Uitspraak · Personen- en familierecht

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 22 juni 2026

ECLI:NL:RBZWB:2026:6751Zaaknummer C/02/396587 FA RK 22-1665

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
22 juni 2026
Publicatiedatum
17 augustus 2026
Zaaknummer
C/02/396587 FA RK 22-1665
Rechtsgebied
Civiel recht, Personen- en familierecht
Procedure
Rekestprocedure, Beschikking
Zittingsplaats
Breda
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Art. 1:253c jo art. 1:377a BW. Afwijzing verzoek gezamenlijk gezag & ontzegging van de omgang

De rechtbank:

6.1.

wijst af het verzoek van de man om hem gezamenlijk met de vrouw te belasten met het ouderlijk gezag over [minderjarige 2] en [minderjarige 3];

6.2.

ontzegt de man met ingang van heden het recht op omgang met [minderjarige 3] en [minderjarige 2] voor onbepaalde tijd;

6.3.

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

6.4.

houdt de behandeling van de verzoeken van de man over het gezag en vaststelling van de hoofdverblijfplaats ten aanzien van [minderjarige 1] aan tot donderdag 10 december PRO FORMA, in afwachting van het verslag van de GI over het verloop van het behandelingstraject bij de [accommodatie], een en ander zoals in rechtsoverweging 5.14 overwogen;

6.5.

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. Van Leuven, en in het openbaar uitgesproken op 22 juni 2026, in tegenwoordigheid van de griffier.

Mededeling van de griffier:

Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:

  • door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 Het procesverloop
  2. 2 De feiten
  3. 3 De (resterende) verzoeken
  4. 4 De nadere standpunten
  5. 5 De nadere beoordeling
  6. 6 De beslissing

beschikking

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team Familie- en Jeugdrecht

Locatie Breda

Zaaknummer: C/02/396587 FA RK 22-1665

Datum uitspraak: 22 juni 2026

Nadere beschikking betreffende gezag en verdeling van de zorg- en opvoedingstaken

in de zaak van

[de man],

hierna te noemen: de man,

wonende te [plaats],

tegen

[de vrouw],

hierna te noemen: de vrouw,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. C.F.A. Cadot te Roosendaal.

Over de minderjarigen:

- [minderjarige 1], geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 2013, hierna te noemen: [minderjarige 1] ;- [minderjarige 2], geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 2] 2016, hierna te noemen: [minderjarige 2];

- [minderjarige 3], geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedag 3] 2021, hierna te noemen: [minderjarige 3].

Als informant in onderhavige zaak wordt aangemerkt:

- STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT,

hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI), locatie Roosendaal.

Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

- de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, locatie Breda,

hierna te noemen: de Raad, om de rechtbank over de verzoeken te adviseren.

1 Het procesverloop

1.1.

Het verdere procesverloop bestaat uit de volgende stukken:

  • de in deze zaak gegeven beschikking van 14 mei 2025 en alle daarin genoemde stukken;
  • de brief met bijlage van mr. Cadot van 24 maart 2026, ontvangen op 25 maart 2026.
1.2.

De behandeling van de verzoeken is voortgezet tijdens de zitting van 8 juni 2026. Bij die gelegenheid zijn verschenen de advocaat van de vrouw, twee vertegenwoordigsters van het LET, en een vertegenwoordigster van de GI. Tevens was aanwezig een medewerker namens de Raad. De man en de vrouw zijn niet verschenen.

1.3.

De voortgezette mondelinge behandeling van de verzoeken heeft, gelet op de nauwe samenhang tussen deze verzoeken, gelijktijdig plaatsgevonden met de behandeling van de verzoeken van de GI, strekkende tot verlenging van de ondertoezichtstelling van de minderjarigen en verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1]. Deze verzoeken zijn geregistreerd onder de zaaknummers C/02/448066 / JE RK 26-811 en C/02/448326 / JE RK 26-864.

1.4.

De rechtbank heeft de minderjarige [minderjarige 1] in de gelegenheid gesteld zijn mening kenbaar te maken tijdens een zogenoemd kindgesprek. [minderjarige 1] heeft hierover via een Teams-verbinding een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige 1] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2 De feiten

2.1.

De vrouw is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3].

2.2.

[minderjarige 2] en [minderjarige 3] wonen bij de vrouw.

2.3.

De minderjarigen zijn vanaf 20 juni 2022 onder toezicht gesteld van de GI. Deze ondertoezichtstelling is steeds verlengd, nu met ingang van 20 juni 2025 tot 20 juni 2026.

2.4.

Bij beschikking van 13 februari 2026 is een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] verleend in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder, met ingang van 13 februari 2026 tot 20 juni 2026.

2.5.

[minderjarige 1] verblijft op grond van voornoemde machtiging bij [accommodatie].

2.6.

[minderjarige 1] heeft geen contact met zijn moeder; [minderjarige 2] en [minderjarige 3] hebben geen contact met hun vader.

3 De (resterende) verzoeken

3.1.

Aan de rechtbank liggen de volgende verzoeken nog ter beoordeling voor.

3.2.

De man verzoekt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. te bepalen dat de man en de vrouw voortaan gezamenlijk het gezag uitoefenen over de minderjarigen;

II. te bepalen dat [minderjarige 1] zijn hoofdverblijf heeft bij de man;

3.3.

Bij wijze van zelfstandige verzoeken heeft de vrouw verzocht, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. te bepalen dat de minderjarigen hun hoofdverblijf zullen hebben bij haar;

II. te bepalen dat de minderjarigen in het kader van een omgangsregeling c.q. zorg- en contactregeling bij de man zullen verblijven, als nog nader door de vrouw aan de rechtbank voor te leggen.

3.4.

De vrouw heeft haar zelfstandige verzoek onder II gewijzigd, in die zin dat zij verzoekt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad te bepalen:

II. de man het recht op omgang met [minderjarige 2] en [minderjarige 3] te ontzeggen.

4 De nadere standpunten

De vrouw

4.1.

Door en namens de vrouw is, samengevat, het volgende aangevoerd. [minderjarige 1] is bij beschikking van 13 februari 2026 uit huis geplaatst en hij verblijft sinds 5 maart 2026 op [accommodatie]. De vrouw kan de uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en zijn verblijf op [accommodatie] ondersteunen. [minderjarige 1] dient de kans te krijgen om veilig op te groeien en de hulpverlening te krijgen die voor hem nodig wordt geacht. Dit kan [accommodatie] aan [minderjarige 1] bieden. De vrouw heeft er vertrouwen in dat [minderjarige 1] door zijn verblijf en behandeling op [accommodatie] volledig terug zal keren naar school. Ook ziet de vrouw binnen dit kader mogelijkheden tot contactherstel tussen [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3]. Tevens vertrouwt de vrouw erop dat er in overleg met de GI en [accommodatie] een passend moment zal komen waarop het contact tussen haar en [minderjarige 1] ook hersteld kan gaan worden. De vrouw ziet geen mogelijkheden voor [minderjarige 1] op terug te keren naar de opvoedsituatie van de man. [minderjarige 1] bevond zich bij de man in een voor hem schadelijke opvoedsituatie. Het ontbreekt de man aan probleembesef en zelfreflectie. De man is na lange inzet van een ondertoezichtstelling niet stuurbaar gebleken. In plaats daarvan gedraagt de man zich grensoverschrijdend, uit hij bedreigingen en is het LET noodzakelijkerwijs betrokken geraakt.

4.2.

De vrouw concludeert dat na lange tijd ondertoezichtstelling gesteld kan worden dat het aan enig realistisch perspectief ontbreekt dat de man een betrouwbare en veilige opvoeder kan zijn voor de kinderen. Dit maakt dat de vrouw zich tevens op het standpunt stelt dat de omgang tussen de man en [minderjarige 2] en [minderjarige 3] niet mogelijk is en strijdig is met de belangen van de kinderen. De intieme terreur tijdens de relatie van partijen en de handelswijze van de man tot heden maakt dat er sprake is van een contra-indicatie tot omgang met [minderjarige 2] en [minderjarige 3]. De vrouw is dan ook van opvatting dat de omgangsverzoeken als door de man gedaan, afgewezen dienen te worden. In het kader van de ondertoezichtstelling kan bezien worden op welke wijze het contact tussen de man en [minderjarige 1] toekomstig vormgegeven kan gaan worden. De GI kan in het kader van de ondertoezichtstelling beoordelen of en welke omgang tussen de man en [minderjarige 1] passend kan worden geacht. Tot slot is de vrouw van opvatting dat het verzoek van de man om belast te worden met het ouderlijk gezag over de kinderen afgewezen dient te worden. Gelet op het voorgaande is voldaan aan het criterium dat de kinderen klem en verloren zullen raken indien partijen tezamen belast zullen worden met het ouderlijk gezag.

De GI

4.3.

Door het LET en de GI is, samengevat, het volgende naar voren gebracht. De GI is van mening dat het verzoek van de man tot gezamenlijk gezag over [minderjarige 2] en [minderjarige 3] moet worden afgewezen. Er zijn veel zorgen over hem. De communicatie met de GI verloopt slecht en na verschillende bedreigingen is de zaak overgedragen aan het LET. Ook met het LET verloopt de communicatie moeizaam. De man heeft zijn emoties niet onder controle, scheldt en bedreigt medewerkers. Ook in het contact met [minderjarige 1] vertoont hij onveilig gedrag en doet hij onveilige opmerkingen. De man heeft het beoogde behandeltraject bij [hulpverlening] niet gevolgd. Ondanks inspanningen heeft de GI geen zicht op de thuissituatie van de man. Onlangs is bekend geworden dat hij uit zijn woning is gezet vanwege klachten over overlast, vervuiling en mensen die pakketjes kwamen halen. De politie heeft het huis gesloten. Waar de man nu verblijft, is onduidelijk voor de GI. Daarnaast is er geen contact tussen de ouders en kan de man niet samenwerken of communiceren met de vrouw. De man vormt een groot risico in het contact met de kinderen en zorgt voor onveiligheid, wat een bedreiging is voor hun ontwikkeling. Deze situatie speelt al lange tijd. Door het gebrek aan contact tussen de ouders, de ernstige gedragsproblemen van de man, het ontbreken van zelfreflectie en zijn weigering tot behandeling, is de GI van mening dat gezamenlijk gezag niet mogelijk is.

4.4.

Daarnaast adviseert de GI om geen omgangsregeling vast te stellen tussen de man en [minderjarige 2] en [minderjarige 3]. In de afgelopen 2,5 jaar heeft de man laten zien dat hij niet zelfreflectief is, moeilijk stuurbaar in gesprekken en zich vaak grensoverschrijdend gedraagt. In combinatie met het intimiderende en negatieve gedrag dat de vrouw ervaart, maakt dit het onmogelijk om begeleid contact op een veilige manier te laten verlopen. Wat de verzoeken ten aanzien van [minderjarige 1] betreft adviseert de GI om de verzoeken aan te houden en eerst de uitkomsten van de behandeling bij de [accommodatie] af te wachten. [minderjarige 1] heeft op dit moment alleen contact met zijn vader. Het contact is voor [minderjarige 1] van groot belang, maar tegelijkertijd wordt gezien dat dit contact voor hem soms belastend is door het gedrag en de uitspraken van de man. De komende periode wordt ingezet op contactherstel tussen de kinderen, en waar mogelijk ook tussen de vrouw en [minderjarige 1]. Ook wordt gekeken welke plek voor [minderjarige 1] het meest passend en veilig is na afloop van de behandeling binnen de [accommodatie]. Daarom is de GI van mening dat op dit moment nog geen beslissing kan worden genomen op de verzoeken ten aanzien van [minderjarige 1].

De Raad

4.5.

De Raad adviseert, samengevat, het volgende. De Raad staat achter het verzoek van de vrouw ten aanzien van [minderjarige 2] en [minderjarige 3]. Het belang van de kinderen om veilig op te groeien staat voorop. De Raad adviseert om ten aanzien van [minderjarige 1] nog geen beslissing te nemen, nu er de komende twaalf maanden nog veel kan gebeuren ten aanzien van het contact gedurende zijn tijd bij [accommodatie].

5 De nadere beoordeling

5.1.

In de beschikking zal de rechtbank de verzoeken van de man afzonderlijk behandelen. Eerst wordt het verzoek met betrekking tot [minderjarige 2] en [minderjarige 3] beoordeeld, daarna de verzoeken betreffende [minderjarige 1]. De situaties van deze kinderen verschillen: [minderjarige 1] heeft bij de man gewoond, terwijl [minderjarige 2] en [minderjarige 3] bij de vrouw wonen.

Verzoek gezag ten aanzien van [minderjarige 2] en [minderjarige 3]

5.2.

Ingevolge artikel 1:253c van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan de tot het gezag bevoegde vader van het kind, die nimmer het gezag gezamenlijk met de moeder heeft uitgeoefend, de rechtbank verzoeken de ouders met het gezamenlijk gezag over het kind te belasten. Uit het tweede lid van voornoemd artikel volgt dat indien dit verzoek ertoe strekt de ouders gezamenlijk met het gezag te belasten en de andere ouder met dit gezamenlijk gezag niet instemt, het verzoek slechts wordt afgewezen indien er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen of afwijzing anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.

5.3.

De rechtbank stelt voorop dat gezamenlijk gezag het uitgangspunt van de wetgever is. Voor gezamenlijk gezag is vereist dat de ouders in staat zijn tot een behoorlijke gezamenlijke gezagsuitoefening en dat zij beslissingen van enig belang over hun kind in gezamenlijk overleg kunnen nemen, althans tenminste in staat zijn vooraf afspraken te maken over situaties die zich rond het kind kunnen voordoen. Daarbij geldt onder meer dat het ontbreken van een goede communicatie tussen de ouders niet zonder meer meebrengt dat in het belang van het kind het gezag aan één van de ouders moet worden toegekend.

5.4.

De rechtbank stelt vast dat er al langere tijd geen enkel contact tussen partijen is. Op basis van wat er zich in het verleden heeft afgespeeld en hoe de situatie nu is, verwacht de rechtbank niet dat hier verbetering in gaat komen. De verstandhouding tussen de ouders is fors verstoord en zij zijn als ouders zijn niet in staat om beslissingen van enig belang over hun kinderen in gezamenlijk overleg te nemen.

5.5.

Daarbij komt dat [minderjarige 2] en [minderjarige 3] bij de moeder wonen en zij sinds februari 2024 geen contact meer hebben met hun vader. In het kader van de ondertoezichtstelling zijn er meerdere hulpverleningstrajecten opgestart voor het herstel van het contact tussen de man en [minderjarige 2] en [minderjarige 3], maar steeds zonder blijvende positieve resultaten. In het vonnis van 12 november 2024 in kort geding is het verzoek van de man tot omgang met [minderjarige 2] en [minderjarige 3] afgewezen. De man zou zich aanmelden bij [hulpverlening] voor emotieregulatie-problematiek en mogelijke individuele behandeling of begeleiding. In afwachting van de uitkomst van [hulpverlening] is bepaald dat wordt bekeken wat haalbaar is in het contact tussen de man en [minderjarige 2] en [minderjarige 3]. Tijdens de zitting is gebleken dat de man niet heeft meegewerkt aan hulpverlening of behandeling vanuit [hulpverlening]. Hierdoor is er geen vooruitgang geboekt ten aanzien van de emotieregulatie-problematiek en zijn de contacten tussen de man en [minderjarige 2] en [minderjarige 3] niet tot stand gekomen. Doordat de man al langere tijd geen contact heeft met [minderjarige 2] en [minderjarige 3] en er geen sprake is van contact en samenwerking tussen de ouders onderling, heeft hij geen zicht op [minderjarige 2] en [minderjarige 3]. Hij weet dus niet wat [minderjarige 2] en [minderjarige 3] nodig hebben en met welke (gezags)beslissingen zij het meest gebaat zijn.

5.6.

De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat gezamenlijke gezagsuitoefening een onaanvaardbaar risico oplevert voor [minderjarige 2] en [minderjarige 3]. De man is onbereikbaar en ook onberekenbaar (geworden). Daarom wijst de rechtbank het verzoek om gezamenlijk gezag ten aanzien van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] af.

Verzoek omgangsregeling ten aanzien van [minderjarige 2] en [minderjarige 3]

5.7.

Aangezien de rechtbank het verzoek van de vader tot gezamenlijk gezag over [minderjarige 2] en [minderjarige 3] zal afwijzen, zal zij in het vervolg spreken over een omgangsregeling.

5.8.

Op grond van artikel 1:377a, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) heeft een kind recht op omgang met zijn ouders en heeft een ouder het recht op en de verplichting tot omgang met zijn kind. Ingevolge het tweede lid van dit artikel stelt de rechter op verzoek van de ouders of van één van hen, al dan niet voor bepaalde tijd, een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht vast dan wel ontzegt al dan niet voor bepaalde tijd het recht op omgang. Op grond van het derde lid van dit artikel ontzegt de rechter het recht op omgang slechts, indien:

a. omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van het kind, of

b. de ouder kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat moet worden geacht tot omgang, of

c. het kind dat twaalf jaren of ouder is, bij zijn verhoor van ernstige bezwaren tegen omgang met zijn ouder heeft doen blijken, of

d. omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.

5.9.

De rechtbank leidt uit de stukken en hetgeen is besproken tijdens de zitting af dat er grote zorgen zijn over het gedrag van de man en daarmee samenhangend de veiligheid van de kinderen. Sinds februari 2024 is er geen contact tussen de man en [minderjarige 2] en [minderjarige 3]. De man stelt zich dreigend en grensoverschrijdend op richting zowel de vrouw als de GI. Het LET is daarom ook betrokken geraakt. Gesprekken tussen het LET en de man worden in aanwezigheid van de politie gevoerd, omdat de medewerkers van het LET zich anders niet veilig voelen. De man heeft daarnaast recent de vrouw telefonisch uitgescholden en bedreigd, waarvoor nu een aangifte loopt. Ook is het onbekend waar de man verblijft.

5.10.

In het kader van de ondertoezichtstelling zijn er meerdere hulpverleningstrajecten opgestart voor het herstel van het contact tussen de man en [minderjarige 2] en [minderjarige 3], maar steeds zonder blijvende positieve resultaten. Daarnaast is gebleken dat de man niet heeft meegewerkt met [hulpverlening] voor diagnostiek en behandeling van emotieregulatie-problematiek. Tot op heden is er geen verandering in het gedrag van de man gekomen. De man heeft onvoldoende inzicht in de schadelijkheid van zijn uitspraken. De rechtbank ziet in het voorgaande zwaarwegende redenen om de omgang te ontzeggen voor de man met [minderjarige 2] en [minderjarige 3]; contact met de man is in strijd met hun zwaarwegend belang.

5.11.

De rechtbank zal daarom het verzoek van de moeder toewijzen en het recht op omgang van de vader met [minderjarige 2] en [minderjarige 3] ontzeggen.

Verzoeken ten aanzien van [minderjarige 1]

5.12.

Ten aanzien van [minderjarige 1] overweegt de rechtbank het volgende. [minderjarige 1] heeft lange tijd bij zijn vader gewoond en had geen contact met zijn moeder. Bij beschikking van 13 februari 2026 is [minderjarige 1] uit huis geplaatst vanwege ernstige zorgen over zijn thuissituatie bij zijn vader. Momenteel volgt [minderjarige 1] een behandeltraject binnen de [accommodatie]. Hij heeft aangegeven geen contact te willen met zijn moeder en terug bij zijn vader te willen wonen. Binnen het behandeltraject wordt gewerkt aan het herstel van het contact tussen [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3]. Daarnaast wordt onderzocht welke rol de moeder in [minderjarige 1] leven kan innemen. Ook wordt bekeken welke woonplek na afloop van de behandeling binnen de [accommodatie] het meest passend en veilig is voor [minderjarige 1].

5.13.

De rechtbank ziet op basis van het voorgaande aanleiding om de beslissing ten aanzien van de verzoeken over [minderjarige 1] aan te houden, in afwachting van het verloop en de uitkomsten van de behandeling bij de [accommodatie].

5.14.

De rechtbank verwacht van de GI dat zij uiterlijk op de hieronder genoemde pro forma datum, of zoveel eerder als mogelijk, een verslag indient. Hierin moet worden beschreven hoe het behandelingstraject bij de [accommodatie] is verlopen, wat de uitkomsten zijn met betrekking tot het contact tussen [minderjarige 1] en zijn vader, [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en [minderjarige 3], en [minderjarige 1] en zijn moeder, en welke woonplek na afloop van de behandeling binnen de [accommodatie] het meest passend is voor [minderjarige 1].

Kindbrief aan [minderjarige 1]

De kinderrechter zal [minderjarige 1] een brief sturen met daarin uitleg over de beslissing die is genomen. In de brief zal het volgende worden aangegeven.

Beste [minderjarige 1],

Op 8 juni 2026 was de zitting, en heb ik gesproken met de mensen van de jeugdbescherming, vertegenwoordiger van de Raad voor de Kinderbescherming en de advocaat van je moeder. Je moeder en je vader waren niet bij de zitting aanwezig.

Ik heb besloten dat de plaatsing bij [accommodatie] voor jou nog even gaat voortduren. Hoe lang dat precies gaat zijn, daar kan nu nog niet heel veel over gezegd worden. Er zal gewerkt gaan worden aan contact tussen jou en [minderjarige 2] en [minderjarige 3]. Er zal ook bekeken gaan worden welke plek jouw moeder in jouw leven zou kunnen innemen. En natuurlijk wordt er aandacht gegeven aan de vraag hoe het tussen jou en jouw vader zal gaan. Iedereen maakt zich wel heel veel zorgen over hoe het met jouw vader op dit moment gaat. Ik hoop dat jij goed contact met hem zult kunnen blijven houden. Ik hoop ook dat het met jouw vader weer wat beter zal gaan, maar dat hebben we niet in de hand. Ik dank je voor het gesprek dat ik met je mocht hebben. En ik wens jou alle goeds toe.

PS: door alles wat er op de zitting besproken moest worden, ben ik helemaal vergeten het telefoongebruik aan de orde te stellen. ik zal daar in de beschikking nog wel de aandacht voor vragen van de jeugdbeschermers.

Met vriendelijke groet,

Van Leuven,

Kinderrechter

5.15.

De rechtbank beslist als volgt.

6 De beslissing

De rechtbank:

6.1.

wijst af het verzoek van de man om hem gezamenlijk met de vrouw te belasten met het ouderlijk gezag over [minderjarige 2] en [minderjarige 3];

6.2.

ontzegt de man met ingang van heden het recht op omgang met [minderjarige 3] en [minderjarige 2] voor onbepaalde tijd;

6.3.

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

6.4.

houdt de behandeling van de verzoeken van de man over het gezag en vaststelling van de hoofdverblijfplaats ten aanzien van [minderjarige 1] aan tot donderdag 10 december PRO FORMA, in afwachting van het verslag van de GI over het verloop van het behandelingstraject bij de [accommodatie], een en ander zoals in rechtsoverweging 5.14 overwogen;

6.5.

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. Van Leuven, en in het openbaar uitgesproken op 22 juni 2026, in tegenwoordigheid van de griffier.

Mededeling van de griffier:

Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:

  • door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.