Uitspraak · Personen- en familierecht

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 12 juni 2026

ECLI:NL:RBZWB:2026:6319Zaaknummer C/02/445814 FA RK 26-1221

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
12 juni 2026
Publicatiedatum
17 augustus 2026
Zaaknummer
C/02/445814 FA RK 26-1221
Rechtsgebied
Civiel recht, Personen- en familierecht
Procedure
Rekestprocedure, Beschikking
Zittingsplaats
Breda
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Overeenstemming gezag en omgang

De rechtbank

3.1

bepaalt dat partijen voortaan samen het gezag hebben over de minderjarige [minderjarige], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2021;

3.2

bepaalt dat de man en genoemde minderjarige in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken recht hebben op contact met elkaar:

tot eind augustus 2026: elke vier weekenden: in het eerste en tweede weekend op zaterdag en in het derde weekend op zondag. In het vierde weekend verblijft [minderjarige] het gehele weekend bij de vrouw;

daarna: deze regeling zal vervolgens worden geëvalueerd. Bij goed verloop van deze regeling en zodra de woonsituatie van de man dit toelaat, zullen partijen verder toewerken naar een weekendregeling tussen de man en [minderjarige];

3.3

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

3.4

compenseert de kosten van het geding aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

3.5

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. Van de Kraats, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 12 juni 2026, in aanwezigheid van de griffier.

Mededeling van de griffier:

Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:

  • door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.

Volledige tekst

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team Familie- en Jeugdrecht

Zittingsplaats: Breda

Zaaknummer: C/02/445814 FA RK 26-1221

Datum uitspraak: 12 juni 2026

beschikking over vervangende toestemming erkenning, gezag en omgang

in de zaak van

[de man],

hierna te noemen: de man,

wonende te [woonplaats],

advocaat: mr. M. Hofland te Breda,

tegen:

[de vrouw],

hierna te noemen: de vrouw,

wonende in [woonplaats].

Als belanghebbende ten aanzien van het afstammingsverzoek wordt aangemerkt:

de minderjarige [minderjarige], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2021, hierna te noemen [minderjarige].

vertegenwoordigd door mr. A. den Ridder-van der Meijden in haar hoedanigheid van bijzondere curator.

Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering zal in de procedure worden gekend: de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, hierna te noemen: de Raad, om de rechtbank over het verzoek te adviseren.

1. Het verdere procesverloop

1.1 De rechtbank oordeelt op grond van de navolgende stukken:

  • de in deze zaak gegeven beschikking tot benoeming van een bijzondere curator over [minderjarige] van 14 april 2026 en alle daarin vermelde stukken;
  • de brief van de bijzondere curator van 19 mei 2026.
  • de brief van mr. Hofland van 8 juni 2026 met bijlagen;
  • een afschrift van de geboorteakte van [minderjarige];
  • het uittreksel uit het gezagsregister over [minderjarige].

1.2 Het verzoek is mondeling behandeld op 9 juni 2026. Bij die behandeling zijn gekomen de man met zijn advocaat en de vrouw. Ook was aanwezig een vertegenwoordigster van de Raad.

2 De nadere beoordeling

2.1

Bij voormelde beschikking heeft de rechtbank mr. A. den Ridder-van der Meijden benoemd tot bijzondere curator over [minderjarige]. De rechtbank heeft de bijzondere curator verzocht schriftelijk verslag te doen van haar bevindingen en daarbij een standpunt over het verzoek in te nemen.

2.2

Aan de rechtbank lagen de verzoeken van de man voor om bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren beschikking, samengevat:

1. een DNA-onderzoek te gelasten teneinde vast te stellen of de man de biologische vader is van [minderjarige];

bij wege van voorwaardelijke verzoeken:

2. te bepalen dat aan de man vervangende toestemming wordt verleend tot erkenning van

[minderjarige];

3. te bepalen dat de man en de vrouw gezamenlijk worden belast met het ouderlijk gezag

over [minderjarige];

4. te bepalen dat een contactregeling, zoals omschreven in sub 27, 28 en 29 van dit

verzoekschrift wordt vastgesteld, waarbij de man en [minderjarige] wekelijks recht hebben op contact met elkaar, waarbij het contactmoment één keer in de week op woensdagmiddag zal plaatsvinden. Indien dit enige tijd goed gaat, dan kan dit contactmoment worden uitgebreid onder regie van de hulpverlening,

althans een zodanige contactregeling vast te stellen als de rechtbank juist en redelijk acht.

2.3

Bij brief van 8 juni 2026 heeft de man aangegeven dat er een DNA-onderzoek heeft plaatsgevonden waaruit is gebleken dat de man de biologische vader is van [minderjarige]. De man en de vrouw hebben hierop samen bij de gemeente de erkenning van [minderjarige] door de man in orde gemaakt. De man heeft op de zitting daarom zijn verzoeken genoemd onder 1. en 2. ingetrokken.

2.3

Op grond van de overgelegde stukken staat thans het volgende vast:

  • De man en de vrouw hebben een affectieve relatie gehad. Uit die relatie is [minderjarige] geboren.
  • De man heeft [minderjarige] erkend.
  • De vrouw heeft het gezag over [minderjarige].

Gezag en omgang

2.4

Op de zitting hebben partijen volledige overeenstemming over de verzoeken van de man bereikt. De vrouw stemt in met het verzoek van de man om te bepalen dat de man en de vrouw gezamenlijk worden belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige]. Partijen verwachten dat het hen zal lukken om samen belangrijke beslissingen over [minderjarige] te nemen. Daarnaast hebben partijen (al voorafgaand aan de zitting) een voorlopige contactregeling tussen de man en [minderjarige] afgesproken waarbij [minderjarige] elke vier weekenden, in het eerste en tweede weekend op zaterdag en in het derde weekend op zondag bij de man verblijft en in het vierde weekend het gehele weekend bij de vrouw verblijft. [hulpverlening] en Veilig Thuis hebben deze regeling goedgekeurd. Deze regeling zal voor drie maanden (tot eind augustus 2026) gelden en vervolgens worden geëvalueerd. Daarna zullen partijen, bij goed verloop van deze regeling en zodra de woonsituatie van de man dit toelaat, verder toewerken naar een weekendregeling tussen de man en [minderjarige]. De man heeft inmiddels zicht op zelfstandige woonruimte waar hij [minderjarige] het weekend bij zich kan hebben. Partijen zullen bij [hulpverlening] of bij een mediator

(mr. A. den Ridder-van der Meijden) hun gezamenlijk gezag verder vorm geven en proberen om tot een ouderschapsplan te komen.

2.5

Namens de Raad is op de zitting aangevoerd dat de Raad momenteel bezig is met een beschermingsonderzoek naar [minderjarige]. De kans is aanwezig dat de Raad op basis daarvan om een ondertoezichtstelling van [minderjarige] zal verzoeken. Om deze maatregel goed te kunnen uitvoeren is het gewenst dat beide ouders ten opzichte van [minderjarige] een gelijkwaardige positie hebben, zodat zij in het kader van een ondertoezichtstelling beiden bij de hulpverlening kunnen worden betrokken en op hun verantwoordelijkheden kunnen worden aangesproken. Een gelijkwaardige positie is ook gewenst als verder kan worden gegaan met hulpverlening en/of begeleiding in het vrijwillig kader.

2.6

De rechtbank complimenteert partijen ermee dat zij overeenstemming hebben bereikt. Dit is heel waardevol voor [minderjarige]. Niet is gebleken dat hetgeen zij zijn overeengekomen niet in het belang van [minderjarige] zou zijn. De rechtbank zal daarom bepalen dat de man samen met de vrouw met het gezamenlijk gezag over [minderjarige] wordt belast en de contactregeling vaststellen. Zij gaat er daarbij van uit dat partijen, zoals zij hebben aangegeven, bij [hulpverlening] of bij een mediator (mr. A. den Ridder-van der Meijden) hun gezamenlijk gezag verder vorm zullen geven en zullen proberen om tot een ouderschapsplan te komen. Partijen zijn en blijven als ouders namelijk op de eerste plaats verantwoordelijk voor een veilige (thuis)situatie van [minderjarige], waarbij hij fijn en onbelast contact kan hebben met beide ouders en tot ontwikkeling kan komen. De rechtbank zal de door de man ingetrokken verzoeken genoemd onder 1. en 2. afwijzen, nu de man geen belang meer heeft bij een beslissing op deze verzoeken.

Beëindiging taak van de bijzondere curator

2.7

De rechtbank is van oordeel dat de taak van de bijzondere curator in deze procedure als beëindigd kan worden beschouwd. Mocht een van partijen echter een rechtsmiddel instellen, dan herleeft de taak van de bijzondere curator.

Proceskosten

2.8

Omdat partijen een relatie met elkaar hebben gehad en de zaak over hun kind gaat, zullen de proceskosten worden gecompenseerd. Dat betekent dat iedere partij zijn eigen kosten moet dragen.

3 De beslissing

De rechtbank

3.1

bepaalt dat partijen voortaan samen het gezag hebben over de minderjarige [minderjarige], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2021;

3.2

bepaalt dat de man en genoemde minderjarige in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken recht hebben op contact met elkaar:

tot eind augustus 2026: elke vier weekenden: in het eerste en tweede weekend op zaterdag en in het derde weekend op zondag. In het vierde weekend verblijft [minderjarige] het gehele weekend bij de vrouw;

daarna: deze regeling zal vervolgens worden geëvalueerd. Bij goed verloop van deze regeling en zodra de woonsituatie van de man dit toelaat, zullen partijen verder toewerken naar een weekendregeling tussen de man en [minderjarige];

3.3

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

3.4

compenseert de kosten van het geding aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

3.5

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. Van de Kraats, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 12 juni 2026, in aanwezigheid van de griffier.

Mededeling van de griffier:

Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:

  • door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.