Uitspraak · Personen- en familierecht

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 19 juni 2026

ECLI:NL:RBZWB:2026:6648Zaaknummer C/02/448739 / JE RK 26-939

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
19 juni 2026
Publicatiedatum
21 augustus 2026
Zaaknummer
C/02/448739 / JE RK 26-939
Rechtsgebied
Civiel recht, Personen- en familierecht
Procedure
Rekestprocedure, Beschikking
Zittingsplaats
Breda
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging uithuisplaatsing. Perspectiefbeslissing

6 De beslissing

De kinderrechter:

6.1.

verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] met ingang van 12 juli 2026 tot 12 juli 2027;

6.2.

verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg met ingang van 12 juli 2026 tot 12 juli 2027;

6.3.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 19 juni 2026 door mr. Phillips, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Verger-Maas als griffier, en op schrift gesteld op 30 juni 2026.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 Het verloop van de procedure
  2. 2 De feiten
  3. 3 Het verzoek
  4. 4 De standpunten
  5. 5 De beoordeling
  6. 6 De beslissing

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht

Locatie Breda

Zaaknummer: C/02/448739 / JE RK 26-939

Datum uitspraak: 19 juni 2026

Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing

in de zaak van

de gecertificeerde instelling Leger des Heils Jeugdbescherming en Reclassering, gevestigd te Rotterdam,

hierna te noemen de GI,

over

[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2020 in [geboorteplaats],

hierna te noemen [minderjarige].

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[de moeder],

hierna te noemen de moeder,

wonende in [woonplaats],

advocaat mr. S. Klootwijk uit Breda,

[de pleegmoeder],

Hierna te noemen de pleegmoeder,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres.

De kinderrechter merkt als informant aan:

[pleegzorg],

gevestigd te [plaats].

Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, hierna te noemen: de Raad, om de rechtbank over het verzoek te adviseren.

1 Het verloop van de procedure

1.1.

De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:

  • het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 27 mei 2026;
  • het op 3 juni 2026 van de GI ontvangen rapport van de Raad van 17 april 2026.
1.2.

De zitting heeft met gesloten deuren plaatsgevonden op 19 juni 2026. Daarbij waren aanwezig:

  • de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
  • de pleegmoeder;

- een vertegenwoordiger van de GI;

  • een vertegenwoordiger van de Raad;
  • een vertegenwoordiger van [pleegzorg].

2 De feiten

2.1.

De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige].

2.2.

[minderjarige] verblijft sinds 28 juni 2024 in het huidige pleeggezin.

2.3.

De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 9 juli 2025 de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd met ingang van 12 juli 2025 tot 12 juli 2026. Daarnaast is de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een pleeggezin verlengd met ingang van 12 juli 2025 tot 12 januari 2026 en is het verdere verzoek aangehouden. Bij beschikking van 7 januari 2026 heeft de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een pleeggezin verlengd met ingang van 12 januari 2026 tot 12 juli 2026. Tevens is de Raad verzocht om een onderzoek in te stellen ter beantwoording van de vraag waar het perspectief van [minderjarige] ligt en daarover te rapporteren.

3 Het verzoek

3.1.

De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling.

De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4 De standpunten

4.1.

De GI heeft ter onderbouwing van haar verzoeken aangegeven dat de moeder onvoldoende in staat is de verzorging en opvoeding van [minderjarige] te dragen. Zij laat een patroon van onvoorspelbaar en weinig verantwoordelijk gedrag zien. Er is nog altijd onvoldoende zicht op haar persoonlijke situatie en ontwikkeling. Zij wil geen inzicht geven in het persoonlijkheidsonderzoek dat bij haar is uitgevoerd in opdracht van de reclassering. Het is daarom onduidelijk of zij duurzaam in staat is aan te sluiten bij de behoeften van [minderjarige] en hem de noodzakelijke veiligheid en stabiliteit te bieden. De samenwerking tussen de moeder en instanties verloopt ook niet goed. De moeder verschijnt bijvoorbeeld niet op evaluatiegesprekken van [therapeut], waar [minderjarige] therapie volgt. Ook is de omgang tussen de moeder en [minderjarige] een korte periode onderbroken geweest, omdat de vorige zorgaanbieder de samenwerking had beëindigd vanwege een veiligheidsincident vanuit de moeder. In december 2025 is de omgang hervat met begeleiding door [zorgbegeleiding]. De omgang is tweemaal per maand voor anderhalf uur. Gezien wordt dat de moeder probeert beter aan te sluiten bij de behoeften van [minderjarige], maar het is nog wel noodzakelijk om duidelijke afspraken met de moeder te maken. De omgangsmomenten leiden bij [minderjarige] tot veel interne onrust. Dit wordt zowel door de pleegouders als door school gezien. De GI wil de mogelijkheden tot uitbreiding van de omgang bekijken, maar er moet in de gaten worden gehouden wat [minderjarige] aankan. [minderjarige] zit sinds dit jaar op een nieuwe school. Er is een ondersteuningsplan om hem extra structuur en rust te bieden. [minderjarige] laat namelijk meer externaliserend gedrag zien. Er zijn in dat kader zorgen over zijn sociaal-emotionele ontwikkeling en het is voor hem moeilijk om in de lessen mee te komen. [minderjarige] volgt nu dramatherapie bij [therapeut]. Hij heeft echter behoefte aan een meer intensieve vorm van hulpverlening op het gebied van trauma en hechting. Er is een aanvraag bij [hulpverlening] gedaan. De therapie bij [therapeut] wordt voortgezet totdat er passende vervolghulpverlening kan worden ingezet. [minderjarige] heeft al langere tijd behoefte aan duidelijkheid over zijn perspectief. School, pleegzorg en [therapeut] signaleren dat de meer specialistische en intensieve ondersteuning die [minderjarige] nodig heeft nog niet kan worden ingezet vanwege de onduidelijkheid over zijn perspectief. [minderjarige] stelt zelf ook vragen over waar hij mag opgroeien. [minderjarige] heeft een vertrouwde, gestructureerde opvoedomgeving nodig om op terug te vallen, die hem ondertiteling bij situaties en nabijheid kan bieden.

4.2.

De Raad heeft onderzoek gedaan naar het perspectief van [minderjarige] en concludeert dat zijn opgroeiperspectief niet meer bij de moeder maar in het huidige pleeggezin ligt. [minderjarige] staat al vrijwel zijn hele leven, met uitzondering van dertien maanden medio 2023/2024, onder toezicht. [minderjarige] heeft een specifieke opvoedingsbehoefte. Er is sprake van hechtings- en traumaproblematiek bij [minderjarige] en hij laat complex gedrag zien. Hij heeft voortdurend grenzen en kaders nodig. De moeder is een lieve moeder, maar de Raad verwacht niet dat de moeder traumasensitief vorm kan geven aan de opvoeding. Het lukt de moeder namelijk niet om te zorgen voor voldoende veiligheid, voorspelbaarheid en stabiliteit voor een thuisplaatsing. Het lukt haar daarnaast niet om in goede samenwerking te komen met de GI, pleegzorg en [therapeut]. Ze legt de oorzaak daarvan buiten zichzelf. Het toewerken naar een thuisplaatsing vereist deelname aan gesprekken met instanties rondom [minderjarige] om inzicht te krijgen in de problematiek van [minderjarige] en zijn opvoedvragen. Daarnaast is er ook inzicht nodig in de eigen problematiek van moeder. Uit het persoonlijkheidsonderzoek van de moeder zou gebleken zijn van een borderline persoonlijkheidsstoornis. De moeder herkent zich daar niet in. De moeder is onvoorspelbaar door een gebrek aan impulscontrole, beperkte emotieregulatie en een wantrouwende houding. Zij heeft echter geen hulpvraag en dus geen behandeling. Er is geen vooruitgang te zien in de vaardigheden van de moeder.

De aanvaardbare termijn is verstreken. [minderjarige] is pas zes jaar oud en verblijft al twee jaar in het pleeggezin. Er is geen verandering op korte termijn te verwachten. [minderjarige] is gebaat bij duidelijkheid, voorspelbaarheid, structuur en veiligheid. Hij ervaart onzekerheid over zijn opgroeiplek en dit kan hem gevoelens van stress en angst geven. Hij stelt vragen of hij in het pleeggezin mag blijven. Op dit moment komt hij niet tot leren op school. Aan [minderjarige] moet duidelijkheid worden gegeven over zijn perspectief. Het is belangrijk dat de moeder emotionele toestemming kan geven dat [minderjarige] in het pleeggezin mag zijn. De moeder kan daarin gesteund worden door een door haar gekozen begeleider. Het is niet wenselijk dat de woonplek van [minderjarige] geheim blijft, maar daarvoor is nodig dat de moeder laat zien dat zij hem niet opzoekt. Het contact tussen de moeder en [minderjarige] moet gecontinueerd worden. Het is daarbij wel belangrijk dat de moeder gaat deelnemen aan de evaluatiegesprekken van de begeleide omgang en bij de hulpverlening van [minderjarige], zodat zij inzicht krijgt in hoe zij beter bij hem kan aansluiten. De moeder moet invulling geven aan haar gezagspositie door zichzelf te laten informeren over de ontwikkeling van [minderjarige].

4.3.

Door en namens de moeder is aangegeven dat zij geen verweer voert tegen de verzoeken. De moeder is het echter niet eens met het vaststellen dat het perspectief van [minderjarige] niet meer bij haar ligt. De moeder vindt dat de aanvaardbare termijn nog niet is verstreken, omdat zij in de afgelopen periode nog niet de kans heeft gekregen om zichzelf te laten zien. Zij vindt dat er stapsgewijs gewerkt moet worden aan uitbreiding van de omgang voor een thuisplaatsing bij haar. De omgang verloopt goed. Zij sluit goed aan bij [minderjarige]. Dat [minderjarige] na de omgang met haar bepaald gedrag laat zien, kan ook komen doordat hij de moeder zo weinig ziet en haar erg mist. De moeder vindt dat niet kan worden gezegd dat het aan haar ligt zonder dat daar onderzoek naar is gedaan. De moeder verneemt nu voor de eerste keer van de GI dat de omgang mogelijk uitgebreid kan worden, terwijl zij hier al meerdere keren om heeft gevraagd. De moeder heeft eerder bij [zorginstelling] goed genoeg ouderschap laten zien. Daar wordt nu onvoldoende waarde aan gegeven. De moeder heeft van meet af aan een slechte samenwerking met de jeugdbeschermer gehad. Zij voelt zich niet gehoord en heeft veel wantrouwen naar de jeugdbeschermer. De moeder heeft ook zorgen over hoe [minderjarige] functioneert in het pleeggezin, bijvoorbeeld dat hij nog een luier draagt naar school. Hij was namelijk al zindelijk voor de uithuisplaatsing. Zij vreest dat het niet goed met hem gaat, omdat hij zijn moeder zo weinig ziet. Ook al zou het perspectief niet meer bij haar liggen, is het van belang dat er nog geïnvesteerd wordt in de omgang tussen haar en [minderjarige].

4.4.

De pleegmoeder heeft naar voren gebracht dat [minderjarige] een lief en sociaal jongetje is. Hij is ondernemend. Hij heeft voorspelbaarheid en ondertiteling nodig om zijn emoties beter te begrijpen. In het pleeggezin krijgt hij structuur en wordt hij begeleid. Het is ook belangrijk dat de hulpverlening en de 1-op-1 begeleiding op school worden voortgezet. [minderjarige] gaat soms zo op in zijn spel dat hij vergeet naar het toilet te gaan. Hij moet daaraan herinnerd worden. Hij moet daarin niet geforceerd worden. Dit heeft tijd nodig.

5 De beoordeling

5.1.

De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan.[_f6878650-f1a7-4245-9b10-e6ac9da821d6] Ook is de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk in het belang van zijn verzorging en opvoeding.[_d77d9aae-0930-4040-bae4-e643100e36e2]

5.2.

[minderjarige] wordt namelijk nog steeds ernstig in zijn ontwikkeling bedreigd. Hij woont inmiddels al twee jaar in het pleeggezin. Hij heeft een verhoogde opvoedingsbehoefte, omdat er bij hem sprake is van trauma- en hechtingsproblematiek. Hij kan complex gedrag vertonen, zoals veelal op school wordt gezien. Hij heeft meer dan gemiddeld behoefte aan nabijheid van een opvoeder, aan ondertiteling van zijn emoties, aan voorspelbaarheid en duidelijkheid. Het lukt de moeder tot nu toe niet om voldoende om in deze opvoedingsbehoefte van [minderjarige] te voorzien. Zij kampt met eigen problematiek, waar zij onvoldoende inzicht in lijkt te hebben en waarvoor zijn geen stappen onderneemt. De moeder is onvoorspelbaar in haar gedrag en erg wantrouwend naar instanties. Om aan de opvoedingsbehoefte van een kind te kunnen voldoen, moet je als ouder inzicht hebben in de problemen van een kind en wat een kind daarin nodig heeft. De moeder sluit echter niet aan bij gesprekken van de hulpverlening van [minderjarige]. Het lukt de moeder niet om te zorgen voor voldoende veiligheid, voorspelbaarheid en stabiliteit voor een thuisplaatsing.

5.3.

De ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing zijn daarom nog steeds nodig. De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een pleeggezin voor de duur van een jaar. De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

5.4.

In de beschikking van 7 januari 2026 heeft kinderrechter de Raad verzocht onderzoek te doen naar het perspectief van [minderjarige]. De kinderrechter volgt het advies van de Raad dat het perspectief van [minderjarige] niet meer bij de moeder maar in het pleeggezin ligt.

5.5.

De kinderrechter heeft gelezen dat de omgang tussen de moeder en [minderjarige] goed verloopt. Dat [minderjarige] na de omgang opstandig gedrag kan laten zien, is niet een verwijt naar de moeder, maar een beschrijving van wat in het pleeggezin en op school wordt ervaren. Het is ook begrijpelijk dat [minderjarige] een reactie laat zien na de omgang, vooral gezien zijn trauma- en hechtingsproblematiek. De moeder heeft aangegeven dat zij vindt dat de aanvaardbare termijn voor [minderjarige] nog niet is verstreken, omdat zij nog onvoldoende de gelegenheid heeft gekregen om te laten zien dat zij wel zijn opvoeding kan dragen. De kinderrechter vindt echter dat de aanvaardbare termijn van [minderjarige] inmiddels ruimschoots is verstreken.

5.6.

De kinderrechter moet het belang van [minderjarige] vooropstellen. Hij heeft meer dan andere kinderen behoefte aan duidelijkheid, waarbij het niet alleen gaat om dagstructuur, maar ook over duidelijkheid over waar hij mag opgroeien. Al geruime tijd vraagt hij letterlijk of hij wel in het pleeggezin mag blijven. Zijn sociaal-emotionele ontwikkeling stagneert door deze onduidelijkheid. Hij heeft intensievere hulpverlening nodig, maar daarvoor moet hij eerst rust ervaren in waar hij mag wonen. Hij komt nu niet goed tot leren door zijn gedrag, wat ook gevolgen kan hebben voor zijn cognitieve ontwikkeling. Het belang van [minderjarige] om duidelijkheid te krijgen waar hij mag opgroeien is heel groot.

5.7.

Daarnaast heeft de kinderrechter niet de verwachting dat er op korte termijn verandering komt in de situatie. De moeder heeft geen inzicht in en geen intrinsieke motivatie om aan haar eigen problematiek te werken. Om aan [minderjarige] een (meer dan gemiddelde) stabiele, gestructureerde, voorspelbare opvoedsituatie te bieden, moet de moeder stabiel, gestructureerd en voorspelbaar zijn. Daarvan is echter onvoldoende sprake. Zij moet verder in staat zijn adviezen van de hulpverlening voor [minderjarige] te volgen, maar tot nu toe heeft de moeder zich wantrouwend richting de hulpverlening opgesteld. Zij sluit niet aan bij de voortgangsgesprekken over onder andere de hulpverlening van [minderjarige] bij [therapeut] en is daardoor niet voldoende op de hoogte van zijn problematiek, zijn hulpverleningsproces en hoe in zijn opvoeding geboden kan worden wat hij nodig heeft. Dat de moeder dit niet lukt, is gelegen in haar houding en haar eigen problematiek, waardoor dit niet eenvoudig te veranderen is. De kinderrechter ziet dat er geen sprake is van onwil maar van onmacht

5.8.

Kortom, de moeder kan op dit moment niet voldoen aan de opvoedingsbehoefte van [minderjarige]. De kinderrechter verwacht niet dat dit op korte termijn verandert en dan weegt het grote belang van [minderjarige] dat hij duidelijkheid krijgt waar hij mag opgroeien het zwaarste. Het is in het belang van [minderjarige] dat aan hem verteld gaat worden dat hij mag blijven in dit pleeggezin en niet meer bij zijn moeder gaat wonen, zodat hij verder kan in zijn ontwikkeling. De kinderrechter vindt het daarbij van belang dat de moeder wel een plek houdt in het leven van [minderjarige] en dat er blijvend geïnvesteerd wordt in de omgang tussen [minderjarige] en de moeder, waarbij de behoefte en het tempo van [minderjarige] leidend moeten zijn.

5.9.

De kinderrechter attendeert de GI nog op de door de Raad gestelde doelen:

- [minderjarige] groeit op in een omgeving waar hij duurzaam op kan groeien, waar hij structuur, regels duidelijkheid, emotionele en fysieke veiligheid ervaart en waarin hij kind kan zijn.

- [minderjarige] krijgt de voor zijn verdere ontwikkeling noodzakelijke hulp (waaronder traumabehandeling).

- [minderjarige] heeft een moeder met grip op haar eigen problematiek, zodat zij voorspelbaar kan zijn voor [minderjarige] en van daaruit contact mogelijk met [minderjarige] kan worden uitgebreid (zodat ook zijn opvoedplek niet langer geheim hoeft te zijn).

- [minderjarige] heeft een moeder die haar veranderende rol (op afstand) richting [minderjarige] kan accepteren.

- [minderjarige] heeft een fijn, voorspelbaar en ontspannen contact met zijn moeder.

- [minderjarige] krijgt van zijn moeder de emotionele toestemming om in het pleeggezin te verblijven.

6 De beslissing

De kinderrechter:

6.1.

verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] met ingang van 12 juli 2026 tot 12 juli 2027;

6.2.

verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg met ingang van 12 juli 2026 tot 12 juli 2027;

6.3.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 19 juni 2026 door mr. Phillips, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Verger-Maas als griffier, en op schrift gesteld op 30 juni 2026.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.