Uitspraak · Personen- en familierecht

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 16 juni 2026

ECLI:NL:RBZWB:2026:6529Zaaknummer C/02/437712 / FA RK 25-3642

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
16 juni 2026
Publicatiedatum
19 augustus 2026
Zaaknummer
C/02/437712 / FA RK 25-3642
Rechtsgebied
Civiel recht, Personen- en familierecht
Procedure
Rekestprocedure, Beschikking
Zittingsplaats
Breda
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Aanhouding verzoeken vaststellen zorgregeling in afwachting van resultaten ondertoezichtstelling.

De rechtbank:

5.1.

houdt de beslissing op de verzoeken tot het vaststellen van een definitieve contactregeling tussen de man en de minderjarige aan tot 15 december 2026 PRO FORMA, in afwachting van nader schriftelijk bericht van partijen en de GI en zoals overwogen in rechtsoverweging 4.4;

5.2.

behoudt zich iedere verdere beslissing voor.

Deze beschikking is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 16 juni 2026 door mr. Van Triest, rechter, in tegenwoordigheid van Akkermans-Bruijs, griffier.

Mededeling van de griffier:

Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:

  • door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het

gerechtshof ’s-Hertogenbosch.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 2 Het verzoek
  2. 3 De standpunten
  3. 4 De nadere beoordeling
  4. 5 De beslissing

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team Familie- en Jeugdrecht

Breda

Zaaknummer: C/02/437712 / FA RK 25-3642

datum uitspraak: 16 juni 2026

nadere beschikking betreffende een zorgregeling

in de zaak van

[de man],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen de man,

advocaat mr. R. Joosen te Oosterhout

en

[de vrouw],

wonende op een bij de rechtbank bekende verblijfplaats,

hierna te noemen de vrouw,

advocaat mr. D.V. Garib te Rotterdam.

over de minderjarigen:

- [minderjarige 1], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2017, hierna te noemen: [minderjarige 1],

- [minderjarige 2] geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2017, hierna te noemen: [minderjarige 2],

gezamenlijk te noemen: de minderjarigen.

Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, hierna te noemen: de Raad, om de rechtbank over het verzoek te adviseren.

De rechtbank merkt als informant aan:

de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering, hierna te noemen de gecertificeerde instelling (GI),

gevestigd in Amsterdam,

1 Het procesverloop

1.1 Dit blijkt uit de volgende stukken:

- de beschikking van deze rechtbank van 16 februari 2026 en alle daarin genoemde stukken;

- de briefrapportage van de Raad van 19 februari 2026, zijnde uitkomst aanvullend onderzoek;

- het F9-formulier van mr. Joosen van 10 april 2026 met productie 16.

1.2 De mondelinge behandeling van het verzoek is voortgezet op de zitting van 2 juni 2026. Bij die gelegenheid zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaten. De vrouw is daarbij digitaal aangesloten via MS Teams. Tevens was aanwezig een vertegenwoordiger van de Raad.

De GI is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, zonder bericht van kennisgeving, niet ter zitting verschenen.

1.3 De hierna vermelde minderjarigen zijn in staat gesteld hun mening kenbaar te maken. Zij hebben hiervan geen gebruik gemaakt.

2 Het verzoek

3.1.

Aan de orde is nog het verzoek van de man om, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de volgende zorg- en contactregeling vast te stellen tussen hem en de minderjarigen:

- in de oneven weken vanaf vrijdag na schooltijd tot zondagavond 19:00 uur (na de avondmaaltijd), waarbij de man de minderjarigen op vrijdag uit school ophaalt en waarbij de vrouw de minderjarigen op zondag bij de man ophaalt;

- op woensdag waarbij hij de minderjarigen uit school ophaalt en waarbij de vrouw diezelfde woensdagavond om 19:00 uur (na de avondmaaltijd) de minderjarigen bij de man ophaalt;

- drie weken (aaneengesloten) tijdens de zomervakantie alsmede de overige vakanties bij helfte te verdelen door partijen:

- verdeling van de feestdagen over partijen volgens een roulerend schema op jaarbasis, waarbij de minderjarigen beurtelings om het jaar op nieuwjaarsdag, eerste paasdag,

Hemelvaartsdag, eerste pinksterdag, eerste kerstdag bij de vrouw dan wel bij de man zullen verblijven en op oudejaarsdag, tweede paasdag, tweede pinksterdag, tweede kerstdag bij de vrouw dan wel bij de man zullen verblijven;

- dan wel een regeling vast te stellen als de rechtbank in goede justitie vermeent te bepalen.

3.2.

De vrouw heeft eerder verzocht om het verzoek van de man af te wijzen en heeft als zelfstandig verzoek verzocht, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat de navolgende zorgregeling vast te stellen tussen de man en de minderjarigen:

- de minderjarigen hebben begeleide omgang met de man via een derde partij, waarbij deze derde partij de frequentie en duur vaststelt;

- uitbreiding van de begeleide omgang is mogelijk op advies en na evaluatie van de begeleide omgangsmomenten;

- onbegeleide omgangsmomenten zijn pas aan de orde als de man kan aantonen dat hij een veilige en stabiele thuissituatie kan bieden aan de minderjarigen, zoals een eigen woonplek voorzien van de benodigde faciliteiten voor de opvoeding en verzorging van de minderjarigen.

3 De standpunten

4.1.

De man heeft ter zitting – kort samengevat - naar voren gebracht dat er sinds de afgelopen zittingen nauwelijks ontwikkelingen zijn geweest ten aanzien van de omgang. De man betreurt het dat de GI wederom niet aanwezig is. Er is een vaste jeugdbeschermer betrokken. De GI heeft inmiddels de regie overgenomen van [hulpverlening]. Met [hulpverlening] had de man een goede samenwerking. In de GI heeft hij weinig vertrouwen. De opgestarte omgang verliep redelijk, maar er zijn geen verdere stappen meer gezet. Veel afspraken werden door de vrouw afgezegd in verband met ziekte van de minderjarigen. De man mist perspectief. Hij begrijpt dat het tempo van de minderjarigen moet worden gevolgd, maar de GI voert nauwelijks regie. Zowel de man als de minderjarigen zouden een andere invulling aan de omgang willen geven, waarbij er ook sprake is van omgang in de woning van de man. Er mist een plan van aanpak met hierin concrete stappen opgenomen. Daarbij komt dat de man nog steeds zorgen heeft over de minderjarigen en de manier waarop de omgang nu gaat is ook niet helpend en traumatisch voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2]. De man wordt verweten dat hij niet goed op de kinderen reageert, maar hij krijgt gedurende de omgang niet eens de kans van de begeleiding om ze te troosten wanneer nodig en ze worden door de begeleiding overstuur in de auto gezet en weggereden. Verder geeft de man aan dat hij begrijpt dat de inhoud van de mail die hij naar de vrouw heeft gestuurd niet goed te praten valt en dat dit niet constructief is. Tegelijkertijd laat het de wanhoop zien die de man al zo lang voelt. Hij komt niet verder en er komt een punt waarop de omgang op deze manier doorzetten, in niemand zijn belang meer is. De man verzoekt om de zaak aan te houden in afwachting van het hulpverleningstraject dat in de kader van de ondertoezichtstelling zal moeten worden ingezet en verzoekt de rechtbank nadrukkelijk om de GI de opdracht te geven om meer regie te voeren, een plan van aanpak met hierin concrete doelen op te stellen en een opbouwende en uitgebreidere zorgregeling te realiseren.

4.2.

De vrouw heeft ter zitting - kort samengevat- gesteld dat, anders dan de man zegt, de begeleide omgang niet altijd goed verloopt. De man komt niet altijd zijn afspraken na. Hij komt te laat of zegt de afspraak af. De omgangsmomenten die wel doorgaan verlopen positief. Dit ziet de vrouw ook. De vrouw is niet tegen de omgang tussen de minderjarigen en de man en staat niet afwijzend tegenover een uitbreiding daarvan. De minderjarigen moeten er echter wel aan toe zijn. Het probleem is wanneer [minderjarige 1] of [minderjarige 2] hun emotieregulatie niet meer onder controle hebben, dat de man hierop niet goed en adequaat kan reageren. Dit krijgt de vrouw terug van de aanwezige begeleiding. Dit resulteert erin dat de minderjarigen overstuur thuiskomen en de vrouw lang bezig is om ze te kalmeren. De emoties zijn bij [minderjarige 1] laatst zo hoog opgelopen dat hij is weggelopen en dat de begeleider hem moest gaan zoeken. De GI heeft aan partijen aangegeven dat er op dit moment geen ruimte is bij [minderjarige 1] en [minderjarige 2] om de begeleide omgang van 1 uur per week per kind uit te breiden. Voor wat betreft de nog voorliggende verzoeken is de vrouw van mening dat een definitieve beslissing hierop moet worden aangehouden in afwachting van het hulpverleningstraject in het kader van de ondertoezichtstelling. Binnen de ondertoezichtstelling kan door de GI regie worden gevoerd en worden bekeken wat er mogelijk is qua uitbreiding van de omgang. Ook kan de GI vervolgens bekijken hoe dit zich ontwikkelt. De vrouw is het daarnaast wel met de man eens dat er meer duidelijkheid en perspectief moet komen.

4.3.

De Raad heeft ter zitting de rechtbank geadviseerd om de zaak aan te houden in afwachting van de resultaten van de ondertoezichtstelling en sluit zich aan bij het standpunt van de partijen, met name nu is gebleken dat de GI van mening is dat een uitbreiding van de omgangsregeling op dit moment niet mogelijk is. Het is belangrijk om de uitkomsten van het hulpverleningstraject af te wachten.

4 De nadere beoordeling

4.1.

De rechtbank heeft eerder op grond van de ingediende stukken en de mondeling behandeling ter zitting de navolgende feiten vastgesteld:

- de man heeft de minderjarigen erkend;

- partijen zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over de minderjarigen;

- de minderjarigen hebben hun hoofdverblijf bij de vrouw;

- bij beschikking van 8 oktober 2025 is bij provisionele voorziening bepaald dat de man en de minderjarigen, totdat in de hoofdzaak is beslist, in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken gerechtigd zijn tot het hebben van begeleid contact (door een professional) met elkaar eenmaal per week, op een nader vast te stellen dag en tijdstip gedurende twee uur per keer, waarbij het contact zal worden uitgebreid wanneer de betrokken hulpverlening dit geraden acht.

4.2

Laatstelijk heeft de rechtbank bij beschikking van 16 februari 2026 bepaald dat de man en de minderjarige in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken voorlopige gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar eenmaal per week gedurende één uur per minderjarige, begeleid door [hulpverlening] en heeft vastgesteld dat partijen hebben afgesproken dat voornoemde basisregeling door [hulpverlening] mag worden uitgebreid in tijd, frequentie, plaats en/of mate van begeleiding, indien [hulpverlening] dat in het belang van de minderjarigen acht. De verzoeken zijn pro forma aangehouden en de Raad is verzocht om twee weken voor de te plannen zitting de rechtbank op de hoogte te brengen van de resultaten van een (mogelijk) aanvullend beschermingsonderzoek. Iedere verdere beslissing is aangehouden.

4.3

De rechtbank overweegt als volgt. Bij beschikking van 10 maart 2026 van deze rechtbank heeft de kinderrechter [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 10 maart 2026 tot 10 maart 2027. De rechtbank is met partijen en de Raad van oordeel dat de verzoeken tot het vaststellen van een definitieve contactregeling tussen de man en de minderjarigen dienen te worden aangehouden in afwachting van het verloop en de resultaten van de ondertoezichtstelling. De focus van de GI moet komen te liggen op het maken van een concreet plan waarbij wordt bekeken of er mogelijkheden zijn tot het uitbreiden van de begeleide omgang tussen de man en de minderjarigen en zo ja, hoe dat dan moet worden vormgegeven. Hierbij dienen alle relevante factoren te worden meegenomen, waaronder de wensen van de ouders, maar in de eerste plaats de belangen van [minderjarige 1] en [minderjarige 2]. Het is belangrijk dat de ouders worden meegenomen in de bevindingen en de besluitvorming van de GI. De rechtbank begrijpt dat partijen een perspectief in de vorm van een stip aan de horizon willen, maar dit is ook afhankelijk van wat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hierin aan kunnen. Hun tempo moet volgen gevolgd. Zoals ter zitting is aangegeven is het van groot belang dat de ouders (blijven) meewerken met de GI om zo – uiteindelijk, als [minderjarige 1] en [minderjarige 2] daar aan toe zijn - een bestendige, onbegeleide contactregeling te gaan realiseren waarbij de jongens onbelast contact hebben met hun vader, bij de vader thuis. Binnen de ondertoezichtstelling kan een basis worden gelegd voor de uitvoering van deze contactregeling tussen de man en de minderjarigen. De rechtbank ziet het belang om de concrete invulling van de contactregeling en de uitbreiding daarvan vooralsnog over te laten aan de professionals van de GI. De rechtbank zal dan ook, conform de wens van beide partijen, de beslissingen op de verzoeken met betrekking tot het vaststellen van een definitieve contactregeling aanhouden.

4.4

De rechtbank zal op het verzoek tot het vaststellen van een definitieve contactregeling aanhouden tot de hierna genoemde pro forma datum. De GI dient alsdan uiterlijk 2 weken van te voren een verslag van het verloop van de ondertoezichtstelling, en in het bijzonder het verloop van de (begeleide) contactregeling, over te leggen. Ook verwacht de rechtbank op dat moment van de GI een standpunt over welke contactregeling tussen de man en de minderjarigen, gegeven de omstandigheden, naar het oordeel van de GI het meest in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] kan worden geacht en of de regeling inmiddels is uitgebreid en zo niet, of hiertoe mogelijkheden zijn en binnen welke termijn. Dit verslag dient tevens te worden toegestuurd aan de advocaten van partijen. Van die advocaten wordt verwacht dat zij uiterlijk op die pro forma datum schriftelijk uitlaten over de stand van zaken en over de gewenste voortgang van de procedure. Tenslotte merkt de rechtbank op dat het wenselijk is dat de GI bij de eerstvolgende behandeling aanwezig is om de rechtbank te kunnen voorzien van (aanvullende) informatie.

5 De beslissing

De rechtbank:

5.1.

houdt de beslissing op de verzoeken tot het vaststellen van een definitieve contactregeling tussen de man en de minderjarige aan tot 15 december 2026 PRO FORMA, in afwachting van nader schriftelijk bericht van partijen en de GI en zoals overwogen in rechtsoverweging 4.4;

5.2.

behoudt zich iedere verdere beslissing voor.

Deze beschikking is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 16 juni 2026 door mr. Van Triest, rechter, in tegenwoordigheid van Akkermans-Bruijs, griffier.

Mededeling van de griffier:

Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:

  • door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het

gerechtshof ’s-Hertogenbosch.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.