Uitspraak · Personen- en familierecht

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 19 juni 2026

ECLI:NL:RBZWB:2026:6645Zaaknummer C/02/449323 / JE RK 26/1055

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
19 juni 2026
Publicatiedatum
21 augustus 2026
Zaaknummer
C/02/449323 / JE RK 26/1055
Rechtsgebied
Civiel recht, Personen- en familierecht
Procedure
Rekestprocedure, Beschikking
Zittingsplaats
Breda
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Ondertoezichtstelling

6 De beslissing

De kinderrechter:

6.1.

Stelt [minderjarige] onder toezicht van de GI van 25 juni 2026 tot 15 april 2027;

6.2.

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

6.3.

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesprokken op 19 juni 2026 door mr. Phillips, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Verger-Maas als griffier, en op 3 juli 2026 op schrift gesteld.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 Het verloop van de procedure
  2. 2 De feiten
  3. 3 Het verzoek
  4. 4 De standpunten
  5. 5 De beoordeling
  6. 6 De beslissing

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht

Locatie Breda

Zaaknummer: C/02/449323 / JE RK 26/1055

Datum uitspraak: 19 juni 2026

Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling

in de zaak van

DE RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, hierna te noemen: de Raad

over

[minderjarige],

geboren op [geboortedag] 2026 in [geboorteplaats],

hierna te noemen: [minderjarige].

De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:

[de moeder],

hierna te noemen: de moeder,

wonende in [woonplaats],

advocaat: mr. N.A.H. Limbourg uit Breda,

[de vader],

hierna te noemen: de vader,

zonder bekende woon- of verblijfplaats,

de gecertificeerde instelling WILLIAM SCHRIKKER STICHTING JEUGDBESCHERMING EN JEUGDRECLASSERING,

gevestigd te Amsterdam,

hierna te noemen: de GI.

1 Het verloop van de procedure

1.1.

De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:

- het op 16 juni 2026 ontvangen verzoekschrift met bijlagen van de Raad;

- de door de Raad op 17 juni 2026 overgelegde reactie van de moeder op het raadsrapport.

1.2.

De zitting heeft met gesloten deuren plaatsgevonden op 19 juni 2026. Daarbij waren aanwezig en zijn gehoord:

  • de moeder met haar advocaat;
  • de vader;

- twee vertegenwoordigers van de GI;

- een vertegenwoordiger van de Raad.

Tevens was als toehoorder aanwezig een begeleider van het moeder-kindhuis, aan wie de kinderrechter bijzondere toegang heeft verleend.

2 De feiten

2.1.

De moeder en de vader zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige].

2.2.

Bij beschikking van de kinderrechter van deze rechtbank van 7 april 2026 is [minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 7 april 2026 tot 25 juni 2026 en is een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een gezinsgerichte voorziening verleend met ingang van 7 april 2026 tot 25 juni 2026.

2.3.

[minderjarige] verblijft bij de moeder in een moeder-kindhuis.

3 Het verzoek

3.1.

Aan de orde is het verzoek van de Raad om [minderjarige] onder toezicht te stellen van de GI voor een periode van twaalf maanden en deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4 De standpunten

4.1.

Ter onderbouwing van het verzoek voert de Raad het volgende aan. Er is sprake van een ernstige bedreiging in de ontwikkeling van [minderjarige]. De moeder laat een terugkerend patroon zien van keuzes die de veiligheid en de ontwikkeling van [minderjarige] en zijn halfbroer [de halfbroer] bedreigen. Zij heeft relaties met partners met gewelddadige aspecten. Op cruciale momenten houdt zij zich niet aan de (veiligheids)afspraken, hetgeen heeft geleid tot de uithuisplaatsing van [minderjarige] van 25 maart tot 24 april jl. in het gezinshuis waar [de halfbroer] verblijft. De moeder is via [zorginstelling] gediagnosticeerd met PTSS en een andere niet gespecificeerde persoonlijkheidsstoornis. Zij volgt hiervoor een behandeling. Deze kwetsbaarheid kan een rol spelen in stressvolle situaties. De vader lijkt over een verminderde emotieregulatie te beschikken. De vader is daarnaast zorgmijdend. Hij treedt onvoldoende constructief in gesprek met de GI en heeft ook onvoldoende meegewerkt aan het raadsonderzoek. De ouders erkennen de zorgen onvoldoende. De moeder is voldoende bereid, maar onvoldoende in staat, en de vader is onvoldoende bereid de bedreiging in de ontwikkeling van [minderjarige] weg te nemen. [minderjarige] is op 24 april jl. bij de moeder in het moeder-kindhuis teruggeplaatst. Met het verblijf in het moeder-kindhuis is er voldoende zicht op de moeder en [minderjarige]. De moeder is binnen het moeder-kindhuis goed in staat de basale zorg over [minderjarige] te dragen en zij neemt adviezen aan. De Raad acht daarom een machtiging tot uithuisplaatsing niet noodzakelijk. Binnen de ondertoezichtstelling dient er zicht te komen op het opvoedershandelen van beide ouders. De moeder zal het patroon van het hebben van gewelddadige partners moeten doorbreken. De Raad acht een persoonlijkheids- c.q. diagnostisch onderzoek bij de moeder nodig om zicht te krijgen op haar functioneren en te bezien welke hulp passend is. Het is daarnaast belangrijk dat zij haar behandeling bij [zorginstelling] voortzet. De vader moet zich niet meer zorgmijdend opstellen en hij moet zijn emotieregulatie verbeteren. Daarnaast is een vaste woonplaats voor de vader wenselijk.

4.2.

De GI heeft aangegeven dat de vader enkele keren contact heeft gehad met [minderjarige] in het moeder-kindhuis. De GI heeft besloten dat de omgang begeleid moet worden door een professionele instantie buiten het moeder-kindhuis. De omgang is in afwachting daarvan gestopt. De aanmelding hiertoe is inmiddels gedaan. De vader heeft eerder aangegeven niet bereid te zijn in gesprek te gaan met de GI, maar inmiddels is er wel contact. Het contact verloopt echter moeizaam. Dat de vader geen vast postadres heeft, is daarbij niet helpend.

4.3.

De moeder begrijpt dat er nog een ondertoezichtstelling nodig is, maar is het niet eens met de verzochte duur van een jaar. Zij vindt dat zes maanden voldoende is om te laten zien dat het goed genoeg gaat. Zij werkt er hard voor. Zij volgt de behandeling via [zorginstelling]. In het moeder-kindhuis wordt gezien dat zij goed voor [minderjarige] kan zorgen. Er kan daar ook therapie op het hechtingsproces tussen [minderjarige] en haar door een orthopedagoog worden ingezet. De relatie met de vader gaat goed. De emoties van de vader zijn soms een probleem en zij wil graag dat hij daar hulp bij krijgt. Zij mag nu alleen contact hebben met de vader als [minderjarige] slaapt. De moeder vindt dat zij een kans moeten krijgen om te kunnen laten zien dat het goed gaat. Het liefst zou zij samen met de vader en de kinderen een gezin willen vormen. Zij heeft bij de GI een gezinsopname voorgesteld.

4.4.

De vader heeft aangegeven dat hij het vervelend vindt dat hij [minderjarige] inmiddels al meer dan een maand niet heeft gezien. Hij wil samen een gezin zijn en hij wil daarvoor meewerken. Wat er in het verleden is gebeurd, daar staat hij niet achter. Hij begrijpt niet goed wat nu het probleem is dat hij, de moeder en [minderjarige] niet een gezin mogen zijn. Hij is soms emotioneel, maar is bereid daarvoor therapie te volgen. Hij is ook bereid aan een gezinsopname mee te werken, mits er rekening wordt gehouden met zijn onregelmatige werk als kok. Er wordt veel over hem gezegd, maar zonder met hem te spreken. Hij is door zijn werk niet altijd direct bereikbaar. De GI heeft zijn telefoonnummer en e-mailadres en kan een bericht sturen.

5 De beoordeling

Wettelijk kader

5.1.

De kinderrechter kan op grond van artikel 1:255 eerste lid van het Burgerlijk Wetboek (BW) een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. Daarnaast moet:

  • de zorg die in verband met het wegnemen van deze bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouder(s) die het gezag uitoefenen, niet of onvoldoende door hen worden geaccepteerd, en
  • de verwachting gerechtvaardigd zijn dat de ouder(s) die het gezag uitoefenen de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van de minderjarige in staat zijn te dragen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbare termijn.

De beoordeling van de kinderrechter

5.2.

De kinderrechter is van oordeel dat aan de vereisten voor een ondertoezichtstelling is voldaan. [minderjarige] wordt ernstig in zijn ontwikkeling bedreigd. Hij heeft in zijn jonge leven al veel meegemaakt. Tijdens de zwangerschap van de moeder van [minderjarige] is er sprake geweest van huiselijk geweld, hij heeft met de moeder inmiddels al in verschillende moeder-kindhuizen verbleven en is zelfs voor een korte periode vanwege veiligheidsoverwegingen uithuisgeplaatst. De moeder dient meer inzicht te krijgen in het patroon dat zij heeft, waarin zij keuzes maakt die negatieve gevolgen hebben voor de veiligheid en de ontwikkeling van [minderjarige] en zijn halfbroer [de halfbroer]. Mogelijk speelt hierbij haar kwetsbare persoonlijkheid ook een rol. De moeder heeft in de afgelopen maanden laten zien dat zij in staat is in goede samenwerking te komen met de GI en de zorgverleners van het moeder-kindhuis. Zij is echter nog onvoldoende in staat de bedreiging in de ontwikkeling van [minderjarige] zelfstandig weg te nemen. De vader is in de afgelopen maanden nog onvoldoende in samenwerking gekomen met de GI. Hij is daardoor nog onvoldoende bereid gebleken de bedreiging in de ontwikkeling van [minderjarige] weg te nemen. Hij heeft tijdens de zitting aangegeven bereid te zijn om beter in contact te zijn met de GI, bereid te zijn therapie te volgen voor een betere emotieregulatie en bereid te zijn begeleide omgang met [minderjarige] te hebben. In de komende maanden moet hij laten zien dat hij dat ook daadwerkelijk gaat doen. De vader heeft de wens om samen met de moeder en [minderjarige] een gezin te vormen. De vader moet zich ervan bewust zijn dat dit mede afhankelijk is van zijn inzet.

5.3.

De kinderrechter zal daarom [minderjarige] onder toezicht stellen van de GI. Voor de halfbroer van [minderjarige], [de halfbroer], geldt een ondertoezichtstelling tot 15 april 2027. De kinderrechter kiest er om praktische redenen voor om de ondertoezichtstelling van [minderjarige] qua duur gelijk te laten lopen met deze ondertoezichtstelling van [de halfbroer]. Zij wijst het overige gedeelte van het verzoek af.

5.4.

De Raad heeft de volgende doelen gesteld in het raadsrapport:

- [minderjarige] groeit op in een veilige, risicoarme opvoedomgeving die vrij is van huiselijk geweld.

- [minderjarige] groeit op met ouders die beslissingen nemen in zijn belang.

- [minderjarige] ontwikkelt zich goed.

- Er is zicht op de relatie van de ouders.

- Er is zicht op de relatie van de ouders met [minderjarige].

- Er is zicht op het geestelijk functioneren van de moeder.

- Er is zicht op de opvoedvaardigheden van moeder.

- Er is zicht op de opvoedvaardigheden van vader.

- Er is zicht op middelengebruik van de ouders, zij nemen deel aan drugstesten/ urinecontroles indien nodig. [minderjarige] is vrij van middelengebruik van ouders.

- De ouders komen alle afspraken na met de hulpverlening.

- De afspraken met het consultatiebureau worden nagekomen.

- De rol van vader in het leven van [minderjarige] is duidelijk.

- [minderjarige] en zijn halfbroertje zien elkaar.

- Het langdurig woonperspectief van [minderjarige] is duidelijk.

5.5.

De kinderrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is

verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

5.6.

Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

6 De beslissing

De kinderrechter:

6.1.

Stelt [minderjarige] onder toezicht van de GI van 25 juni 2026 tot 15 april 2027;

6.2.

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

6.3.

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesprokken op 19 juni 2026 door mr. Phillips, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Verger-Maas als griffier, en op 3 juli 2026 op schrift gesteld.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.