scheidingsproces, voelt zich gehoord en gesteund.
5.8.

Gebleken is dat partijen daarnaast ook op andere onderdelen hulp en ondersteuning nodig hebben. Daarom heeft de rechter na overleg met partijen besloten dat zij samen met een zorgaanbieder ook gaan werken aan het behalen van de volgende resultaten:

  • de (gezagdragende) ouders zorgen voor afspraken en beslissingen die in het belang zijn van het kind;
  • het kind en de (gezagdragende) ouders hebben onbelast contact met elkaar;
  • er is inzicht in de mogelijkheden/belemmeringen van beide ouders en de hulp die nodig is om een stabiele opvoedsituatie voor het kind te realiseren (binnen de scheidingssituatie).
5.9.

Meer specifiek dienen de ouders in het kader van het UHA-traject te werken aan het verbeteren van de onderlinge oudercommunicatie en -samenwerking, waarbij zij zullen trachten om te komen tot volledige overeenstemming over de vaststelling van het hoofdverblijf en de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken over [minderjarige 1] en [minderjarige 2].

5.10.

Na afloop van het UHA-zorgtraject maakt de zorgaanbieder een rapportage op over het verloop en het resultaat van het traject. Deze rapportage wordt als bijlage bij het door de gemeente/de toegang op te maken rapport gevoegd. De rechtbank verzoekt het zorgloket om de volledige UHA-(eind)rapportage uiterlijk op de hierna te noemen pro forma datum, of zoveel eerder als mogelijk is, bij de rechtbank in te dienen.

5.11.

Als de hulp heeft geleid tot een positief resultaat, dan stelt de rechtbank de ouders (via hun advocaten) in de gelegenheid om zich binnen twee weken na ontvangst van de UHA-eindrapportage uit te laten of een nadere mondelinge behandeling van de in deze procedure voorliggende verzoeken over de vaststelling van het hoofdverblijf en de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken betreffende [minderjarige 1] en [minderjarige 2] nodig is. De advocaten dienen in hun reactie kenbaar te maken wat het resultaat van de hulpverlening betekent voor voormelde verzoeken.

5.12.

Als de hulp onverhoopt niet heeft geleid tot een positief resultaat, dan verzoekt de rechtbank aan het loket om de volledige UHA-rapportage ook direct toe te sturen aan de Raad. De Raad toetst en beoordeelt dan of een onderzoek of een interventie zal worden verricht. De Raad informeert de rechtbank binnen twee weken na ontvangst van de eindrapportage of er aanleiding is om een onderzoek of een interventie te starten.

5.13.

Als de Raad geen aanleiding ziet voor een onderzoek of interventie, maar op grond van de UHA-rapportage direct een advies kan geven, dan stelt de rechtbank de ouders (via hun advocaten) in de gelegenheid om zich over dit advies en over het door hen gewenste verdere verloop van deze procedure uit te laten.

5.14.

Wanneer de Raad een onderzoek wel noodzakelijk vindt, dan verzoekt de rechtbank de Raad om dit onderzoek te verrichten en daarover bij de rechtbank een rapport en advies in te dienen ter beantwoording van de volgende vragen:

  • Welke verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen de ouders past het beste bij de belangen van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ?
  • Welke hoofdverblijfplaats komt het meest tegemoet aan de belangen van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ?
5.15.

Deze beschikking is een voorwaardelijk verzoek aan de Raad om voormeld onderzoek te verrichten, indien het UHA-traject niet is gestart of niet positief wordt afgesloten én de Raad dat onderzoek noodzakelijk acht.

5.16.

Na ontvangst van het rapport en het advies van de Raad, zal de rechtbank de ouders (via hun advocaten) in de gelegenheid stellen om hierop te reageren en, naar aanleiding daarvan, het door hen gewenste verdere procesverloop van deze zaak kenbaar te maken.

5.17.

In afwachting van het verloop van het zorgtraject, zal de rechtbank de definitieve beslissing over de vaststelling van het hoofdverblijf en de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken ten aanzien van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] pro forma aanhouden tot hierna te noemen datum. Op verzoek van de zorgaanbieder (via het loket) kan de rechtbank deze termijn uitstellen. Dit verzoek moet gemotiveerd worden gedaan. Indien de termijn wordt uitgesteld, dan zal de rechtbank een nieuwe pro forma datum doorgeven waarop de UHA-rapportage uiterlijk moet worden ingediend.

5.18.

De rechtbank gaat ervan uit dat beide ouders zich zullen inspannen om het zorgtraject aan te gaan en om dit met een goed resultaat af te ronden. De belangen van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] staan hierbij voorop.

Voorlopige vaststelling hoofdverblijf

5.19.

Gelet op feit dat partijen via het UHA aan de hiervoor genoemde doelen gaan werken ziet rechtbank aanleiding om de definitieve beslissing over het hoofdverblijf aan te houden. Het voorlopige hoofdverblijf zal, overeenkomstig de feitelijke situatie, worden bepaald bij de man.

Voorlopige verdeling zorg- en opvoedingstaken [minderjarige 1] en [minderjarige 2]

5.20.

Tijdens de zitting is gebleken dat de ouders onderling afspraken hebben gemaakt over een voorlopige verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, die ook al enige tijd op deze manier wordt uitgevoerd. De rechtbank bepaalt dat de huidige regeling blijft voortduren. Dit betekent dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voorlopig bij de vrouw op de camping verblijven elke donderdag na school tot 18:00 uur en om het weekend wisselend: de ene keer van vrijdagmiddag na school tot zondagavond 18:00 uur, en de andere keer van vrijdagmiddag na school tot maandagochtend voor school.

5.21.

Deze regeling geldt totdat de ouders, al dan niet in het kader van het UHA-traject, hierover in goed onderling overleg afwijkende afspraken hebben gemaakt of totdat de rechtbank definitief hierover heeft beslist.

5.22.

De kinderrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

5.23.

Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

6 De beslissing

De kinderrechter:

6.1.

bepaalt dat de minderjarigen:

- [minderjarige 1], geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 2018 en

- [minderjarige 2], geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedag 2] 2019,

voorlopig hun hoofdverblijf hebben bij de man;

6.2.

stelt vast dat de vrouw en de minderjarigen in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen de ouders, voorlopig, totdat de ouders hierover in goed onderling overleg afwijkende afspraken maken dan wel totdat de rechtbank definitief beslist, gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar overeenkomstig hetgeen hiervoor in rechtsoverweging 5.20 is overwogen;

6.3.

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

6.4.

verwijst de ouders, [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voor een (jeugd)hulptraject ten behoeve van de hiervoor onder rechtsoverwegingen 5.7 en 5.8 vermelde resultaten naar het zorgloket van de samenwerkende gemeenten in de zorgregio West-Brabant-Oost. Het loket zal de ouders, [minderjarige 1] en [minderjarige 2] vervolgens via de toegang van de woonplaatsgemeente van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verwijzen naar (een) zorgaanbieder(s);

6.5.

verzoekt het loket om uiterlijk op dinsdag 8 december 2026 PRO FORMA, of zoveel eerder als mogelijk is, de UHA-rapportage over het verloop en de resultaten van het (jeugd)hulptraject bij de griffie van de rechtbank in te dienen;

6.6.

verzoekt het loket, wanneer het traject niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat, om de UHA-eindrapportage ook direct toe te sturen aan de Raad;

6.7.

verzoekt de Raad om binnen veertien dagen na binnenkomst van de UHA-rapportage de rechtbank te informeren of hij aanleiding ziet om naar aanleiding daarvan een onderzoek of een interventie te starten;

6.8.

verzoekt de Raad, wanneer het UHA-traject niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat, dan wel als de Raad daartoe zelf aanleiding ziet, om een onderzoek in te stellen ter beantwoording van de hiervoor onder rechtsoverweging 5.10 vermelde vraag en daarover te rapporteren en te adviseren;

6.9.

verzoekt de Raad om zijn rapport en advies binnen vier maanden nadat de Raad de rechtbank heeft laten weten dat een onderzoek of interventie zal worden verricht, bij de rechtbank in te dienen;

6.10.

behoudt zich iedere (verdere) beslissing voor.

Deze beslissing is gegeven door mr. Baggel, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 22 juni 2026 in aanwezigheid van mr. Van Krieken als griffier.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.