Uitspraak · Personen- en familierecht

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 18 juni 2026

ECLI:NL:RBZWB:2026:6622Zaaknummer C/02/446221 / JE RK 26-476

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
18 juni 2026
Publicatiedatum
21 augustus 2026
Zaaknummer
C/02/446221 / JE RK 26-476
Rechtsgebied
Civiel recht, Personen- en familierecht
Procedure
Rekestprocedure, Beschikking
Zittingsplaats
Middelburg
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Mk restantmuhp bij moeder, uit aanvullend raadsonderzoek komt naar voren dat dit voor nu de beste plaats is, omdat verder zicht op bepaalde punten nog ontbreekt

De rechtbank:

6.1.

verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 3], [minderjarige 4] en [minderjarige 5] op een

geheime locatie (met de moeder) met ingang van 26 juni 2026 en tot 26 september 2026;

6.2.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

6.3.

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 18 juni 2026 door mr.

Voorn, voorzitter, tevens kinderrechter, mr. Verschoor-Bergsma en mr. Borm, kinderrechters, in aanwezigheid van mr. De Bont, griffier, en op schrift gesteld op 2 juli 2026.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch.

Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

- degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag

van de uitspraak;

- andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie

maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 Het verloop van de procedure
  2. 2 De feiten
  3. 3 Het verzoek
  4. 4 De standpunten
  5. 5 De verdere beoordeling
  6. 6 De beslissing

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht

Locatie Middelburg

Zaaknummer: C/02/446221 / JE RK 26-476

Datum uitspraak: 18 juni 2026

(nadere) beschikking van de meervoudige kamer over een machtiging tot uithuisplaatsing

in de zaak van

DE RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING, regio Zeeland-West-Brabant,

locatie Middelburg,

hierna te noemen: de Raad,

over

[minderjarige 1], geboren op [geboortedag 1] 2008 in [geboorteplaats 1],

hierna te noemen: [minderjarige 1],

[minderjarige 2], geboren op [geboortedag 2] 2012 in [geboorteplaats 1],

hierna te noemen: [minderjarige 2],

[minderjarige 3], geboren op [geboortedag 3] 2014 in [geboorteplaats 1],

hierna te noemen: [minderjarige 3],

[minderjarige 4], geboren op [geboortedag 4] 2018 in [geboorteplaats 2],

hierna te noemen: [minderjarige 4],

[minderjarige 5], geboren op [geboortedag 5] 2021 in [geboorteplaats 1],

hierna te noemen: [minderjarige 5].

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[de moeder],

hierna te noemen: de moeder,

wonende op een geheim adres,

advocaat: mr. E.A. Prins te Nieuwegein.

[de vader],

hierna te noemen: de vader,

wonende te [plaats 1] doch feitelijk verblijvende te [plaats 2],

advocaat: mr. M.B. Meerzorg te Amsterdam.

en

de gecertificeerde instelling Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering, hierna te noemen: de GI.

1 Het verloop van de procedure

1.1.

De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:

- De beschikking van 26 maart 2026 en alle daarin vermelde stukken;

  • Het bericht met bijlagen van de Raad van 2 juni 2026;
  • De brief met bijlagen van de GI van 9 juni 2026;
  • Het bericht van mr. Meerzorg van 11 juni 2026;
  • Het bericht met aanvullende stukken van mr. Prins van 12 juni 2026;
  • Het verweerschrift met bijlagen van de GI, ontvangen op 12 juni 2026.

En de te laat ingekomen stukken:

- Het bericht met bijlage van mr. Prins van 15 juni 2026;

- De brief met bijlagen van mr. Meerzorg van 15 juni 2026;

- Het bericht met bijlagen van mr. Prins van 16 juni 2026;

- Het bericht met bijlagen van mr. Prins van 17 juni 2026;

- Het bericht van mr. Meerzorg van 17 juni 2026;

- Het bericht van de GI van 17 juni 2026;

- Het bericht met bijlagen van mr. Prins van 17 juni 2026.

1.2.

De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 18 juni 2026. Daarbij waren aanwezig:

- de vader met zijn advocaat;

- de moeder via een online verbinding;

  • de advocaat van de moeder;
  • een vertegenwoordigster van de Raad;

- een drietal vertegenwoordigsters van de GI.

1.3.

De rechtbank heeft [minderjarige 3] en [minderjarige 4] naar hun mening gevraagd. [minderjarige 3] en [minderjarige 4] hebben hierover een gesprek gevoerd met een van de kinderrechters. Tijdens de zitting heeft de rechtbank samengevat wat [minderjarige 3] en [minderjarige 4] hebben verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

1.4.

Tijdens de zitting hebben de advocaat van de vader en de advocaat van de moeder (een deel van hun) pleitnota’s voorgedragen.

2 De feiten

2.1.

Partijen zijn met elkaar gehuwd.

2.2.

De vader en de moeder zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1], [minderjarige 2], [minderjarige 3], [minderjarige 4] en [minderjarige 5].

2.3.

Bij beschikking van 7 januari 2026 zijn [minderjarige 1], [minderjarige 2], [minderjarige 3], [minderjarige 4] en [minderjarige 5] voorlopig onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 7 januari 2026 en tot 7 april 2026.

2.4.

Bij beschikking van 20 januari 2026 heeft de rechtbank onder andere bepaald dat voornoemde minderjarigen voorlopig zijn toevertrouwd aan de moeder. Voorts heeft de rechtbank bij deze beschikking de Raad verzocht onderzoek te doen en voor 7 april 2026 te rapporteren en adviseren in de reeds aanhangig gemaakte bodemprocedure over de echtscheiding.

2.5.

Bij beschikking van 19 februari 2026 is een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verleend met ingang van 19 februari 2026 en tot 5 maart 2026. Tevens is bij deze beschikking een (spoed)machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 3], [minderjarige 4] en [minderjarige 5] op een geheime locatie (met de moeder) verleend met ingang van 19 februari 2026 en tot 5 maart 2026. Deze machtigingen zijn vervolgens bij beschikking van 24 februari 2026 verlengd tot 7 april 2026.

2.6.

Bij beschikking van 26 maart 2026 zijn [minderjarige 2], [minderjarige 3], [minderjarige 4] en [minderjarige 5] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 26 maart 2026 tot 26 maart 2027. [minderjarige 1] is onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 26 maart 2026 tot zijn meerderjarigheid op 11 september 2026. Daarnaast is er een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verleend met ingang van 26 maart 2026 tot 26 september 2026. Voor [minderjarige 1] is een machtiging tot uithuisplaatsing in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 26 maart 2026 tot zijn meerderjarigheid op 11 september 2026. Voor [minderjarige 3], [minderjarige 4] en [minderjarige 5] is er een machtiging tot uithuisplaatsing verleend op een geheime locatie (met de moeder) met ingang van 26 maart 2026 tot 26 juni 2026. Het resterende deel van het verzoek voor een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 3], [minderjarige 4] en [minderjarige 5] is aangehouden tot een nader te bepalen meervoudige zitting.

3 Het verzoek

3.1.

Ter beoordeling ligt nog voor het resterende deel van de verzoeken van de Raad, te weten de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 3], [minderjarige 4] en [minderjarige 5] (met moeder) op een geheime locatie, voor de duur van drie maanden, te weten met ingang van 26 juni 2026 en tot 26 september 2026 (uitvoerbaar bij voorraad).

4 De standpunten

4.1.

De Raad handhaaft het verzoek. De Raad ziet dat moeder zich inzet, het beste met de kinderen voor heeft en tegelijkertijd worstelt met haar eigen complex trauma waarvoor ze inmiddels gesprekken voert met een psycholoog. Er is jarenlang sprake geweest van een ongezonde relatie tussen moeder en de kinderen, hetgeen moeder zelf ook erkent, waardoor het lastig is om destijds ontstane patronen te doorbreken. Er zijn ook ontwikkelingen geweest met betrekking tot de kinderen. Alle drie de meisjes gaan inmiddels naar school. Ze gaan sociale contacten aan en hebben vriendjes/vriendinnetjes gemaakt. Tot op heden zijn er geen zorgen over de schoolgang van de meisjes. De Raad concludeert dat echter ook dat er aanhoudende grote zorgen zijn over de situatie van de meisjes bij moeder. Ook zijn er aanhoudende zorgen over het volledige gezinssysteem. De afgelopen periode is er enerzijds nog weinig zicht op wat er in gezinsverband is gebeurd, hoe groot de schade is bij de gezinsleden en de patronen in het systeem (geheimhouding, weinig transparantie, rolverwarring etc.). Anderzijds is er afgelopen tijd ook gezien dat de moeder niet goed genoeg aansluit bij de kinderen en zich onvoldoende de ernst van de gebeurtenissen realiseert. Daarnaast is nog niet inzichtelijk geworden wat het verdere plan van aanpak van de GI is ten aanzien van de meisjes, op welke wijze hun ontwikkeling veilig kan worden gesteld en waar zij kunnen en moeten opgroeien.

Ook hoe het verder moet in en met de gezinsdynamiek en de verbroken contacten onderling is nog niet helder. Dit maakt dat de Raad op dit moment geen goede afweging kan maken over waar de meisjes verder moeten gaan opgroeien. De Raad acht het hiervoor nodig om meer zicht te krijgen op de volgende punten:

  • Het is duidelijk wat de moeder wel en onvoldoende/niet kan in de dagdagelijkse verzorging van de meisjes;
  • Het is duidelijk wat is ingezet om de moeder te ondersteunen in de dagdagelijkse dingen (o.a. begrenzing en sturing) die zij op dit moment onvoldoende/niet kan, of dit voldoende helpend is en waarom wel of niet;
  • Het is duidelijk in hoeverre complexe traumaklachten van de moeder een rol spelen in het kunnen uitoefenen van haar opvoedvaardigheden. Indien de zorgen niet enkel verklaard kunnen worden door complexe traumaklachten, is inzichtelijk of andere punten hierin meespelen. Voorts is inzichtelijk welke behandeling de moeder nodig heeft, hoe lang dit ongeveer zal gaan duren en welk perspectief hierin ongeveer te verwachten is. Hoewel de Raad begrijpt dat deze inschatting zeer moeilijk is, is het in verband met een aanvaardbare termijn van de kinderen van belang te weten welke behandeling nodig is en welke beschikbaarheid van de moeder t.o.v. de kinderen dan kan worden verwacht;
  • Er is afgewogen of een gezinsopname wel of niet passend is;
  • Er is een ouder-kind observatie uitgevoerd, om meer zicht te krijgen op de complexe trauma/hechting en op de opvoedvaardigheden van de moeder en de opvoedbehoeften van de meisjes;
  • Er is een screening afgenomen bij de meisjes en de moeder ten aanzien van hechting en complex trauma. (een eerste screening m.b.t trauma kan gedaan worden aan de hand van vragenlijsten zoals de KJTS of CRIES-13 (waarbij de kanttekening is dat niet alle vragenlijsten ook al voor de leeftijd van 5 jaar mogelijk zijn). Voor het screenen van problemen in de hechtingsrelaties zijn eveneens lijsten beschikbaar (LSVG, AISI), naast (klinische) observatie. De Raad acht het van belang dat er meer gestructureerd zicht komt op eventuele traumaproblemen en problemen in de hechtingsrelaties, zodat meer onderbouwd kan worden ingeschat wat de kinderen nodig hebben;
  • Het is duidelijk wat het voor de meisjes en de moeder betekent op het gebied van veiligheid en complex trauma als de meisjes ergens anders dan bij de moeder worden geplaatst. De weging tussen een nieuwe ingrijpende gebeurtenis (elders wonen), de effecten daarvan op de kinderen, en de eventuele verbetering die er bij een uithuisplaatsing is voor de kinderen op het gebied van aansluiten bij opvoedbehoeftes (structuur, begrenzing, emotionele beschikbaarheid) dient hierbij expliciet te worden gemaakt.
  • Het is duidelijk of netwerk wat kan betekenen voor de kinderen op het moment dat zij niet bij de vader of de moeder kunnen verblijven.

Mocht de GI, nadat zicht is gekomen op bovenstaande punten, besluiten om de meisjes elders te plaatsen dan dient hier vooraf een gedegen plan over gemaakt te worden. Hierbij is het van belang om zowel de moeder als de meisjes op passend niveau tijdig uitleg te geven over bepaalde beslissingen. Dit om extra trauma en gevoel van onveiligheid zowel bij de meisjes als bij de moeder voor nu en in de toekomst te verkleinen. Ook de vader dient uiteraard tijdig meegenomen te worden in wegingen die gemaakt zijn.

Zo lang dit niet duidelijk is vindt de Raad het van belang dat de kinderen bij de moeder blijven. De effecten van andere keuzes die wellicht gemaakt moeten worden op termijn zijn onvoldoende inzichtelijk. Het verblijf van de kinderen bij de moeder dient wel voldoende veilig te zijn en daarom acht de Raad voortgang/inzet van intensieve (opvoed)hulp nodig. De Raad wil de GI nadrukkelijk meegeven om expertise te vragen bij Sterk Huis of [zorgcentrum], gezien het complex systemische geheel en de signalen van dwingende controle.

4.2.

De GI geeft aan dat er zorgen gezien worden. Zo geeft de plek waar de moeder verblijft aan dat de moeder en de kinderen heel close zijn en ze allemaal samen slapen in dezelfde kamer. De GI wil hierover nog in gesprek met de moeder gaan. Voor de zorgen over het seksueel grensoverschrijdend gedrag moet er gewacht worden op het politieonderzoek. Er wordt ook gesproken over het afnemen van studioverhoren. De GI denkt dat beide ouders niet open zijn over wat er is gebeurd. Ook wordt niet uitgesloten dat beelden ten nadele van een van de ouders niet zijn opgeslagen. Er zijn signalen van trauma, maar deze kunnen nog niet geduid worden. Het liefst wil de GI dat er NICHD-interviews afgenomen worden. Deze vraag staat uit bij Veilig Thuis. Hoewel er grote zorgen zijn en er nog veel onduidelijk is, zou het voor de kinderen traumatisch zijn om hen nu bij moeder weg te halen. Daarom staat de GI er op dit moment achter dat de kinderen de komende drie maanden bij moeder op een geheime locatie verblijven.

4.3.

Namens en door de moeder wordt aangegeven dat zij kan instemmen met de verlenging van het machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 3], [minderjarige 4] en [minderjarige 5] (met moeder) op een geheime locatie, voor de (verdere) duur van drie maanden, te weten met ingang van 26 juni 2026 en tot 26 september 2026.

4.4.

Namens en door de vader wordt verweer gevoerd tegen het resterende deel van het verzoek van de Raad. Hij verzoekt dit verzoek van de Raad af te wijzen. Primair verzoekt hij om een machtiging tot uithuisplaatsing te verlenen voor een plaatsing van [minderjarige 3], [minderjarige 4] en [minderjarige 5] in een netwerkpleeggezin, niet zijnde de familie van de moeder, en de GI op te dragen een passend netwerkpleeggezin te identificeren en voor te dragen. Subsidiair verzoekt de vader, indien een netwerkpleeggezin niet beschikbaar of niet tijdig realiseerbaar is, een machtiging te verlenen voor plaatsing in een regulier pleeggezin met een christelijke achtergrond, en de GI uitdrukkelijk op te dragen bij de zoektocht naar een pleeggezin te matchen op de christelijke levensbeschouwelijke achtergrond van de vader en de kinderen overeenkomstig artikel 8 EVRM, artikel 2 van het Eerste Protocol bij het EVRM en de artikel 14 en 30 IVRK, en hierover op korte termijn aan de rechtbank te rapporteren. Meer subsidiair verzoekt de vader, mocht de rechtbank de machtiging uithuisplaatsing bij de moeder op de geheime locatie toch verlengen, daaraan concrete en afdwingbare verplichtingen te verbinden: intensieve opvoedhulp voor moeder, een vastgelegde tijdlijn voor het GGZ-behandeltraject en structurele monitoring van de veiligheid van de meisjes, met een terugkoppeling aan de rechtbank binnen drie maanden. Ook verzoekt de vader de rechtbank om de GI op te dragen binnen drie dan wel zes weken na de zitting een concreet plan van aanpak te presenteren voor een gefaseerd contacthersteltraject tussen de vader en de drie dochters, met een heldere routekaart, tussenevaluaties en verantwoordelijkheidsverdeling. De vader verzoekt verder een onafhankelijk onderzoek te gelasten naar de beschuldigingen die jegens hem zijn geuit, waaronder de beschuldiging van seksueel grensoverschrijdend gedrag. Een dergelijk onderzoek is in het belang van de waarheidsvinding en, bovenal, in het belang van de kinderen.

5 De verdere beoordeling

De te laat ingediende stukken

5.1.

De rechtbank neemt de te laat ingediende stukken mee in de beoordeling voor zover deze stukken voor de beoordeling van het resterende deel van het verzoek van de Raad van belang zijn en voor zover deze stukken onderdeel vormden van de discussie ter zitting.

Apart horen

5.2.

Gelet op de beschikking van 26 maart 2026 en de bestaande zorgen over de veiligheid van de moeder heeft de rechtbank de vader en de moeder, met instemming van de raadslieden, wederom apart van elkaar gehoord.

Wettelijk kader

5.3.

Ingevolge artikel 1:265b lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna te noemen: BW) kan de kinderrechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid. Op grond van lid 2 kan deze machtiging eveneens verleend worden op verzoek van de Raad.

Op grond van artikel 1:265c lid 2 BW kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:265b lid 1 BW is voldaan, de duur van de machtiging uithuisplaatsing telkens verlengen met ten hoogste een jaar.

5.4.

De rechtbank stelt voorop dat het in deze zaak gaat om het resterende deel van het verzoek van de Raad. Dat wil dus zeggen het verzoek om de machtiging tot uithuisplaatsing bij de moeder op een geheime locatie te verlengen. Het al eerder gedane verzoek door de vader om de kinderen niet bij de moeder te plaatsen, maar ergens anders, is bij de eerdere beschikking van 26 maart 2026 afgewezen en kan niet nogmaals in dezelfde procedure worden gedaan.

5.5.

Het verzoek van de vader om een onafhankelijk onderzoek te gelasten, zal eveneens afgewezen worden. Nog los van het feit dat dit verzoek niet verder geconcretiseerd is, is het gevraagde onderzoek voor de beoordeling van het resterende deel van het verzoek van de Raad niet relevant. Dat onderzoek heeft een meer strafrechtelijk doel. De politie doet onderzoek naar de verdenkingen en de uitkomsten daarvan moeten afgewacht worden. In ieder geval moet dat onderzoek niet worden doorkruist.

5.6.

De rechtbank zal het resterende deel van het verzoek van de Raad toewijzen en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 3], [minderjarige 4] en [minderjarige 5] verlengen voor de duur van drie maanden. De rechtbank licht dit als volgt toe.

5.7.

De rechtbank stelt voorop dat er zorgen zijn over beide ouders, zoals ook uiteengezet in de beschikking van 26 maart 2026. Ondanks dat de vader betwist dat er sprake was van intieme terreur in de relatie tussen de ouders vanuit de vader richting de moeder, zijn daarvoor wel sterke aanwijzingen en loopt er een politieonderzoek dienaangaande. Een plaatsing van de kinderen bij de vader is om die reden nog niet aan de orde. Daar komt bij dat [minderjarige 3] en [minderjarige 4] duidelijk aangegeven hebben niet naar de vader te willen. Zolang er geen duidelijkheid is over de gebeurtenissen in het (recente) verleden en er wel signalen zijn van een ongelijkwaardige, controlerende en dwangmatige relatie tussen de ouders en er ook signalen zijn over de onveiligheid van de moeder (en de meisjes) gelet op de uitlatingen van vader, is een plaatsing van de kinderen bij de vader op dit moment geen reële optie.

5.8.

Over de opvoedvaardigheden van de moeder maakt de rechtbank zich ook zorgen. Op dit moment is de rol van de moeder in de gebeurtenissen in het verleden nog onvoldoende duidelijk. Terwijl er een onderzoek gaande is naar seksueel grensoverschrijdend gedrag, kiest de moeder er toch voor om met de kinderen op één kamer te slapen ondanks dat zij de beschikking heeft over meerdere kamers. De rechtbank vraagt zich af in hoeverre de moeder de zorgen die daarover ontstaan, begrijpt. Ook meldt de locatie dat er een zorg zit in hoe het gezin te begeleiden naar meer zelfstandigheid, autonomie voor de kinderen en het gezin in sterkte te vergroten. Daarbij is het van belang dat de moeder de tijd krijgt om te laten zien dat zij een zelfstandig persoon kan worden.

5.9.

Positief is dat de moeder open staat voor opvoedondersteuning en psychologische hulpverlening voor zichzelf. Al ziet ze zelf niet voldoende in waarom zij deze opvoedondersteuning nodig zou kunnen hebben. Dit terwijl zowel de moeder als de kinderen veel hebben meegemaakt en de moeder ook ziet dat de kinderen hier hulp voor nodig hebben. De moeder hoopt wel dat de kinderen gauw met (trauma)behandeling kunnen starten. Daar komt bij dat de moeder erkent dat zij meer grenzen aan moet geven bij de kinderen en nog zoekende is naar haar rol hierin.

5.10.

Een daarbij komende zorg van de rechtbank is ook wat er met de kinderen en de draagkracht van de moeder gebeurt, zodra er sprake is van (trauma)behandelingen bij de moeder of bij de kinderen. Dergelijke behandelingen vergen veel en de rechtbank maakt zich zorgen over de mogelijkheden van de moeder om de kinderen bij een dergelijke behandeling op te vangen dan wel niet te belasten. Zeker nu [minderjarige 3] heeft laten zien de neiging te hebben toch een soort ouderlijke rol op zich te nemen.

5.11.

Al deze zorgen staan er op dit moment niet aan in de weg dat de kinderen bij de moeder geplaatst blijven op een geheime locatie. De rechtbank is van oordeel dat er op dit moment voldoende (toe)zicht op de moeder en de kinderen is. Daarbij komt dat de rechtbank het op dit moment op basis van de beschikbare stukken niet verantwoord acht voor de kinderen om niet bij hun moeder geplaatst te worden. Er is onvoldoende zicht op de gevolgen voor de kinderen van een plaatsing elders.

5.12.

De GI dient de komende maanden strakke regie te blijven voeren, zodat de hulpverlening eventuele zorgen op een juiste manier opvangt, kadert en rapporteert. Ook dient de GI meer zicht te krijgen op de door de Raad naar voren gebrachte punten, zodat op de korst mogelijke termijn duidelijk wordt welke plaatsing het meest in het belang van de kinderen is, waarbij mede in acht moet worden genomen de specifieke opvoedbehoeftes van de kinderen gelet op hetgeen zij mogelijk hebben meegemaakt toen het gezin nog bij elkaar was. Er moet daarnaast zicht komen op de mogelijkheden en onmogelijkheden van de moeder. Er is inmiddels enige mate van stabiliteit voor de kinderen. Zo gaan zij weer naar school en hebben zij sociale contacten, dit dient behouden te worden en verder versterkt. Zeker nu de ouders in hun verhalen en visies over het verleden lijnrecht tegenover elkaar staan, is het van belang dat er zo snel mogelijk meer duidelijk wordt.

5.13.

Verder moet de GI aandacht hebben voor de mogelijkheden van contactherstel. Daarvoor dienen de lopende onderzoeken van de politie en de adviezen van Veilig Thuis afgewacht te worden. Pas dan kan immers de veiligheid van de kinderen goed beoordeeld worden in het contact met de vader en bekeken wat daarin mogelijk is. Ook met de weerstand van [minderjarige 3] en [minderjarige 4] richting de vader moet zorgvuldig omgegaan worden. De rechtbank vindt het, gelet op de lopende onderzoeken, op dit moment te vroeg om de GI hier strakkere kaders in te geven. Dit betekent dat de rechtbank het verzoek van de vader om de GI op te dragen een concreet plan van aanpak te presenteren voor een gefaseerd contacthersteltraject tussen de vader en de drie dochters op dit moment afwijst.

6 De beslissing

De rechtbank:

6.1.

verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 3], [minderjarige 4] en [minderjarige 5] op een

geheime locatie (met de moeder) met ingang van 26 juni 2026 en tot 26 september 2026;

6.2.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

6.3.

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 18 juni 2026 door mr.

Voorn, voorzitter, tevens kinderrechter, mr. Verschoor-Bergsma en mr. Borm, kinderrechters, in aanwezigheid van mr. De Bont, griffier, en op schrift gesteld op 2 juli 2026.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch.

Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

- degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag

van de uitspraak;

- andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie

maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.