Uitspraak · Personen- en familierecht
Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 10 juni 2026
ECLI:NL:RBZWB:2026:6264Zaaknummer C/02/448778 / FA RK 26-2797
- Instantie
- Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Datum uitspraak
- 10 juni 2026
- Publicatiedatum
- 17 augustus 2026
- Zaaknummer
- C/02/448778 / FA RK 26-2797
- Rechtsgebied
- Civiel recht, Personen- en familierecht
- Procedure
- Rekestprocedure, Beschikking
- Zittingsplaats
- Breda
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
RM artikel 1, vierde lid Wzd NAH
De rechtbank:
verleent een machtiging tot opname en verblijf voor [betrokkene], geboren op [geboortedag] 1968 in [geboorteplaats];
bepaalt dat deze machtiging geldt tot en met 10 december 2026.
| Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 10 juni 2026 door mr. De Weert, rechter, in aanwezigheid van Schellenbach, griffier en op schrift gesteld op 24 juni 2026. |
Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/448778 / FA RK 26-2797
Datum uitspraak: 10 juni 2026
Beschikking rechterlijke machtiging
op het verzoek van het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) voor
[betrokkene],
geboren op [geboortedag] 1968 in [geboorteplaats],
hierna te noemen betrokkene,
wonend in [plaats],
advocaat mr. A.Ch. Osté uit Dongen.
1 Het verloop van de procedure
De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, binnengekomen bij de rechtbank op 2 juni 2026.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 10 juni 2026 bij betrokkene thuis. Daarbij zijn gehoord:
- betrokkene, bijgestaan door zijn advocaat;
- [persoon 1], teammanager;
- [persoon 2], verpleegkundig specialist, namens [persoon 3];
- [persoon 4], een vriend van betrokkene.
2 Het verzoek
Het CIZ verzoekt de rechtbank een rechterlijke machtiging tot opname en verblijf te verlenen voor de duur van zes maanden.
3 De standpunten
Betrokkene brengt naar voren niet meer te weten wat er is gebeurd. Daarnaast wil hij inzage in alle rapportages om duidelijkheid te krijgen over de situatie. Hij geeft aan zijn rijbewijs te willen terugkrijgen en graag weer te willen gaan werken. Tot slot stelt betrokkene dat hij niet zal meewerken zolang hem geen duidelijkheid over zijn situatie wordt gegeven en totdat hij is beoordeeld door een specialist in wie hij vertrouwen heeft.
De verpleegkundig specialist verklaart dat betrokkene ten tijde van de opname niet at, dronk of zich verzorgde, omdat hij in de veronderstelling was dat hij dit thuis zou doen. Daarnaast is betrokkene fors afgevallen, wat aanleiding geeft tot zorgen over zijn gezondheid en zelfzorg in de thuissituatie. Tevens heeft de thuiszorg recent geconstateerd dat het gas bij betrokkene aan was blijven staan. De oorzaak van deze problemen is gelegen in problemen in het korte termijn geheugen. De verpleegkundig specialist geeft aan dat de behandeling van de cognitieve stoornis gericht zal zijn op het leren omgaan met de beperkingen, aangezien herstel van de stoornis niet verwacht wordt.
De teammanager brengt naar voren dat betrokkene heeft aangegeven dat hij thuis wel zou gaan douchen en eten, maar uiteindelijk is dit niet gelukt. Daarnaast ontbreekt ziektebesef bij betrokkene. De mensen van de thuiszorg worden wel toegelaten, maar zij mogen verder geen taken verrichten. Verder is de verwachting dat er geen substantiële verbetering meer zal optreden, omdat het cognitief functioneren bij betrokkene naar verwachting op het huidige niveau zal blijven.
Een goede vriend van betrokkene brengt naar voren dat hij een duidelijke verandering bij betrokkene ziet. Zo is betrokkene ongeveer veertig kilogram afgevallen en lukt het volgens hem nauwelijks nog om tot betrokkene door te dringen. Daarnaast wil betrokkene graag zijn rijbewijs terugkrijgen, maar volgens de vriend wordt dit bemoeilijkt doordat betrokkene niet meewerkt aan de benodigde hulpverlening. Voorts geeft de vriend aan dat betrokkene slecht slaapt, omdat hij voortdurend aan het piekeren is. Tot slot benadrukt hij dat hij vooral wil dat betrokkene de juiste behandeling krijgt.
De advocaat voert aan dat aan de wettelijke criteria voor het verlenen van een rechterlijke machtiging wordt voldaan. Gelet op de belangen van betrokkene verzoekt de advocaat echter om afwijzing van het verzoek.
4 De beoordeling
De rechtbank verleent de gevraagde machtiging voor de duur van zes maanden. Zij legt hierna uit waarom zij deze beslissing neemt.
Betrokkene heeft niet-aangeboren hersenletsel als gevolg van een uitgebreid frontaal syndroom en een traumatische subarachnoïdale bloeding met massawerking. De rechtbank baseert zich hierbij op de medische verklaring.
Op grond van artikel 1, vierde lid, van de Wet zorg en dwang (Wzd) en het ‘Besluit van 20 april 2020, houdende wijziging van het Besluit zorg en dwang psychogeriatrische en verstandelijk gehandicapte cliënten in verband met het aanwijzen van ziekten en aandoeningen die gelijkgesteld worden met een psychogeriatrische aandoening of verstandelijke handicap’ (hierna: het Besluit) is niet-aangeboren hersenletsel een ziekte of aandoening die gelijkgesteld is aan een psychogeriatrische aandoening of verstandelijke handicap waarop de Wzd van toepassing kan zijn. Uit de nota van toelichting bij het Besluit volgt dat er dan wel sprake moet zijn van niet-aangeboren hersenletsel in de chronische fase. Dit is de fase waarin duidelijk is welke stoornissen en beperkingen blijvend zijn. De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraak ECLI:NL:RBMNE:2026:1419. Ten aanzien van betrokkene is vastgesteld dat sprake is van niet-aangeboren hersenletsel, zoals hierboven is genoemd. Tijdens de zitting is gebleken dat de door betrokkene opgelopen hersenschade niet meer zal herstellen. Betrokkene zal behandeling ontvangen gericht op het leren omgaan met de beperkingen, maar naar verwachting zullen zich geen ingrijpende verbeteringen meer voordoen. Cognitief zal betrokkene naar verwachting blijven functioneren op het huidige niveau. Gelet op de informatie uit de medische verklaring en wat tijdens de zitting is besproken is de rechtbank van oordeel dat het niet aangeboren hersenletsel chronisch van aard is. Betrokkene lijdt aan een ziekte of aandoening die op grond van artikel 1, vierde lid van de Wzd gelijkgesteld is aan een psychogeriatrische aandoening of verstandelijke handicap.
Het gedrag dat voortvloeit uit deze aandoening leidt tot ernstig nadeel. Dit nadeel bestaat uit:
- ernstig lichamelijk letsel;
- ernstige psychische schade;
- ernstige verwaarlozing;
- maatschappelijke teloorgang;
- het oproepen van agressie van een ander door het vertonen van hinderlijk gedrag;
- gevaar voor de algemene veiligheid van personen en goederen.
De rechtbank overweegt in dit verband als volgt. Betrokkene is onvoldoende in staat voor zichzelf te zorgen. Hij heeft gedurende de dag ondersteuning en begeleiding nodig bij alle dagelijkse handelingen en activiteiten, omdat betrokkene daar uit zichzelf niet toe komt. Daarnaast is sprake van verwaarlozing op het gebied van zowel persoonlijke hygiëne als voeding. Sinds het ongeval in februari 2026 is betrokkene circa 30 kilogram afgevallen. De laatste weken eet hij vrijwel niets. Hoewel hij aangeeft later te zullen eten, neemt hij geen initiatief tot voedselinname en weigert hij aangeboden maaltijden. Tevens is sprake van decorumverlies. Zo heeft betrokkene in de wasbak op zijn kamer geplast. Daarnaast vertoont hij ontremd gedrag, waaronder seksueel getinte en seksistische opmerkingen die niet passend zijn bij zijn functioneren van vóór het ongeval. Sinds hij thuis is, heeft hij het gas van het fornuis laten branden terwijl er een pan op het vuur stond. Dit kan voor gevaarlijke situaties zorgen. Verder accepteert hij op dit moment geen hulp van de thuiszorg.
De opname en het verblijf zijn noodzakelijk en geschikt om het ernstig nadeel te voorkomen of af te wenden. Betrokkene verzet zich hiertegen. Betrokkene geeft herhaaldelijk aan niet zijn huis te verlaten. Hij wil eerst weten wat er gebeurd is na de val van de trap. Daarnaast laat betrokkene de mensen van de thuiszorg wel binnen, maar mag het personeel geen taken uitvoeren.
Er zijn geen minder bezwarende alternatieven die hetzelfde beoogde effect hebben. Naar het oordeel van de rechtbank is een machtiging tot opname noodzakelijk, omdat betrokkene 24-uurszorg en begeleiding nodig heeft in een veilige woonomgeving. Er zijn geen minder ingrijpende mogelijkheden om het ernstig nadeel af te wenden. De rechtbank overweegt hierbij dat betrokkene voorlopig niet meer thuis kan zijn. In de thuissituatie dreigt overbelasting van het sociale netwerk. Betrokkene heeft intensieve zorg nodig die alleen binnen een accommodatie geboden kan worden.
Gelet op het voorgaande is voldaan aan de criteria voor verlening van een rechterlijke machtiging tot opname en verblijf als bedoeld in de Wzd. Zoals verzocht, zal de machtiging worden verleend voor de duur van zes maanden.
5 De beslissing
De rechtbank:
verleent een machtiging tot opname en verblijf voor [betrokkene], geboren op [geboortedag] 1968 in [geboorteplaats];
bepaalt dat deze machtiging geldt tot en met 10 december 2026.
| Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 10 juni 2026 door mr. De Weert, rechter, in aanwezigheid van Schellenbach, griffier en op schrift gesteld op 24 juni 2026. |
Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Deze uitspraak verwijst naar
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.