Uitspraak · Personen- en familierecht

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 22 juni 2026

ECLI:NL:RBZWB:2026:6748Zaaknummer C/02/448542 / JE RK 26-904

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
22 juni 2026
Publicatiedatum
21 augustus 2026
Zaaknummer
C/02/448542 / JE RK 26-904
Rechtsgebied
Civiel recht, Personen- en familierecht
Procedure
Rekestprocedure, Beschikking
Zittingsplaats
Middelburg
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Verzoek vaststellen zorgregeling tussen vader en kinderen in het kader van de ondertoezichtstelling toegewezen. Kinderrechter bepaalt een minimale en maximale regeling.

6 De beslissing

De kinderrechter:

6.1.

stelt ten aanzien van de vader en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] de volgende verdeling van de zorg- en opvoedtaken vast: de vader en de kinderen hebben minimaal vier keer per jaar en maximaal eenmaal per maand begeleide omgang met elkaar voor de duur van anderhalf uur, waarbij de moeder de kinderen naar de nader te bepalen omgangslocatie brengt en vader de kinderen samen met de omgangsbegeleider weer terug naar huis brengt;

6.2.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beslissing is gegeven door mr. Zuijdweg, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 22 juni 2026 in aanwezigheid van mr. Boomaars, griffier.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 Het verloop van de procedure
  2. 3 Het verzoek
  3. 4 De standpunten
  4. 5 De beoordeling
  5. 6 De beslissing

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht

Locatie Middelburg

Zaaknummer: C/02/448542 / JE RK 26-904

Datum uitspraak: 22 juni 2026

Beschikking van de kinderrechter over de vaststelling van de verdeling van zorg- en opvoedingstaken

in de zaak van

de gecertificeerde instelling LEGER DES HEILS JEUGDBESCHERMING & RECLASSERING,

hierna te noemen: de GI,

gevestigd te Eindhoven,

over

[minderjarige 1], geboren op [geboortedag 1] 2021 in [geboorteplaats],

hierna te noemen: [minderjarige 1],

[minderjarige 2], geboren op [geboortedag 2] 2020 in [geboorteplaats],

hierna te noemen: [minderjarige 2].

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[de moeder],

hierna te noemen: de moeder,

wonende in [woonplaats 1],

[de vader],

hierna te noemen: de vader,

wonende in [woonplaats 2].

1 Het verloop van de procedure

1.1.

De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:

- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 29 mei 2026.

1.2.

De mondelinge behandeling met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 11 juni 2026. Daarbij waren aanwezig:

- de moeder;

- een vertegenwoordigster van de GI.

De vader is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

2. De feiten

2.1.

De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2].

2.2.

[minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen bij de moeder.

2.3.

Bij beschikking van 10 februari 2022 zijn [minderjarige 2] en [minderjarige 1] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 10 februari 2022 en tot 10 februari 2023. De ondertoezichtstelling is daarna steeds verlengd, laatstelijk tot 10 februari 2027.

3 Het verzoek

3.1.

De GI verzoekt om bij beschikking en uitvoerbaar bij voorraad op grond van artikel 1:265g lid 1 BW een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken vast te stellen, in die zin dat de vader en de kinderen twee keer per maand begeleide omgang voor de duur van anderhalf uur met elkaar hebben.

3.2.

Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling heeft de GI haar verzoek mondeling gewijzigd, in die zin dat zij nu een zorgregeling verzoekt waarbij de vader en de kinderen minimaal vier keer per jaar en maximaal eenmaal per maand begeleide omgang met elkaar hebben voor de duur van anderhalf uur. De moeder heeft geen bezwaar tegen de mondelinge wijziging van het verzoek. De vader is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet ter gelegenheid van de mondelinge behandeling verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de vader ook op de vorige zitting (16 april 2026), hoewel behoorlijk opgeroepen, niet is verschenen. Gelet hierop is de kinderrechter van oordeel dat de vader afziet van zijn recht om gehoord te worden en verweer te voeren tegen het (mondeling gewijzigde) verzoek, hetgeen maakt dat er geen strijd is met de goede procesorde. De kinderrechter zal daarom deze mondelinge wijziging van het verzoek in dit geval toestaan.

4 De standpunten

4.1.

De GI wijzigt ter gelegenheid van de mondelinge behandeling het verzoek, in die zin dat zij nu een zorgregeling verzoekt waarbij de vader en de kinderen minimaal vier keer per jaar en maximaal eenmaal per maand begeleide omgang met elkaar hebben voor de duur van anderhalf uur. Aanvullend licht de GI toe dat er bij de vader sprake is van een langdurig patroon. Als de vader een nieuwe relatie heeft, stabiliseert hij en krijgt hij ruimte voor omgang met de kinderen. Zodra de relatie van de vader uit gaat, komt de vader de omgangsmomenten van twee keer per maand voor de duur van anderhalf uur niet meer na. Het verbreken van een relatie heeft zeer veel invloed op de vader. Zo heeft hij eerder een jaar lang bij [accommodatie] verbleven met een zorgmachtiging. Op dit moment vinden er geen omgangsmomenten plaats tussen de vader en de kinderen. De problematiek van de kinderen in verband met de onduidelijkheid neemt toe, met name bij [minderjarige 2]. Dit maakt dat de GI twijfelt of de zorgregeling, zoals aanvankelijk was verzocht, in het belang van de kinderen is. Het is belangrijk dat een duurzame oplossing wordt gevonden voor een geleidelijk contactherstel, nu de GI toe wil werken naar een overdracht naar het vrijwillige kader. De ouders hebben bij de SCHIP-therapie gesprekken gevoerd over de omgang, waaronder het halen en brengen, maar het is niet gelukt om hier afspraken over te maken. De GI stelt voor om een begeleide omgang vast te leggen in de buurt van de moeder, waarbij beide ouders een reisbeweging moeten maken. De GI doet daarbij een voorstel afhankelijk van goed en slecht weer.

4.2.

De moeder voert verweer tegen het verzoek. De SCHIP-therapie is gestopt. De vader komt de gemaakte afspraken al jaren niet na. Eerder was er een jaar geen omgang tussen de vader en de kinderen, terwijl dit wel mogelijk was. De vader wilde dit toen niet. De moeder heeft altijd aan alles meegewerkt en heeft altijd achter contact met de vader gestaan, maar trekt nu een grens. De kinderen hebben last van de situatie en de moeder moet hen steeds teleurstellen. De kinderen worden bij een zorgregeling, zoals de GI verzoekt, alleen maar meer beschadigd, aangezien ze geen band met de vader zullen opbouwen als ze hem maar vier keer per jaar zien.

5 De beoordeling

Wettelijk kader

5.1.

Op basis van het bepaalde in artikel 1:265g lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan de kinderrechter op verzoek van de gecertificeerde instelling voor de duur van de ondertoezichtstelling een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken of een regeling inzake de uitoefening van het recht op omgang vaststellen of wijzigen, voor zover dit in het belang van de minderjarige noodzakelijk is.

Inhoudelijke beoordeling

5.2.

De kinderrechter is op grond van de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling van oordeel dat het in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] noodzakelijk is dat een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken wordt vastgesteld. Daartoe overweegt de kinderrechter als volgt.

5.3.

Het is de kinderrechter gebleken dat er bij de vader sprake is van een langdurig patroon, waarbij hij soms omgang met de kinderen wenst, maar op een ander moment de omgangsafspraken regelmatig niet meer nakomt. Het gevolg is dat er langere periodes geen omgang plaatsvindt met de vader, hetgeen voor veel onduidelijkheid en teleurstelling bij de kinderen zorgt. Er is daardoor sprake van een gebrek aan continuïteit. De kinderen hebben last van deze situatie, bijvoorbeeld in de vorm van nachtmerries over de omgangsmomenten en zorgelijk gedrag op school. Het uitgangspunt is dat een kind recht heeft op omgang met een ouder, alsmede dat een ouder recht heeft op omgang met het kind. In bepaalde situaties kan op grond van de wet omgang worden ontzegd. In dat geval dient een daartoe strekkend verzoek bij de rechtbank te worden ingediend. Dit verzoek ligt nu niet voor.

5.4.

Het lukt de ouders niet om afspraken met elkaar te maken, ook niet behulp van SCHIP-therapie. Het gevolg is dat de SCHIP-therapie is stopgezet. Het is in het belang van de kinderen dat een zorgregeling in een beschikking wordt vastgelegd. De kinderen hebben immers behoefte aan een stabiele, duidelijke en voorspelbare omgang met de vader. Een zorgregeling biedt tevens een helder kader waar alle betrokkenen zich aan moeten houden. De kinderen hebben immers ook recht op een vader die zich inzet voor de kinderen en op wie zij kunnen vertrouwen. De kinderrechter is van oordeel dat een zorgregeling, zoals door de GI in haar gewijzigde verzoek is verzocht, op dit moment het hoogst haalbare is, gelet op het voornoemde patroon aan de zijde van de vader. Dit betekent dat de kinderrechter een zorgregeling zal bepalen, waarbij de vader en de kinderen minimaal vier keer per jaar en maximaal eenmaal per maand begeleide omgang met elkaar hebben voor de duur van anderhalf uur. De kinderrechter ziet deze zorgregeling als een tussenoplossing, zodat kan worden bezien hoe de omgang de komende maanden gestalte zal gaan krijgen, waarbij zij de hoop uitspreekt dat de vader de draad weer zal oppakken. In het geval dat de vader de omgang de komende maanden niet structureel nakomt, ligt het op de weg van de GI of de moeder (met een advocaat) om een verzoek bij de rechtbank in te dienen welke op dat moment passend is bij de situatie.

5.5.

Ten aanzien van het halen en brengen van de kinderen overweegt de kinderrechter tot slot als volgt. De moeder zal de kinderen naar een nader te bepalen (voor de kinderen geschikte) locatie in de buurt brengen. De vader zal daar, samen met de omgangsbegeleider, op de kinderen wachten. De vader brengt de kinderen vervolgens, samen met de omgangsbegeleider, na de omgang weer naar huis. Op deze wijze maken beide ouders een reisbeweging en is de uitvoering van de zorgregeling praktisch haalbaar. De kinderrechter zal, om discussie te voorkomen, het halen en brengen niet afhankelijk stellen van het weer.

5.6.

De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

5.7.

Dit leidt tot de volgende beslissing.

6 De beslissing

De kinderrechter:

6.1.

stelt ten aanzien van de vader en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] de volgende verdeling van de zorg- en opvoedtaken vast: de vader en de kinderen hebben minimaal vier keer per jaar en maximaal eenmaal per maand begeleide omgang met elkaar voor de duur van anderhalf uur, waarbij de moeder de kinderen naar de nader te bepalen omgangslocatie brengt en vader de kinderen samen met de omgangsbegeleider weer terug naar huis brengt;

6.2.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beslissing is gegeven door mr. Zuijdweg, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 22 juni 2026 in aanwezigheid van mr. Boomaars, griffier.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.