Uitspraak · Personen- en familierecht
Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 15 juni 2026
ECLI:NL:RBZWB:2026:6437Zaaknummer C/02/418484 / FA RK 24-397
- Instantie
- Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Datum uitspraak
- 15 juni 2026
- Publicatiedatum
- 18 augustus 2026
- Zaaknummer
- C/02/418484 / FA RK 24-397
- Rechtsgebied
- Civiel recht, Personen- en familierecht
- Procedure
- Rekestprocedure, Beschikking
- Zittingsplaats
- Breda
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Eindbeschikking verdeling zorg- en opvoedingstaken; gezinsadvocaat.
De rechtbank
bepaalt dat de man en de minderjarigen:
- [minderjarige 1], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2020 en
- [minderjarige 2], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2020;
in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar gedurende eenmaal in de twee weken op vrijdagmiddag na school, gedurende twee uren, onder begeleiding van [hulpverlening 3] of een andere professionele organisatie, waarbij de omgangsbegeleid(st)er de minderjarigen van school ophaalt en na afloop van het contact met de man naar (de auto van) de vrouw brengt, met inachtneming van hetgeen hiervoor in rechtsoverwegingen 2.13 en 2.14 is overwogen;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door m. Benjaddi, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 15 juni 2026 in aanwezigheid van mr. De Haard, griffier.
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
beschikking
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Zittingsplaats: Breda
Zaaknummer: C/02/418484 / FA RK 24-397
datum uitspraak: 15 juni 2026
nadere beschikking betreffende verdeling van de zorg- en opvoedingstaken
in de zaak van
[de vrouw],
hierna: de vrouw,
wonende in [woonplaats 1],
advocaat: mr. J.M.G. Cox te Tilburg,
tegen
[de man],
hierna: de man,
wonende in [woonplaats 2],
advocaat: mr. K.M. van Aken te Vught,
beiden bijgestaan door mr. N.A. Boelhouwer in de hoedanigheid van gezinsadvocaat (hierna: de gezinsadvocaat) en mevrouw drs. [persoon 1] in de hoedanigheid van gedragswetenschapper (hierna: gedragswetenschapper),
Over de minderjarigen:
- [minderjarige 1], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2020, hierna: [minderjarige 1],
- [minderjarige 2], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2020, hierna: [minderjarige 2].
Op grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, hierna: de Raad, de rechtbank over het verzoek geadviseerd.
1 Het verdere procesverloop
In het dossier zitten de volgende stukken:
- de tussenbeschikking van 25 maart 2024 en alle daarin genoemde stukken;
- het e-mailbericht van [hulpverlening 1] van 1 oktober 2024;
- het e-mailbericht met bijlage van [hulpverlening 1] van 6 februari 2025;
- het e-mailbericht van [hulpverlening 1] van 11 februari 2025;
- het e-mailbericht van de Raad van 21 maart 2025;
- het e-mailbericht van de Raad van 24 maart 2025;
- het e-mailbericht van de Raad van 11 april 2025;
- het e-mailbericht van [hulpverlening 1] van 13 mei 2025;
- het e-mailbericht van de Raad van 14 mei 2025;
- het e-mailbericht met bijlage van [hulpverlening 1] van 1 juli 2025;
- de brief van de Raad van 8 juli 2025;
- de brief van de Raad van 6 augustus 2025;
- de brief van de Raad van 13 oktober 2025;
- het e-mailbericht van de Raad van 14 oktober 2025;
- het F9-formulier met bijlagen van mr. Boelhouwer van 19 november 2025;
- het e-mailbericht van mr. Boelhouwer van 20 november 2025;
- het F9-formulier van mr. Boelhouwer van 2 april 2026;
- het aanvullende verzoek van mr. Boelhouwer van 5 mei 2026.
Het verzoek is verder mondeling behandeld op 18 mei 2026. Bij die behandeling zijn verschenen:
- de gezinsadvocaat;
- de man, bijgestaan door zijn advocaat;
- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;
- een vertegenwoordigster van de Raad.
Ondanks naar behoren opgeroepen, maar niet verschenen is de gedragswetenschapper en mevrouw [persoon 2], medewerkster van [hulpverlening 1].
2 De verdere beoordeling
De rechtbank verwijst naar de beschikking van 25 maart 2024. In deze beschikking zijn de man en de vrouw verwezen naar het loket van samenwerkende gemeenten in de regio Midden-Brabant voor een (jeugd)hulptraject ten behoeve van de in de beschikking genoemde resultaten. Omdat partijen en de minderjarigen in de gelegenheid zijn gesteld deel te nemen aan het (jeugd)hulpverleningstraject, heeft de rechtbank de beslissing op het verzoek van de Gezinsadvocaat met betrekking tot de zorgregeling aangehouden voor de duur van zes maanden. Verder volgt uit deze beschikking dat partijen tijdens de mondelinge behandeling van 11 maart 2024 zijn overeengekomen dat de man en de minderjarigen voorlopig, totdat in het kader van het Uniform Hulpaanbod andere afspraken worden gemaakt, één keer per week op vrijdag van 11:15 tot 12:45 uur contact met elkaar hebben bij [speeltuin] in [woonplaats 1] onder begeleiding van de ambulant begeleider van de man van [hulpverlening 2].
Uit de tussenrapportage van de Regio Hart van Brabant van 20 januari 2025 volgt dat de in de beschikking van 25 maart 2024 genoemde resultaten gedeeltelijk zijn behaald. In het kader van het Uniform Hulpaanbod is ouderschapsbemiddeling en specialistische omgangsobservatie vanuit de Gezinsmanager ingezet. Gebleken is dat de hulpverlening op verschillende punten zorgen heeft over [minderjarige 1] en [minderjarige 2]. Het contact tussen de minderjarigen en de man is kwetsbaar en de zorgen zien met name op het organiseren van het contact en het (blijvend) afstemmen op de omgang tussen de man en de minderjarigen. De begeleide omgangsmomenten komen namelijk moeilijk tot stand en er is weinig stabiliteit in de zorgregeling, waardoor onbelast contact tussen de man en de minderjarigen onder druk staat. De grootste zorg vanuit de hulpverlening is dat er op termijn geen contact meer zal zijn tussen de man en de minderjarigen als de afspraken over de zorgregeling niet (dwingend) worden opgelegd. Er dienen daarom vastgestelde afspraken en kaders te komen voor wat betreft de zorgregeling, onder andere over dag en tijd, locatie en vervoer. Het advies vanuit de hulpverlening is om het contact tussen de man en de minderjarigen eens in de twee weken te laten plaatsvinden en in de komende periode uit te breiden in tijd. Er kan daarbij gestart worden met een contactmoment van twee uur en dit kan telkens met een half uur worden uitgebreid tot een omgangsmoment van drie uur. Omgangsbegeleiding blijft daarbij noodzakelijk, waarbij afbouw van de begeleiding mogelijk en nodig is maar wel onderzocht moet worden.
Uit de eindbrief van de Regio Hart van Brabant van mei 2025 volgt dat het begeleide contact tussen de man en de minderjarigen op vrijdagmiddag gelijk na schooltijd plaatsvindt voor de duur van twee uur. Er zijn in maart 2025 afspraken gemaakt over het organiseren van de omgang in een andere omgeving en over het afbouwen van de omgangsbegeleiding, waarbij het advies van de Regio Hart van Brabant is om de omgang voorlopig te blijven begeleiden. Er wordt geadviseerd om goed te blijven kijken welke begeleiding op welk moment nodig en gewenst is en om heldere afspraken te maken met de vrouw over haar aanwezigheid. Onveranderd is gebleven dat duidelijke en dwingende kaders vanuit de rechtbank noodzakelijk zijn voor het contact tussen de man en de minderjarigen, naast een zorgaanbieder die de omgangsmomenten duurzaam kan begeleiden. De huidige situatie laat zien dat partijen onvoldoende in staat zijn om zelfstandig tot stabiele afspraken te komen over het contact tussen de man en de minderjarigen, wat leidt tot onduidelijkheid voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2]. Gelet op de beperkte beweging tussen partijen, de spanningen rondom de communicatie en het ontbreken van onderlinge afstemming, is vrijwillige hulpverlening zonder juridische borging op dit moment niet toereikend.
Uit het advies van de Raad van 13 oktober 2025 volgt dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] structureel worden belast met de problemen die ontstaan als gevolg van de echtscheiding en de tot op heden blijvende spanningen tussen partijen. De ingezette hulpverlening verloopt moeizaam, maar tegelijkertijd is gebleken dat [hulpverlening 3] recent is gestart en dat de begeleide omgang is hervat. Ondanks dat de man een bredere zorgregeling wenst, lijkt op dit moment eens in de twee weken contact voor de duur van twee uur het hoogst haalbare. De Raad vindt het belangrijk dat deze omgangsmomenten gemonitord blijven worden. Op het moment dat het contact op een goede en rustige manier verloopt, kan worden bezien of stapsgewijze uitbreiding mogelijk is. Ook kan vanuit de hulpverlening worden onderzocht wat de vrouw nodig heeft om haar vertrouwen in de man te kunnen vergroten. Verder acht de Raad het van belang dat goed in de gaten gehouden wordt welke impact de huidige situatie heeft op de ontwikkeling van [minderjarige 2] en [minderjarige 1]. De Raad adviseert ten aanzien van de zorgregeling een regeling vast te stellen tussen de man en de minderjarigen van twee uur begeleide omgang eens in de veertien dagen.
Uit het aanvullende verzoek van de Gezinsadvocaat van 5 mei 2026 blijkt dat partijen een zorgregeling in de afgelopen periode overeen zijn gekomen, inhoudende dat de man en de minderjarigen contact met elkaar hebben onder begeleiding van [hulpverlening 3]. Er zijn hierna 16 omgangsmomenten ingepland, waarbij [minderjarige 2] 9 keer is geweest en [minderjarige 1] 6 keer. Sinds 12 december 2025 is [minderjarige 1] niet meer naar de omgangsmomenten met de man gekomen. Hierover geeft de vrouw aan dat de minderjarigen, en dan met name [minderjarige 1], last hebben van angsten en niet meer naar de man willen gaan. De vrouw geeft ook aan dat zij zelf nog steeds erg bang is om de man tegen te komen, vanwege hetgeen zich in het verleden heeft voorgedaan toen partijen bij elkaar waren en net uit elkaar waren. De Gezinsadvocaat heeft met de vrouw besproken dat de kans aanwezig is dat de vrouw - geheel onbewust - haar eigen angsten projecteert op [minderjarige 2] en [minderjarige 1]. De omgangsbegeleider van [hulpverlening 3] heeft aangegeven dat er veel spanningen zijn tijdens de overdrachtsmomenten. Hij heeft aangeboden om [minderjarige 2] en [minderjarige 1] zelf van school te halen, zodat de overdracht niet in aanwezigheid van de vrouw hoeft plaats te vinden. Hij heeft het idee dat de overdracht dan soepeler zou verlopen en dat de minderjarigen zich dan minder in een loyaliteitsconflict zullen bevinden. De vrouw kan zich hier niet in vinden.
Ter beoordeling ligt nog aan de rechtbank voor het aanvullende verzoek van de gezinsadvocaat om een beslissing te nemen over de contactregeling die zal gelden tussen de man en de minderjarigen.
Tijdens de zitting heeft de gezinsadvocaat naar voren gebracht dat er momenteel sprake is van begeleide omgang tussen de man en de minderjarigen, eenmaal per twee weken op de vrijdagmiddag na schooltijd, gedurende twee uur. De gezinsadvocaat verzoekt de rechtbank om deze huidige regeling vast te leggen, nu deze regeling op dit moment het meest in het belang van de minderjarigen wordt geacht. Tussen partijen is sprake van strijd en zij zijn niet dan wel onvoldoende in staat met elkaar te communiceren aangaande de minderjarigen. Tijdens de overdrachtsmomenten ervaren de minderjarigen - al dan niet onbewust - de spanningen tussen hun ouders, wat ertoe leidt dat zij in een loyaliteitsconflict verkeren. Om dit te beperken, wordt het wenselijk geacht dat de overdracht plaatsvindt via de omgangsbegeleider, dan wel via een persoon uit het netwerk van partijen hoewel dit laatste ook niet altijd wenselijk is. Verder is het van belang dat beide ouders, met name de vrouw, inzien dat het in het belang van de minderjarigen is dat de zorgregeling zo veel mogelijk doorgang vindt. Dit draagt bij aan de rust, duidelijkheid en continuïteit voor de minderjarigen.
De vrouw acht het in het belang van de minderjarigen dat er omgang plaatsvindt tussen hen en de man, maar deze omgang dient wel begeleid plaats te vinden. Zij erkent dat het niet doorgaan van omgangsmomenten in beginsel niet in het belang van de minderjarigen is. In de praktijk doen zich echter incidentele situaties voor, zoals kinderfeestjes, weekendjes weg of studiedagen, waardoor de omgang niet altijd kan doorgaan. Dit leidt tot discussies tussen partijen. De man is enkel beschikbaar op vrijdagmiddag, zodat inhalen van een gemist omgangsmoment niet gemakkelijk ingehaald kan worden. Op de vrijdag dat er geen omgang is tussen de man en de minderjarigen, heeft de vrouw vaak al afspraken staan. Daarnaast is de omgangsbegeleiding beperkt flexibel, waardoor het verplaatsten van een omgangsmoment niet eenvoudig is. Verder heeft de vrouw aangegeven dat zij de voorkeur heeft om de overdracht zelf te verzorgen. Vrijdag is de enige dag waarop zij de minderjarigen zelf van school kan halen, hetgeen voor haar van belang is om betrokken te blijven bij de school van de minderjarigen. Daarnaast acht de vrouw het in het belang van de minderjarigen dat de overdracht plaatsvindt in een voor hen vertrouwde omgeving en met een vertrouwd persoon. Indien noodzakelijk kan daarom een vriendin uit haar netwerk de overdracht verzorgen.
De man onderschrijft het uitgangspunt dat het in het belang van de minderjarigen is dat de omgang op een voorspelbare en duidelijke wijze plaatsvindt. Een wijziging van de huidige omgangsdag, namelijk de vrijdagmiddag, is voor de man, gelet op zijn werkzaamheden, de begeleiding die hij krijgt en zijn gezondheid, niet haalbaar. De man betreurt het dat de omgangsbezoeken met enige regelmaat worden afgezegd, zonder dat daarbij door de vrouw een alternatief moment wordt aangeboden om de omgang in te halen. Verder vindt de man het van belang dat de vrouw passende hulpverlening inzet om haar angst jegens de man weg te nemen. De begeleide omgangsmomenten tussen de man en de minderjarigen verlopen namelijk naar behoren en hij houdt zich aan de gemaakte afspraken. Wel heeft de man de voorkeur dat de overdrachtsmomenten gaan plaatsvinden via de omgangsbegeleider. Hij vermoedt dat als iemand uit het netwerk van de vrouw de overdracht gaat begeleiden, dit in de praktijk tot onduidelijkheid en discussies gaat leiden, met name in situaties waarin de betreffende vriendin niet beschikbaar is.
De Raad adviseert de rechtbank om de huidige zorgregeling, inhoudende begeleide omgang tussen de man en de minderjarigen eenmaal per twee weken op vrijdagmiddag na schooltijd gedurende twee uur, vast te leggen, nu er geen ruimte lijkt te zijn voor een alternatieve dag.
Tevens acht de Raad het wenselijk dat de overdracht plaatsvindt via de omgangsbegeleider ter bevordering van duidelijkheid en continuïteit van de zorgregeling en om discussies tussen partijen te voorkomen. Daarnaast benadrukt de Raad dat van de vrouw mag worden verwacht dat zij terughoudend omgaat met het afzeggen van omgangsmomenten en een zorgvuldige afweging maakt in de andere afspraken, zoals weekendjes weg. Het met regelmaat niet doorgaan van de omgang, zonder het aanbieden van een alternatief, is niet in het belang van de minderjarigen, nu dit ertoe leidt dat het contact tussen de minderjarigen met de man zeer beperkt wordt.
De rechtbank stelt vast dat de zorgregeling tussen de man en de minderjarigen, waar nu uitvoering aan wordt gegeven, niet altijd wordt nagekomen en daardoor met regelmaat geen doorgang vindt. Partijen hebben tijdens de zitting geprobeerd in onderling overleg tot een wijziging van de regeling te komen, in die zin dat de omgang op een andere dag dan de vrijdag zou kunnen plaatsvinden. Dit overleg heeft niet tot overeenstemming geleid. Beide partijen zijn namelijk in hun beschikbaarheid beperkt. De man heeft in verband met zijn werkzaamheden, begeleiding en zijn gezondheid geen flexibiliteit om de omgang op andere dagen te laten plaatsvinden. Aan de zijde van de vrouw geldt dat zij heeft aangegeven dat haar agenda, met name op de vrijdagen, volledig is ingevuld, waardoor zij niet in staat is een vervangend contactmoment te realiseren op een andere vrijdagmiddag op het moment dat de omgang tussen de man en de minderjarigen wegens uitzonderlijke omstandigheden niet doorgaat.
Nu partijen niet in staat zijn een vervangende dag voor het contact te bepalen, is naar het oordeel van de rechtbank de huidige omgang tussen de man en de minderjarigen eenmaal per twee weken, na schooltijd op vrijdagmiddag gedurende twee uren onder begeleiding, het hoogst haalbare. Gelet hierop en nu de belangen van de minderjarigen zich hiertegen niet verzetten, zal de rechtbank ook zo beslissen.
De rechtbank begrijpt dat, indien een contactmoment geen doorgang vindt, het voor partijen in de praktijk niet mogelijk blijkt dit op een andere dag in te halen. Gelet op het zeer beperkte contact tussen de man en de minderjarigen, benadrukt de rechtbank uitdrukkelijk dat het van groot belang is dat de vastgestelde regeling zoveel mogelijk doorgang vindt. Van de vrouw mag daarom worden verwacht dat zij zich tot het uiterste inspant om de agenda van de minderjarigen, maar ook haar eigen agenda, zodanig in te richten dat het contactmoment hierdoor niet wordt belemmerd.
Voor wat betreft de overdracht overweegt de rechtbank als volgt. De vrouw heeft tijdens de zitting aangegeven dat de laatste overdrachtsmomenten ontspannen zijn verlopen. Dat is een positieve ontwikkeling. Daar staat wel tegenover dat eerdere overdrachten regelmatig niet goed zijn verlopen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat om de overdracht zo rustig mogelijk te laten verlopen voor de minderjarigen, begeleiding bij de overdrachten door [hulpverlening 3] op dit moment het meest in het belang van de minderjarigen is. De rechtbank heeft begrip voor de wens van de vrouw om een vertrouwd persoon uit het eigen netwerk bij de overdracht te betrekken. Echter, de rechtbank verwacht dat inzet van een neutrale professionele partij de meeste rust biedt en de kans vergroot dat de omgangsmomenten daadwerkelijk doorgang vinden. Daarnaast is in het belang van de minderjarigen dat, wanneer een omgangsmoment eindigt, de begeleid(st)er van [hulpverlening 3] verantwoordelijk is om de minderjarigen terug naar de vrouw te brengen en loopt de man niet mee naar de auto.
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.
3 De beslissing
De rechtbank
bepaalt dat de man en de minderjarigen:
- [minderjarige 1], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2020 en
- [minderjarige 2], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2020;
in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar gedurende eenmaal in de twee weken op vrijdagmiddag na school, gedurende twee uren, onder begeleiding van [hulpverlening 3] of een andere professionele organisatie, waarbij de omgangsbegeleid(st)er de minderjarigen van school ophaalt en na afloop van het contact met de man naar (de auto van) de vrouw brengt, met inachtneming van hetgeen hiervoor in rechtsoverwegingen 2.13 en 2.14 is overwogen;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door m. Benjaddi, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 15 juni 2026 in aanwezigheid van mr. De Haard, griffier.
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.