Uitspraak · Personen- en familierecht
Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 12 juni 2026
ECLI:NL:RBZWB:2026:6300Zaaknummer C/02/426499 / FA RK 24-4209
- Instantie
- Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Datum uitspraak
- 12 juni 2026
- Publicatiedatum
- 17 augustus 2026
- Zaaknummer
- C/02/426499 / FA RK 24-4209
- Rechtsgebied
- Civiel recht, Personen- en familierecht
- Procedure
- Rekestprocedure, Beschikking
- Zittingsplaats
- Middelburg
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Omgangsregeling, minderjarige met meervoudige beperking.
De rechtbank
wijst het verzoek van de man dat strekt tot vaststelling van een zorgregeling en het (zelfstandig) verzoek van de vrouw om het recht op omgang tussen de minderjarige en de man te ontzeggen, af.
| Deze beschikking is gegeven door mr. Voorn, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 12 juni 2026 in tegenwoordigheid van mr. Verplanke, griffier. |
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
beschikking
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Zittingsplaats: Middelburg
Zaaknummer: C/02/426499 / FA RK 24-4209
datum uitspraak: 12 juni 2026
beschikking betreffende vaststelling van een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken
in de zaak van
[de man],
hierna te noemen: de man,
wonende te [woonplaats] (België),
advocaat: mr. E.C.A.E. Verschuren, kantoorhoudende te Gilze,
tegen
[de vrouw],
hierna te noemen: de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. C.G.M. Baas, kantoorhoudende te Bergen op Zoom.
betreffende de minderjarige:
- [minderjarige], geboren te [geboorteplaats] (België) op [geboortedag] 2020, hierna te noemen: [minderjarige].
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
- de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg,
hierna te noemen: de Raad, om de rechtbank over het verzoek te adviseren.
1 Het procesverloop
De rechtbank oordeelt op grond van de navolgende stukken:
- het op 12 september 2024 ontvangen verzoekschrift, met producties;
- het op 22 oktober 2024 ontvangen verweerschrift, met producties;
- het op 28 mei 2025 ontvangen rapport van de Raad;
- het op 9 juli 2025 ontvangen F9-formulier van mr. Baas;
- het op 10 juli 2025 ontvangen F9-formulier van mr. Verschuren;
- het op 21 april 2026 ontvangen F9-formulier van mr. Baas;
- het op 13 mei 2026 ontvangen F9-formulier van mr. Verschuren.
Het verzoek is mondeling behandeld op 19 mei 2026. Bij die gelegenheid zijn verschenen de man, bijgestaan door mr. van Kerkhof, waarnemend advocaat, en de vrouw (middels een online videoverbinding) bijgestaan door haar advocaat. Tevens was aanwezig een vertegenwoordiger van de Raad.
2 De feiten
Partijen hebben een affectieve relatie gehad, uit welke relatie het navolgende thans nog minderjarige kind is geboren:
- [minderjarige], geboren te [geboorteplaats] (België) op [geboortedag] 2020.
De man heeft de minderjarige erkend. Partijen zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over de minderjarige.
De minderjarige heeft zijn hoofdverblijf bij de vrouw.
Bij beschikking van deze rechtbank van 15 november 2024 is, bij wege van provisionele voorziening en voor zover hier van belang, aan de Raad een verzoek tot onderzoek gedaan. Tevens heeft de rechtbank de man het contact met de minderjarige ontzegd voor de duur van de hoofdzaak, dan wel totdat een rechter anders heeft beslist.
3 Het verzoek
De man verzoekt, voor zover de wet dit toelaat uitvoerbaar bij voorraad:
Primair:
te bepalen dat er een definitieve verdeling van de zorg- en opvoedingstaken wordt vastgesteld op basis waarvan de man gerechtigd is tot contact met de minderjarige gedurende:
- één weekend per veertien dagen vanaf vrijdagmiddag na schooltijd tot zondagavond 18:30 uur;
- 50% van de vakanties en feestdagen, jaarlijks in onderling overleg te verdelen;
- de ouder waar de minderjarige gaat verblijven haalt hem op bij de andere ouder als er gewisseld moet worden.
Subsidiair
Een in goede justitie door de rechtbank te bepalen definitieve verdeling van de zorg- en opvoedingstaken vast te stellen.
De vrouw voert verweer en concludeert tot afwijzing van de verzoeken van de man.
Bij wege van zelfstandige verzoek heeft de vrouw om bij beschikking, voor zover mogelijk
uitvoerbaar bij voorraad:
Primair
Het recht op omgang tussen de man en de minderjarige te ontzeggen, zulks voor onbepaalde duur, althans voor een duur door de rechtbank in goedejustitie te bepalen.
Subsidiair
Te bepalen dat er een raadsonderzoek zal plaatsvinden.
Op de standpunten van partijen wordt, voor zover van belang voor de beoordeling van het de verzoeken, hierna ingegaan.
4 De beoordeling
Het juridisch kader
Ingevolge artikel 1:253a lid 1 BW kunnen geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het gezag op verzoek van de ouders of van een van hen aan de rechtbank worden voorgelegd. Op grond van lid 2 van dit artikel kan de rechtbank eveneens op verzoek van de ouders of een van hen een regeling vaststellen inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag. De regeling kan omvatten een toedeling aan ieder van de ouders van de zorg- en opvoedingstaken, zoals door de man is gevraagd. De rechtbank dient ingevolge artikel 1:253a BW een zodanige beslissing te nemen als haar in het belang van de minderjarige wenselijk voorkomt.
Standpunten partijen
De man verzoekt een zorgregeling vast te leggen, waarbij de minderjarige één weekend per veertien dagen vanaf vrijdagmiddag na schooltijd tot zondagavond 18:30 uur bij de man verblijft, alsmede de helft van de vakantie- en feestdagen. Ter onderbouwing van zijn verzoek stelt de man dat hij het op dit moment vooral van belang vindt dat de minderjarige de benodigde zorg en stabiliteit ervaart bij de vrouw thuis en dat het contact tussen hem en zijn zoon heel rustig kan worden opgebouwd. De man heeft geen zorgen over de opvoedsituatie bij de vrouw, en wil haar ook vooral geen stress bezorgen. Hij zou graag zien dat de vrouw vertrouwen in hem krijgt. De man staat open voor hulpverlening gericht op oudercommunicatie en het faciliteren van het contact tussen de man en de minderjarige. De man begrijpt dat verdere begeleiding en ondersteuning hierin nodig is en staat hiervoor open. Gezien het feit dat de minderjarige wel contact heeft met de begeleiders van de dagbesteding en met de familie van de vrouw, vindt de man het niet passend dat hij op geen enkele manier betrokken wordt in het leven van de minderjarige. De man begrijpt dat een overnachting of een bezoekmoment bij hem thuis misschien niet geschikt is, maar hij zou de minderjarige graag eenmaal per maand onder begeleiding zien, om bijvoorbeeld eens naar de speeltuin gaan. Het Lentekind zou deze contactmomenten wellicht kunnen begeleiden. De man erkent dat hij in het verleden dreigende en agressieve uitingen heeft gedaan jegens de vrouw. Dit kwam voort uit de spanningen die hij ervaarde rondom de contactbreuk met zijn zoon. Hij meende deze uitspraken niet. Hij was niet in staat om zijn emoties en frustraties te reguleren en heeft hier veel spijt van. Hij heeft hulp gezocht en is momenteel nog in therapie. Daarbij heeft hij ook een keer per maand een gesprek met een begeleider in het kader van de reclassering. Deze gesprekken zijn erg helpend voor hem, maar de man vermoed dat diegene geen rapport mag opstellen over de voortgang van het traject. De man vindt het lastig dat hij de minderjarige niet ziet en dat hij geen informatie over hem ontvangt vanuit onder andere de dagbesteding. De man is nauw betrokken bij de minderjarige en wil vanuit deze positie vaak meer informatie verkrijgen dan de vrouw hem geeft en heeft hier als gezaghebbende ouder recht op.
De vrouw voert verweer tegen het verzoek van de man. De vrouw stelt zich op het standpunt dat de man in de afgelopen periode onvoldoende aan zichzelf heeft gewerkt om contactherstel tussen hem en de minderjarige te kunnen realiseren. De behandeling die de man volgt is (verplicht) opgezet vanuit justitie en hij heeft zelf niets ondernomen om te leren communiceren met de minderjarige. Daarnaast ontvangt de vrouw nog steeds zorgelijke signalen vanuit de dagbehandeling van de minderjarige waaruit blijkt dat de man dreigt informatie op te vragen, terwijl de vrouw een keer per maand een e-mailbericht stuurt naar de advocaat van de man omtrent de ontwikkeling van de minderjarige en andere belangrijke zaken, conform de vastgestelde informatieregeling. Dergelijke gebeurtenissen zorgen voor veel angst en onrust bij de vrouw. Het opstarten van hulpverlening gericht op oudercommunicatie is op dit moment gelet op de draagkracht van de vrouw niet haalbaar. Daarnaast brengt dit veel spanning en angst met zich mee, wat de vrouw zich niet kan veroorloven nu zij de hoofdopvoeder van de minderjarige is. In de afgelopen periode heeft er een ontwikkelingsonderzoek plaatsgevonden bij de minderjarige. Hieruit is gebleken dat hij een ernstige meervoudige beperking heeft. Hij functioneert op de leeftijd van zestien maanden en de communicatie verloopt non-verbaal. De minderjarige is een kwetsbare jongen die gedurende de dag gebaat is bij veel duidelijkheid, rust en regelmaat. Een vaste weekindeling is hierbij strikt van belang en als hiervan wordt afgeweken ervaart de minderjarige veel onrust en overprikkeling. Hetzelfde geldt voor onverwachtse, onbekende situaties, (drukke) plaatsen en/of (nieuwe) personen. Gedurende de week heeft de minderjarige dan ook vaste personen die voor hem zorgen, zowel thuis als op de opvang. Gelet op het voorgaande is de vrouw van mening dat het vaststellen van een zorgregeling niet in het belang van de minderjarige is en dat de omgang tussen de man en de minderjarige moet worden ontzegd.
Het advies van de Raad
Ter zitting heeft de Raad aangegeven het uitgebrachte advies te handhaven. De Raad maakt zich ernstig zorgen dat de minderjarige opgroeit in een opvoedsituatie met veel onveiligheid voor hem en de vrouw. De minderjarige is erg kwetsbaar en kan, in tegenstelling tot andere kinderen, minder goed omgaan met onvoorspelbare situaties. De man heeft de vrouw met zijn bedreigingen fors getraumatiseerd en zij voelt zich hierdoor erg onveilig. Deze gevoelens van onveiligheid bij de vrouw, welke zich uiten in angst en nervositeit, hebben (onbewust) een effect op de minderjarige en is daarmee een beperkende factor voor het opstarten van enige vorm van contact tussen de man en de minderjarige. Het gegeven dat de man de angst van de vrouw in onvoldoende mate erkent, vergroot deze zorgen. Voor het welbevinden en welzijn van de minderjarige is het belangrijk dat de vrouw, als hoofdopvoeder en —verzorger, staande blijft en zich gaat richten op haar individuele hulpverlening. De Raad ziet op dit moment geen mogelijkheden voor enige vorm van contact. De Raad stelt zich hierbij op het standpunt dat de man eerst zijn forensisch systeemtherapeutische behandeling aantoonbaar positief moet afronden, alvorens er contact kan worden opgebouwd. De Raad ziet dat de man trouw naar afspraken gaat, maar niet dat er daadwerkelijk vorderingen zijn gemaakt. De Raad adviseert de rechbank om het verzoek van de man af te wijzen.
Inhoudelijke beoordeling rechtbank
Naar aanleiding van de overgelegde stukken en wat er tijdens de mondelinge behandeling is besproken, overweegt de rechtbank dat de man en de minderjarige sinds mei 2024 geen contact meer met elkaar hebben gehad. Sinds de verbreking van de relatie van partijen zorgt de vrouw voor de minderjarige. Nadat de relatie was beëindigd reed de vrouw een keer per vier weken op zondag samen met de minderjarige naar de man, zodat zij contact met elkaar konden hebben. Echter werden de bedreigingen van de man richting de vrouw steeds heftiger, waardoor de vrouw niet meer met de minderjarige naar de woning van de man durfde en het contact is gestopt, aldus de vrouw. De frustratie van de man omtrent het contactverlies en over het gemis van zijn zoon is invoelbaar, echter lijkt de man zich onvoldoende te realiseren wat zijn gedrag teweeg heeft gebracht. De man heeft de vrouw met zijn bedreigingen vermoedelijk fors getraumatiseerd en de vrouw voelt zich hierdoor erg onveilig. Daarbij komt dat de minderjarige een ernstige meervoudige beperking heeft en dus zeer kwetsbaar is en een bovengemiddelde mate van zorg nodig heeft.
Bij beschikking van 15 november 2024 inzake de provisionele voorziening is aan de Raad – kort samengevat - verzocht te onderzoeken welke verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen partijen dan wel welke omgangsregeling tussen de man en de minderjarige het meest tegemoet komt aan de belangen van de minderjarige. De Raad heeft hier op 27 mei 2025 een advies over uitgebracht. Uit dit onderzoek komt naar voren dat de Raad op dit moment geen mogelijkheden ziet voor enige vorm van omgang tussen de man en de minderjarige. In het rapport staat door de Raad duidelijk omschreven wat er nodig is voor het begin van contactherstel tussen de man en de minderjarige. Zo stelt de Raad onder andere dat de vader zijn forensisch systeemtherapeutische behandeling positief moet afronden. De rechtbank constateert dat het de man geen stukken heeft overgelegd waaruit blijkt welke ontwikkeling hij heeft doorgemaakt en of er een begin gemaakt kan worden aan contactherstel. De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat er nog geen aantoonbare verbetering in de situatie van de man waarneembaar is. Daarnaast is de rechtbank het met de Raad eens dat voor het welbevinden en het welzijn van de minderjarige het belangrijk is dat de vrouw, als hoofdopvoeder en -verzorger, staande blijft en zich allereerst gaat richten op haar eigen herstel, alvorens er hulpverlening kan worden ingezet gericht op oudercommunicatie en/of het faciliteren van contact tussen de minderjarige en de man.
Voorts constateert de rechtbank dat de man enerzijds aangeeft de vrouw niet onder druk te willen zetten en kleine stappen te willen maken in het contactherstel, maar anderzijds merkt hij op dat hij als gezaghebbende ouder het recht heeft om zijn zoon te zien. De rechtbank kan dit niet goed rijmen met elkaar. De stelling van de man dat hij zijn zoon “gewoon” wil zien in bijvoorbeeld een speeltuin toont aan dat de man niet beseft wat praktisch gezien nodig is om tot contactherstel te komen gelet op de ernstige meervoudige beperking van de minderjarige. Ook heeft de man hierbij niet aangegeven hoe deze praktische bezwaren kunnen worden ondervangen en wat de man eraan heeft gedaan om dit te kunnen bewerkstelligen. De minderjarige heeft behoefte aan duidelijkheid, rust en regelmaat. Een onbekende of drukke omgeving zoals de speeltuin zorgt voor veel onrust en overprikkeling en is niet in het belang van de minderjarige. De man lijkt hierbij geen realistische kijk te hebben op wat mogelijk is en wat de ernstige meervoudige beperking voor de minderjarige betekent.
Het uitgangspunt is dat de minderjarige contact moet kunnen hebben met zijn beide ouders. Maar, zoals ook door de Raad is aangegeven, moet dit contact wel op een veilige manier plaats kunnen vinden en moet dit contact in het belang van de minderjarige zijn. Deze situatie doet zich - gelet op voornoemde zorgen - naar het oordeel van de rechtbank op dit moment niet voor. Onder deze omstandigheden is het voor de rechtbank niet mogelijk om een zorgregeling vast te stellen. Gelet hierop kan de rechtbank nu niet anders dan het verzoek van de man tot vaststelling van een zorgregeling, afwijzen.
Met betrekking tot het zelfstandig verzoek van de vrouw om het recht op omgang tussen de man en de minderjarige te ontzeggen, overweegt de rechtbank als volgt. Kijkend naar het logboek wat de vrouw heeft overgelegd, ziet de rechtbank geen aanknopingspunten dat de bedreigingen en het gedrag van de man wat de vrouw angst heeft aangejaagd in het verleden nog actueel is. De rechtbank kan dan ook niet vaststellen dat er sprake is van een zodanige situatie dat het noodzakelijk is om het contact tussen de man en de minderjarige te ontzeggen. De man erkent dat hij in het verleden dreigende en agressieve uitingen heeft gedaan jegens de vrouw en heeft hier veel spijt van. De man lijkt een begint te hebben gemaakt met het zich realiseren dat hij fout heeft gehandeld, maar lijkt dit nog niet helemaal te doorleven. De rechtbank vindt het net als de Raad van belang dat er gewerkt wordt aan de in het Raadsrapport genoemde contra-indicaties, waarbij met name van belang is dat de man zijn forensisch systeemtherapeutische behandeling (aantoonbaar) positief afrond. Indien de man zijn behandeling met positief resultaat afrondt, is de rechtbank hoopvol gestemd dat de man inziet dat hij professionele hulp nodig heeft om de minderjarige te leren begrijpen en met hem te kunnen communiceren, en voorts deze hulp ook aanvraagt. Wanneer ook de vrouw haar eigen behandeling positief heeft afgerond, is het aan partijen om, met behulp van de casusregisseur, zich te richten op de vraag of en zo ja, welke wijze van omgang op dat moment tegemoetkomt aan de belangen van de minderjarige. Gelet op het voorgaande wijst de rechtbank het zelfstandig verzoek van de vrouw af.
De kinderrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren omdat het voor de ontwikkeling van de minderjarige noodzakelijk is dat de beslissing ondanks een eventueel hoger beroep meteen uitgevoerd kan worden.
5 De beslissing
De rechtbank
wijst het verzoek van de man dat strekt tot vaststelling van een zorgregeling en het (zelfstandig) verzoek van de vrouw om het recht op omgang tussen de minderjarige en de man te ontzeggen, af.
| Deze beschikking is gegeven door mr. Voorn, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 12 juni 2026 in tegenwoordigheid van mr. Verplanke, griffier. |
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.