Uitspraak · Personen- en familierecht

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 17 juni 2026

ECLI:NL:RBZWB:2026:6573Zaaknummer C/02/445482 / FA RK 26-1043

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
17 juni 2026
Publicatiedatum
21 augustus 2026
Zaaknummer
C/02/445482 / FA RK 26-1043
Rechtsgebied
Civiel recht, Personen- en familierecht
Procedure
Rekestprocedure, Beschikking
Zittingsplaats
Breda
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

verzoek omgang grootmoeder afgewezen - family life - omgang niet in belang van de minderjarige

De rechtbank:

wijst het verzoek van de grootmoeder af;

compenseert de kosten van het geding aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 17 juni 2026 door mr. Van de Kraats, rechter, in tegenwoordigheid van Van Beijsterveldt, griffier.

Mededeling van de griffier:

Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:

  • door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 Het procesverloop
  2. 2 De feiten
  3. 3 Het verzoek
  4. 4 De standpunten
  5. 5 De beoordeling
  6. 6 De beslissing

beschikking

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team Familie- en Jeugdrecht

Zittingsplaats: Breda

Zaaknummer: C/02/445482 / FA RK 26-1043

datum uitspraak: 17 juni 2026

beschikking betreffende omgang

in de zaak van

[de grootmoeder],

de oma vaderszijde, hierna te noemen: de grootmoeder,

wonende in [woonplaats],

advocaat mr. M. Ahmadi te Rotterdam,

tegen

[de moeder],

hierna te noemen: de moeder,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. L.A. Alderlieste te Rotterdam,

over de minderjarige:

- [minderjarige], geboren op [geboortedag] 2018 te [geboorteplaats], hierna te noemen [minderjarige].

Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, hierna te noemen: de Raad, om de rechtbank over het verzoek te adviseren.

1 Het procesverloop

1.1.

De rechtbank oordeelt op grond van de volgende stukken:

- het op 27 februari 2026 ontvangen verzoek met bijlagen;

- het stelbericht van mr. Alderlieste van 18 maart 2026;

- het op 27 mei 2026 ontvangen verweerschrift met bijlagen.

Te laat ingediende stukken:

- het F9-formulier met bijlage van mr. Alderlieste van 3 juni 2026.

1.2.

De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 4 juni 2026. Daarbij waren aanwezig:

- de advocaat van de grootmoeder;

- de moeder en haar advocaat;

- een vertegenwoordigster van de Raad.

De grootmoeder was te laat aanwezig en heeft de zitting daardoor gedeeltelijk bijgewoond.

2 De feiten

2.1.

De moeder heeft een relatie gehad met de heer [ouder], uit welke relatie [minderjarige] is geboren.

2.2.

De vader heeft [minderjarige] erkend.

2.3.

De moeder heeft het eenhoofdig gezag over [minderjarige].

2.4.

[minderjarige] woont bij de moeder.

2.5.

Bij beschikking van 19 maart 2021 heeft de rechtbank Den Haag een informatieregeling opgelegd op grond waarvan de moeder de grootmoeder één keer per maand per e-mail informatie geeft over de ontwikkeling en het welzijn van [minderjarige].

3 Het verzoek

3.1

De grootmoeder verzoekt om, bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad:

I. te bepalen dat er tussen de grootmoeder en de bovengenoemde minderjarige een omgangsregeling zal zijn waarbij de grootmoeder de minderjarige in eerste instantie kan ontmoeten in een veilige, neutrale omgeving, onder begeleiding van een instantie zoals [zorginstelling 1], [zorginstelling 2] of een andere door de rechtbank aan te wijzen geschikte organisatie voor een door de rechtbank te bepalen duur;

II. te bepalen dat, indien de begeleide omgang voorspoedig verloopt en de grootmoeder en de moeder een herstelgesprek hebben gevoerd, de omgang geleidelijk onbegeleid kan plaatsvinden, bij voorkeur één keer per maand in het weekend gedurende enkele uren, althans en regeling die de rechtbank juist en passend acht.

4 De standpunten

De grootmoeder

4.1.1

Door en namens de grootmoeder is ter onderbouwing van haar verzoek het volgende aangevoerd. [minderjarige] heeft vanaf zijn geboorte tot 2019 samen met zijn ouders bij de grootmoeder gewoond. De grootmoeder heeft een aanzienlijke bijdrage geleverd in de verzorging van [minderjarige]. In 2020/2021 heeft de grootmoeder eveneens een verzoek tot vaststelling van een omgangsregeling ingediend, bij de rechtbank Den Haag. In de beschikking van 19 maart 2021 heeft de rechtbank de grootmoeder ontvankelijk verklaard en overwogen dat er sprake is van ‘family life’ in de zin van artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) tussen de grootmoeder en [minderjarige]. Het verzoek tot omgang is destijds afgewezen omdat er bij de moeder onvoldoende vertrouwen bestond om een basis te leggen voor een omgangsregeling tussen de grootmoeder en [minderjarige]. De rechtbank heeft de moeder wel een informatieregeling opgelegd op grond waarvan zij de grootmoeder maandelijks moet informeren. In de tussenliggende vijf jaar heeft de grootmoeder [minderjarige] niet kunnen ontmoeten. Zij heeft wel informatie ontvangen, maar dit zijn slechts korte berichtjes, niet altijd met een foto erbij. De grootmoeder mist [minderjarige] erg. Zij heeft in 2021 een herseninfarct gehad en is daardoor niet eerder in de gelegenheid geweest te procederen. Inmiddels is haar medische situatie stabieler, maar nog altijd onzeker. Gezien haar leeftijd en medische achtergrond heeft zij dringend de behoefte om contact te realiseren. Een regelmatige omgang met de grootmoeder kan bijdragen aan de emotionele ontwikkeling van de minderjarige en kan stabiliteit en een bredere sociale ondersteuning bieden. Grootouders bieden vaak een veilige, vertrouwde en stabiele omgeving buiten het dagelijks gezinsleven, waardoor het kind emotionele steun en extra hechtingsfiguren krijgt. Bij brief van 19 januari 2026 is de moeder verzocht of zij open staat voor een herstelgesprek. De moeder heeft op 1 februari 2026 laten weten dat zij geen mogelijkheden ziet om tot een constructief herstelgesprek te komen. De grootmoeder meent dat er geen contra-indicaties voor omgang zijn. Hoewel het contact tussen de grootmoeder en de moeder beperkt is, is er geen sprake van geweld, bedreigingen of andere gedragingen die de omgang zouden verhinderen. De grootmoeder stelt voor dat de omgang in eerste instantie onder begeleiding van een professionele instantie plaatsvindt. Indien deze proefperiode goed verloopt en eventuele herstelgesprekken tussen de grootmoeder en de moeder hebben plaatsgevonden, kan de omgang geleidelijk onbegeleid plaatsvinden.

4.1.2.

Tijdens de zitting heeft de advocaat van de grootmoeder bezwaar gemaakt tegen de door de advocaat van de moeder op 3 juni 2026 overgelegde stukken. Nu deze buiten de termijn zijn ingediend dienen deze buiten beschouwing te blijven. Daarnaast heeft de advocaat van de grootmoeder verwezen naar een uitspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 20 januari 2015, Manuello/Nevi vs. Italy. Daar was sprake van een contactonderbreking van twaalf jaar. Het EHRM heeft geoordeeld dat deze lange onderbreking niet afdoet aan het bestaan van family life. De advocaat van de grootmoeder stelt dat dit ook in de onderhavige situatie aan de orde is. Temeer daar de grootmoeder al die tijd op de hoogte is gebleven van de situatie van [minderjarige] door de informatieregeling.

4.1.3.

De grootmoeder heeft tijdens de zitting aangegeven dat zij spijt heeft van de vervelende berichten die zij heeft gestuurd aan de moeder. Toen zij deze berichten stuurde was zij depressief en gefrustreerd omdat zij [minderjarige] al zo lang niet heeft gezien.

De moeder

4.2.1.

Door en namens de moeder is allereerst aangevoerd dat er geen sprake is van een (relevante) wijziging van omstandigheden. Dit is althans niet gesteld, laat staan onderbouwd. De kernproblematiek uit 2021 – geen vertrouwen, geen herstel tussen de volwassenen en risico op onrust voor het kind – is niet gewijzigd. Om deze reden moet de grootmoeder niet-ontvankelijk worden verklaard. Daarnaast betwist de moeder dat er nog steeds sprake is van een nauwe en persoonlijke betrekking tussen de grootmoeder en [minderjarige]. Sinds november 2019 is er geen enkel contact meer tussen hen geweest. [minderjarige] is inmiddels ruim zeven jaar oud. Omgang zou voor hem neerkomen op het opstarten van contact met een onbekende. Ook om deze reden wordt door de moeder verzocht de grootmoeder niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoeken.

De moeder geeft voorts aan dat er door de grootmoeder een verkeerde voorstelling van zaken wordt gegeven door slechts een aantal berichten te overleggen. Er zijn door de grootmoeder in de afgelopen jaren diverse ongewenste en ongepaste berichten naar de moeder gestuurd die niet bijdragen aan contactherstel. Op grond van artikel 21 van het Wetboek van Rechtsvordering zijn partijen verplicht de voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren. Door genoemde berichten niet over te leggen heeft de grootmoeder in strijd hiermee gehandeld. De moeder verzoekt de verzoeken van de grootmoeder niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel af te wijzen. Meer subsidiair verzoekt de moeder om het vaststellen van een omgangsregeling af te wijzen omdat omgang anderszins in strijd is met de zwaarwegende belangen van het kind. De informatieregeling heeft niet geleid tot herstel van vertrouwen of rust. De moeder is door de berichten van de grootmoeder bevestigd in haar vrees dat het contact met haar niet veilig, niet rustig en niet in het belang van [minderjarige] is.

4.2.2.

Op de zitting is door de advocaat van de moeder aangevoerd dat er in oktober 2025 nog vervelende berichten door de grootmoeder zijn verstuurd. Hieruit blijkt dat de grootmoeder zich niet in kan houden als het om [minderjarige] gaat. Bovendien is niet duidelijk hoe de band is tussen de grootmoeder en haar zoon, de vader van [minderjarige]. Gelet op dit alles kan de veiligheid van [minderjarige] tijdens een omgangsregeling niet worden gegarandeerd. Bovendien meent de moeder dat er geen sprake kan zijn van het herstel van contact omdat het in al die jaren niet is gelukt om het vertrouwen te herstellen.

4.2.3

De moeder zelf heeft op de zitting aangevoerd dat het voor haar, gelet op de vervelende berichten die de grootmoeder soms stuurt, heel lastig is om afstand te nemen van de gebeurtenissen uit het verleden. De moeder leeft nog altijd met de angst dat zij en [minderjarige] weer naar een Blijf van mijn Lijf huis zullen moeten. Ook [minderjarige] heeft last van zijn turbulente start. Hij vertoont vaak ongewenst gedrag, waarvoor er hulpverlening bij hem betrokken is. Momenteel volgt [minderjarige] een vorm van speltherapie. Een contact met de grootmoeder is gelet op dit alles niet in zijn belang.

De Raad

4.3.

De Raad laat zich niet uit over de juridische vraag of er sprake is van family life. Wel constateert de Raad dat er al zes jaar geen contact meer is tussen [minderjarige] en de grootmoeder. De Raad vraagt zich af wat voor plek de grootmoeder in de beleving van [minderjarige] in zijn leven heeft.

De Raad stelt vast dat het begin van het leven van [minderjarige] onveilig en vol spanning is geweest. Er was sprake van een moeilijke relatie tussen de moeder en de grootmoeder. De moeder heeft zich in het verleden niet gesteund gevoeld door de grootmoeder. De Raad ziet dat de moeder nog steeds onveiligheid ervaart. De berichten van de grootmoeder dragen hieraan bij. Hoewel de grootmoeder zegt dat zij deze berichten uit frustratie heeft gestuurd, laat zij hiermee niet zien dat zij een veilige omgeving voor [minderjarige] kan creëren. In deze situatie is er geen basis aanwezig voor een herstelgesprek tussen de moeder en de grootmoeder.

Het baart de Raad zorgen dat [minderjarige] niet de basisveiligheid heeft meegekregen die hij nodig had, waardoor er nu meer aandacht nodig is voor zijn gedrag. Hoewel de Raad begrijpt dat het moeilijk is voor de grootmoeder om geen contact te hebben met haar kleinzoon, meent de Raad dat het op dit moment voor [minderjarige] te veel gevraagd is om dit op te starten. Daarbij neemt de Raad in aanmerking dat de moeder de stabiele steunfiguur is voor [minderjarige]. Een contact met de grootmoeder zal de moeder uit balans brengen, gelet op (de gebeurtenissen in) het verleden. De Raad adviseert het verzoek van de grootmoeder af te wijzen. De hele situatie rondom de grootmoeder straalt geen veiligheid uit. De Raad meent dat het in deze situatie misschien beter zou zijn om de frequentie van de informatieregeling naar beneden te brengen, zodat de moeder slechts eenmaal in de drie maanden informatie aan de grootmoeder verstrekt.

5 De beoordeling

Te laat ingediende stukken

5.1.

De advocaat van de grootmoeder heeft bezwaar gemaakt tegen de stukken die door de advocaat van de moeder zijn ingediend op 3 juni 2026. Deze stukken zijn ingediend buiten de op grond van het procesreglement geldende termijn van drie dagen voor de zitting. De rechtbank zal deze stukken niet meenemen in haar beslissing.

Wettelijk kader

5.2.

Ingevolge artikel 1:377a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna BW) heeft het kind recht op omgang met degene die een nauwe persoonlijke betrekking tot hem staat. Op grond van lid 2 van dat artikel stelt de rechter op verzoek van degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot het kind staat, al dan niet voor bepaalde tijd, een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht vast.

Ontvankelijkheid

5.3.

De eerste vraag die beantwoord dient te worden is de vraag of de grootmoeder ontvankelijk is in haar verzoek. Artikel 1:377a lid 1 BW kent een recht op omgang toe aan onder meer een ieder die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind. Om een nauwe persoonlijke betrekking vast te kunnen stellen, dient er sprake te zijn (geweest) van family life (als bedoeld in artikel 8 EVRM). In het algemeen geldt dat het bestaan van een familierechtelijke betrekking op zich niet voldoende is om aan te nemen dat sprake is van ‘family life’. Tevens zal moeten blijken van bijkomende omstandigheden.

5.4.

De rechtbank stelt vast dat de rechtbank Den Haag bij beschikking van 19 maart 2021 heeft vastgesteld dat er sprake is van ‘family life’ in de zin van artikel 8 EVRM. Op basis hiervan heeft de rechtbank Den Haag een informatieregeling vastgesteld. Door partijen wordt niet aangevoerd dat deze informatieregeling beëindigd moet worden. De rechtbank kan dan ook niet anders dan aannemen dat er nog steeds sprake is van (een vorm van) family life, zodat het verzoek van de grootmoeder ontvankelijk is.

Inhoudelijke beoordeling

5.5.

Vervolgens is de vraag aan de orde of de door de grootmoeder verzochte omgangsregeling in het belang is van [minderjarige].

5.6.

Uit de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting is gebleken dat er nog steeds onvoldoende vertrouwen is bij de moeder om een basis te leggen voor een omgangsregeling tussen de grootmoeder en [minderjarige]. De moeder is nog altijd getraumatiseerd door de gebeurtenissen in het verleden. [minderjarige] heeft zijn veilige thuisbasis bij de moeder. Het is in zijn belang dat zij overeind blijft. Er zijn sinds de beschikking van 19 maart 2021 geen nieuwe feiten of omstandigheden gebleken die maken dat de situatie nu anders is dan ten tijde van de vorige beschikking. De mailwisseling (overgelegd bij het verweerschrift) tussen de moeder en de grootmoeder, laat zien dat de onveiligheid en impulsiviteit van de grootmoeder nog altijd op de loer liggen. Er is dan ook nog geen ruimte bij de moeder geweest voor een herstelgesprek. Daar komt bij dat is gebleken dat [minderjarige], gelet op alles wat hij in zijn jonge leven heeft meegemaakt, inmiddels dusdanig gedrag vertoont dat er intensieve hulpverlening bij hem is betrokken. Los van wat een contactherstel met zijn moeder zou doen, is de rechtbank met de Raad van oordeel dat [minderjarige] een omgang met de grootmoeder (aan wie hij totaal geen herinnering heeft) nu niet aankan. Dat de gezondheid van de grootmoeder kwetsbaar is maakt dit niet anders.

5.7.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het vaststellen van een omgangsregeling tussen de grootmoeder en [minderjarige] in strijd is met de zwaarwegende belangen van [minderjarige]. Het verzoek van de grootmoeder zal dan ook worden afgewezen.

5.8.

De proceskosten zullen gelet op de aard van deze procedure worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

6 De beslissing

De rechtbank:

wijst het verzoek van de grootmoeder af;

compenseert de kosten van het geding aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 17 juni 2026 door mr. Van de Kraats, rechter, in tegenwoordigheid van Van Beijsterveldt, griffier.

Mededeling van de griffier:

Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:

  • door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.