Uitspraak · Personen- en familierecht
Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 19 juni 2026
ECLI:NL:RBZWB:2026:6647Zaaknummer C/02/446579 / JE RK 26-539
- Instantie
- Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Datum uitspraak
- 19 juni 2026
- Publicatiedatum
- 21 augustus 2026
- Zaaknummer
- C/02/446579 / JE RK 26-539
- Rechtsgebied
- Civiel recht, Personen- en familierecht
- Procedure
- Rekestprocedure, Beschikking
- Zittingsplaats
- Breda
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Verlenging machtiging uithuisplaatsing. Onterecht perspectiefbesluit van de GI. GI negeert opdrachten van kinderrechters. GI dient middels gefaseerde opbouw van de omgang nog steeds te werken aan terugplaatsing van de minderjarige bij de moeder.
5 De beslissing
De kinderrechter:
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een gezinsgerichte accommodatie met ingang van 25 juni 2026 tot 25 september 2026;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
houdt de behandeling van het resterende deel tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing aan tot de zitting van [datum] 2026 om [uur] (bij de kinderrechter mr. Phillips) van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, Stationslaan 10 (4815 GW);
bepaalt dat een afschrift van deze beschikking geldt als oproeping voor die zitting voor de moeder en haar advocaat, de GI en de Raad;
verzoekt aan de GI om uiterlijk één week voor deze zitting een schriftelijk verslag uit te brengen en haar standpunt kenbaar te maken over het resterende deel van het verzoek, zoals in de beoordeling onder 4.16 weergegeven;
behoudt zich verder iedere beslissing voor.
| Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesprokken op 19 juni 2026 door mr. Phillips, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Verger-Maas als griffier, en op 3 juli 2026 op schrift gesteld. |
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
- degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/446579 / JE RK 26-539
Datum uitspraak: 19 juni 2026
Nadere beschikking van de kinderrechter over een verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling WILLIAM SCHRIKKER STICHTING JEUGDBESCHERMING EN JEUGDRECLASSERING,
gevestigd te Amsterdam,
hierna te noemen: de GI
over
[minderjarige],
geboren op [geboortedag] 2023 in 's- [geboorteplaats],
hierna te noemen: [minderjarige].
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats],
advocaat: mr. N.A.H. Limbourg uit Breda.
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, hierna te noemen de Raad, om de kinderrechter over het verzoek te adviseren.
1 Het nadere verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- de beschikking van de kinderrechter van deze rechtbank van 10 april 2026, hersteld bij beschikking van 10 juni 2026;
- de brief van de GI van 8 juni 2026;
- de brief met bijlagen van mr. Limbourg van 16 juni 2026.
De zitting heeft met gesloten deuren plaatsgevonden op 19 juni 2026. Daarbij waren aanwezig en zijn gehoord:
- de moeder met haar advocaat;
- twee vertegenwoordigers van de GI;
- een vertegenwoordiger van de Raad.
Daarnaast was aanwezig een begeleider van het moeder-kindhuis. Zij is door de kinderrechter als informant aangemerkt.
2 De feiten
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige].
Bij beschikking van de kinderrechter van deze rechtbank van 10 april 2026, hersteld bij beschikking van 10 juni 2026 is de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd met ingang van 15 april 2026 tot 15 april 2027. Daarnaast is de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een gezinsgerichte voorziening verlengd met ingang van 15 april 2026 tot 25 juni 2026. Het verdere verzoek tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing is aangehouden in afwachting van een verslag van de GI.
[minderjarige] verblijft in een gezinshuis.
3 Het verzoek
Aan de orde is het verzoek van de GI om de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een gezinsgerichte accommodatie te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling en deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4 De nader beoordeling
In de beschikking van 10 april 2026 heeft de kinderrechter aangegeven dat van de GI wordt verwacht te onderzoeken wat de (on)mogelijkheden zijn ten aanzien van het perspectief van [minderjarige]. De kinderrechter heeft de GI verzocht om in een schriftelijk verslag nadere informatie te geven over:
- een recente stand van zaken rondom de situatie in het gezin;
- het verloop van de ondertoezichtstelling en van de ingezette hulpverlening;
- een recente stand van zaken rondom de uithuisplaatsing, waarbij dient te worden ingegaan op de volgende vragen:
a. wordt er gewerkt aan thuisplaatsing?
I. Zo nee, waarom is thuisplaatsing (nog) niet aan de orde?
II. Zo ja, hoe ziet dat traject eruit?
b. Welke hulpverlening aan de ouders wordt (hierbij) ingezet?
c. Hoe ziet de omgangsregeling eruit?
d. Is er een perspectief biedende oplossing en zo ja, hoe ziet die eruit?
e. Is een netwerkplaatsing overwogen; zo nee, waarom niet?
f. Indien niet gekozen is voor een gezinsomgeving, waarom niet?
Standpunt van de GI
In de brief van 8 juni 2026 en ter zitting heeft de GI aangegeven dat de GI niet de visie heeft om [minderjarige] terug te plaatsen bij de moeder, maar wel voornemens is om de bezoeken bij de moeder uit te breiden. Het perspectief dat er niet meer gewerkt wordt aan een terugplaatsing van [minderjarige] bij de moeder is al eerder door de GI bepaald. De moeder verblijft met het halfbroertje van [minderjarige], [halfbroertje], in een moeder-kindhuis. De GI verwijst naar de situatie van eind maart 2026, waarbij [minderjarige] is teruggeplaatst bij de moeder in het moeder-kindhuis en de moeder toen het moeder-kindhuis heeft verlaten, zich niet heeft gehouden aan de veiligheidsafspraken en is aangetroffen met de kinderen in een hotel, waarna [minderjarige] weer uit huis is geplaatst in het gezinshuis. De moeder laat een terugkerend patroon van keuzes zien die niet in het belang van [minderjarige] zijn. Daarnaast zijn er zorgen over de relatie tussen de moeder en de vader van [halfbroertje]. De moeder doet het goed in het moeder-kindhuis met [halfbroertje]. Zij is in april in [plaats 1] geplaatst. Half mei is besloten om haar over te plaatsen naar een moeder-kindhuis in [plaats 2] zodat zij minder reistijd heeft bij de bezoeken met [minderjarige]. Bij [minderjarige] is er sprake van een disharmonisch ontwikkelingsprofiel. Hij kan sociaal meer dan andere kinderen, maar zijn emoties zijn nog moeilijk te begrijpen en te reguleren voor hem, hij is snel overprikkeld en kan slecht tegen onverwachte gebeurtenissen. Hij laat dan externaliserend gedrag zien. Er is bij hem sprake van een trauma- en overprikkelingsprofiel en een belast verleden. Met de uitbreiding van de bezoeken wil de GI onderzoeken of de moeder voldoende in staat is bij de verzwaarde opvoedbehoefte van [minderjarige] aan te sluiten. [minderjarige] heeft traumabehandeling nodig en dit kan pas starten als hij duidelijkheid heeft over zijn woonplek. Hij is hiervoor aangemeld. Het gaat goed met [minderjarige] in het gezinshuis.
Standpunt van de moeder
De moeder is het er niet mee eens dat de GI al een perspectiefbeslissing heeft genomen, nu de GI heeft aangegeven niet meer te werken aan terugplaatsing en enkel nog de omgang tussen haar en [minderjarige] wil uitbreiden. Dit is overigens de eerste keer dat de moeder van de GI het plan verneemt om de omgang uit te gaan breiden. De moeder heeft er geen vertrouwen in dat dit daadwerkelijk zal gebeuren. De moeder heeft nu eenmaal per week anderhalf uur bezoek met [minderjarige]. De moeder verblijft met het halfbroertje van [minderjarige] in het moeder-kindhuis. Zij doet het daar goed. [minderjarige] kan daar bijgeplaatst worden. De moeder vindt het belangrijk dat [minderjarige] weet waar hij opgroeit voordat hij naar school gaat. Zij hoopt dat het bij haar is.
De advocaat van de moeder heeft aangegeven dat er geen enkele noodzaak is om [minderjarige] nog langer uit huis te plaatsen. De GI heeft op geen enkel moment op een zorgvuldige wijze geprobeerd om [minderjarige] thuis te plaatsen. De kinderrechter heeft in oktober 2025 al de perspectiefbeslissing van de GI afgewezen, maar de GI houdt toch aan deze beslissing vast. De kinderrechter heeft al tweemaal aangegeven dat er op zorgvuldige wijze gewerkt moet worden aan een thuisplaatsing, maar de GI handelt hier niet naar. Er is niets gedaan aan de opbouw van de omgangsregeling tussen de moeder en [minderjarige]. Eind maart is [minderjarige] ineens van de ene op de andere dag bij de moeder geplaatst, omdat het gezinshuis aangaf dat hij daar weg moest. De moeder was kort daarvoor bevallen van [halfbroertje]. De veiligheidsafspraken waren er wel, maar zij waren niet helder. Er is ook andere informatie gegeven door het moeder-kindhuis. Bovendien heeft de moeder niet de veiligheidsvoorwaarde geschonden dat de vader van [halfbroertje] niet bij [minderjarige] mocht zijn. De moeder heeft een aandeel in de situatie dat het toen niet goed is gegaan, maar hoe de situatie is verlopen, ligt niet enkel aan de moeder. Er was geen sprake van een gefaseerde, zorgvuldige terugplaatsing bij de moeder. De advocaat verzoekt primair het verzoek af te wijzen, zodat [minderjarige] bij de moeder in het moeder-kindhuis kan worden geplaatst. Subsidiair verzoekt zij om middels een korte opbouw van de omgangsregeling binnen een maand en uiterlijk twee maanden hem bij de moeder te plaatsen. De moeder had al kinderopvang voor [minderjarige] geregeld. Zij start per 1 september a.s. ook met haar stage. De GI geeft aan dat er geen mogelijkheid is voor een netwerkplaatsing, maar daar is ook nooit onderzoek naar gedaan.
Informante van het moeder-kindhuis
De begeleider van het moeder-kindhuis heeft aangegeven dat [minderjarige] bij de moeder en [halfbroertje] geplaatst kan worden. Zij ziet geen redenen waarom dit niet zou kunnen. Er worden geen zorgen gezien in de opvoeding en verzorging van het halfbroertje van [minderjarige] door de moeder. Het is ook mogelijk dat [minderjarige] via het moeder-kindhuis traumatherapie krijgt. Het moeder-kindhuis is een kleine setting, dus er heerst voldoende rust. De moeder kan er zo lang blijven als nodig is.
Advies Raad voor de Kinderbescherming
Door de Raad is naar voren gebracht dat er geen duidelijk perspectiefonderzoek ten grondslag ligt aan de perspectiefbepaling door de GI. De rechtbank heeft reeds tweemaal aangegeven dat het perspectief van [minderjarige] nog niet vastligt. Het is zorgelijk dat de GI de opdrachten van de kinderrechter niet opvolgt. Daarmee wordt niet in het belang van [minderjarige] gehandeld. De Raad vraagt zich af of de moeder in staat is langdurige zorg en stabiliteit aan [minderjarige] te bieden, maar voordat het perspectief wordt bepaald, moet dit eerst gedegen onderzocht worden. Eerst moet zorgvuldig bekeken worden of de moeder over voldoende opvoedvaardigheden beschikt om in de opvoedbehoefte van [minderjarige] te voorzien, of zij hierin leerbaar is en of zij in staat is zich aan de (veiligheids)afspraken te houden, voordat [minderjarige] bij de moeder geplaatst wordt. [minderjarige] heeft al veel meegemaakt en heeft een verhoogde opvoedbehoefte. Er moet zoveel mogelijk voorkomen worden dat hij nog meer beschadigd wordt. De moeder verblijft in een moeder-kindhuis. Daar kan gefaseerd gevolgd worden of de moeder de opvoeding van [minderjarige] en zijn [halfbroertje] kan dragen. Van belang is dat er niet een thuisplaatsing van de ene op de andere dag plaatsvindt, maar dat [minderjarige] stapsgewijs steeds meer daar zal verblijven. De GI zal in gesprek moeten gaan met het gezinshuis waar [minderjarige] verblijft, dat het niet in het belang van [minderjarige] is als zij ineens bepalen dat hij daar geen plek meer heeft. Ook zij moeten meewerken aan dit traject om te bezien of [minderjarige] bij de moeder geplaatst kan worden. Een gezinshuis behoort in het belang van een kind te handelen en dit hoort er ook bij. De moeder moet laten zien dat zij de juiste keuzes kan maken voor de kinderen. Daar hoort ook bij dat zij kritisch moet kijken naar haar relatie met de vader van [halfbroertje]. Zij moet het belang van haar kinderen voor haar partner stellen. De Raad adviseert daarom om de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] te verlengen voor drie maanden en dat binnen deze periode de omgang gefaseerd wordt uitgebreid om te werken naar een plaatsing bij de moeder. Het moeder-kindhuis kan rapporteren aan de GI. De GI kan ook bekijken of [minderjarige] de traumabehandeling gaat volgen vanuit het moeder-kindhuis of vanuit het gezinshuis. Als de gefaseerde terugplaatsing niet goed verloopt, dan is het aan de GI om onafhankelijke professionals te benaderen om het perspectief op een onafhankelijk wijze vast te stellen.
De beoordeling door de kinderrechter
In de beschikking van 7 oktober 2025 van de rechtbank Rotterdam heeft de kinderrechter al vastgesteld dat aan de in de beschikking van 8 april 2025 door de kinderrechter van de rechtbank Den Haag gegeven opdracht dat er onderzoek moet worden gedaan naar een thuisplaatsing bij de moeder en een eventuele netwerkplaatsing bij de oma moederszijde niet door de GI is voldaan. De kinderrechter heeft vervolgens overwogen dat binnen vier maanden toegewerkt dient te worden naar de thuisplaatsing van [minderjarige] bij de moeder middels een stap voor stap opbouw in het moeder-kindhuis. Tenslotte heeft de kinderrechter het perspectiefbesluit van de GI afgewezen wegens onvoldoende aanleiding om te veronderstellen dat het perspectief ergens anders ligt dan bij de moeder en omdat er te weinig tijd is genomen om te onderzoeken en te weinig concreet is gedaan door de GI om te kunnen constateren dat het perspectief van [minderjarige] nooit meer bij de moeder ligt.
Vervolgens is door de kinderrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant bij beschikking van 29 januari 2026 wederom aangegeven dat toegewerkt dient te (blijven) worden naar een thuisplaatsing van [minderjarige] bij de moeder. De kinderrechter heeft daarbij benadrukt dat de GI er samen met de moeder en de gezinshuisouders voor dient te zorgen dat binnen de termijn van de machtiging tot uithuisplaatsing een verantwoorde en veilige terugplaatsing van [minderjarige] bij de moeder zal zijn geborgd.
Bij beschikking van 10 april 2026 heeft de kinderrechter de verwachting uitgesproken dat de GI onderzoek doet naar wat de (on)mogelijkheden zijn in het perspectief van [minderjarige] en zijn er kritische vragen gesteld over de mogelijkheden tot thuisplaatsing, de ingezette hulpverlening daarbij, de omgangsregeling en of een netwerkplaatsing tot de mogelijkheden behoort.
De kinderrechter stelt vast dat de GI in strijd met meerdere uitspraken van kinderrechters vasthoudt aan haar perspectiefbesluit dat [minderjarige] niet meer bij de moeder zal opgroeien en concrete opdrachten en vragen gericht op een stapsgewijze plaatsing bij de moeder in het moeder-kindhuis negeert. De GI handelt hiermee niet in het belang van [minderjarige]. De kinderrechter benadrukt nogmaals dat het perspectief van [minderjarige] nog niet is vastgesteld en dat er door de GI nog steeds gewerkt dient te worden aan een terugplaatsing van [minderjarige] bij de moeder.
De GI heeft aangegeven dat eind maart 2026 [minderjarige] bij de moeder is teruggeplaatst. Deze terugplaatsing heeft echter niet zorgvuldig plaatsgevonden. [minderjarige] is van de ene op de andere dag, zonder opbouwtraject vooraf, bij de moeder in het moeder-kindhuis geplaatst, omdat het gezinshuis had aangeven geen plek meer voor hem te hebben als het perspectief van [minderjarige] niet bij hun ligt. De moeder heeft er ook een aandeel in gehad dat [minderjarige] enkele dagen later weer uit huis is geplaatst, maar de kinderrechter merkt daarbij op dat het ook onduidelijk is of zij daadwerkelijk veiligheidsafspraken heeft geschonden en in hoeverre duidelijk was afgesproken of zij met de kinderen even weg mocht uit het moeder-kindhuis. Opvallend is dat [minderjarige] vervolgens wel weer in hetzelfde gezinshuis terecht kon. Met deze mislukte thuisplaatsing is het belang van [minderjarige] ernstig geschonden. Dit had de GI zorgvuldiger moeten aanpakken. Dat maakt ook dat er nog geen reële kans is gegeven aan de moeder en [minderjarige] voor een thuisplaatsing.
De moeder verblijft in een moeder-kindhuis. Zij kan daar nog langere tijd verblijven. Zij heeft laten zien dat zij ten aanzien van [halfbroertje], het halfbroertje van [minderjarige], in voldoende mate de basale verzorging en opvoeding kan bieden en dat zij zich kan houden aan de afspraken. Zij is ook bereid om in het moeder-kindhuis te blijven zolang het nodig is en heeft een goede werkrelatie met de zorgverleners. Aan de kant van de moeder zijn er gezien deze stabiele, veilige verblijfplek op dit moment geen redenen om een stapsgewijze terugplaatsing van [minderjarige] te weigeren.
[minderjarige] heeft door hetgeen hij heeft meegemaakt een verhoogde opvoedbehoefte. Er moet een stapsgewijze, opbouwende regeling door de GI worden ingezet, waarbij [minderjarige] steeds langer en frequenter bij de moeder in het moeder-kindhuis verblijft. Op deze wijze kan bekeken worden of de moeder aan deze opvoedbehoefte in voldoende mate kan voldoen, of zij (indien nodig) hierin leerbaar is, of zij zich nog steeds aan de (veiligheids)afspraken houdt en of zij voldoende weerbaar is richting de vader van [halfbroertje]. En uiteraard moet er dan bekeken worden hoe het met [minderjarige] gaat.
Belangrijk daarbij is dat de GI aan de gezinshuisouders uitlegt dat het perspectief van [minderjarige] nog niet vastligt en dat zij niet de plaatsing van [minderjarige] nu kunnen opzeggen. Zij behoren ook in het belang van [minderjarige] te handelen en daar hoort bij dat gekeken wordt in hoeverre hij bij zijn moeder verder kan opgroeien. Van de gezinshuisouders wordt verwacht dat zij hieraan meewerken.
De kinderrechter acht het op dit moment nog steeds in het belang van de verzorging en opvoeding van [minderjarige] noodzakelijk dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een gezinsgerichte voorziening voortduurt. De kinderrechter zal deze machtiging verlengen voor de duur van drie maanden, tot 25 september 2026. In die drie maanden dient de GI dus stapsgewijs de omgang tussen [minderjarige] en de moeder uit te breiden in die zin dat [minderjarige] steeds langer en frequenter bij de moeder (en zijn halfbroertje) in het moeder-kindhuis zal verblijven om te werken naar een terugplaatsing. De kinderrechter kan niet bepalen hoe deze opbouwende regeling eruit zal zien, omdat zij geen zicht heeft op alle factoren die daarbij een rol spelen en het tempo en het welzijn van [minderjarige] daarbij leidend moet zijn. Dit is aan de GI, in overleg met de moeder, het gezinshuis en het moeder-kindhuis.
De kinderrechter zal het verzoek voor het overige aanhouden tot de volgende zitting op [datum] om [uur]. De kinderrechter verzoekt de GI om uiterlijk een week voor deze zitting een verslag in te dienen en daarbij informatie te geven over hoe de omgangsregeling is opgebouwd, hoe dit is verlopen, of de moeder voldoende kan voorzien in de opvoedbehoefte van [minderjarige], of zij voldoende weerbaar is richting de vader van [halfbroertje] en hoe het met [minderjarige] gaat, met daarbij een verslag van de bevindingen van het moeder-kindhuis. Daarnaast wordt aan de GI verzocht zich uit te laten of het resterende deel van het verzoek gehandhaafd blijft.
De kinderrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is
verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.
5 De beslissing
De kinderrechter:
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een gezinsgerichte accommodatie met ingang van 25 juni 2026 tot 25 september 2026;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
houdt de behandeling van het resterende deel tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing aan tot de zitting van [datum] 2026 om [uur] (bij de kinderrechter mr. Phillips) van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, Stationslaan 10 (4815 GW);
bepaalt dat een afschrift van deze beschikking geldt als oproeping voor die zitting voor de moeder en haar advocaat, de GI en de Raad;
verzoekt aan de GI om uiterlijk één week voor deze zitting een schriftelijk verslag uit te brengen en haar standpunt kenbaar te maken over het resterende deel van het verzoek, zoals in de beoordeling onder 4.16 weergegeven;
behoudt zich verder iedere beslissing voor.
| Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesprokken op 19 juni 2026 door mr. Phillips, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Verger-Maas als griffier, en op 3 juli 2026 op schrift gesteld. |
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
- degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.