Uitspraak · Personen- en familierecht

Rechtbank Midden-Nederland, 11 maart 2026

ECLI:NL:RBMNE:2026:1419Zaaknummer C/16/607275 / FZ RK 26-139

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
11 maart 2026
Publicatiedatum
20 april 2026
Zaaknummer
C/16/607275 / FZ RK 26-139
Rechtsgebied
Civiel recht, Personen- en familierecht
Procedure
Beschikking
Zittingsplaats
Lelystad
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

RM afwijzen. NAH, maar onvoldoende gebleken van chronische fase + geen ernstig nadeel in thuissituatie + hv inzetten thuis.

4 De beslissing

De rechtbank wijst het verzoek af.

Deze beschikking is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 11 maart 2026 door mr. L.P. de Haas, rechter, in aanwezigheid van mr. I.R.S. Salomé, griffier, en op schrift gesteld op 24 maart 2026.

Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 Het verloop van de procedure
  2. 2 Het verzoek
  3. 3 De beoordeling
  4. 4 De beslissing

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familie- en Jeugdrecht

Locatie Lelystad

Zaaknummer: C/16/607275 / FZ RK 26-139

Datum uitspraak: 11 maart 2026

Beschikking rechterlijke machtiging

op het verzoek van het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) voor

[betrokkene],

geboren op [geboortedatum] 1946 in [geboorteplaats],

hierna te noemen betrokkene,

wonend in [plaats],

advocaat mr. A.D.G. Bakker.

1 Het verloop van de procedure

1.1.

De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:

  • het verzoekschrift met bijlagen, binnengekomen bij de rechtbank op 19 februari 2026;
  • het bericht van CIZ van 24 februari 2026.
1.2.

De zitting heeft plaatsgevonden op 11 maart 2026. Daarbij zijn gehoord:

- betrokkene, bijgestaan door zijn advocaat;

  • [A.], als specialist ouderengeneeskunde verbonden aan Coloriet (hierna: SOG);
  • [B.], als arts verbonden aan Coloriet;
  • de echtgenote van betrokkene;
  • de zoon van betrokkene.
1.3.

De advocaat van betrokkene heeft tijdens de zitting pleitaantekeningen overgelegd en voorgedragen.

1.4.

De advocaat van betrokkene kon na de zitting, aan het eind van de middag, bellen naar de griffie voor de uitspraak van de rechtbank.

2 Het verzoek

Het CIZ verzoekt de rechtbank een rechterlijke machtiging tot opname en verblijf te verlenen voor de duur van zes maanden.

3 De beoordeling

3.1.

De rechtbank wijst de gevraagde machtiging af. Zij legt hierna uit waarom zij deze beslissing neemt.

3.2.

Betrokkene heeft niet-aangeboren hersenletsel (hierna: NAH). De rechtbank baseert zich hierbij op de medische verklaring van 19 februari 2026. Betrokkene heeft een hartinfarct gehad, waarna hij is opgenomen in het ziekenhuis. Vanuit het ziekenhuis is betrokkene naar Coloriet [locatie] gegaan om te revalideren. Bij Coloriet is, zoals uit de medische verklaring en de toelichting van de SOG tijdens de zitting blijkt, gezien dat er bij betrokkene geregeld sprake is van desoriëntatie in tijd, plaats en persoon en dat het geheugen van betrokkene niet goed lijkt te functioneren. Betrokkene vertoonde op de afdeling ongeremd gedrag en had last van hevige boosheidsaanvallen. Vanuit Coloriet is dan ook het advies gegeven om betrokkene niet naar huis te laten gaan. Hierin speelt mee dat de echtgenote van betrokkene nog thuis woont en dementerend is en daardoor extra zorg en aandacht nodig heeft. Betrokkene wordt niet geacht deze zorg aan haar te kunnen bieden. Ondanks het advies vanuit Coloriet is betrokkene op 23 februari 2026 opgehaald door zijn zoon en naar zijn woning gegaan. Betrokkene verblijft sindsdien in zijn woning samen met zijn echtgenote. De zoon van betrokkene is ook regelmatig aanwezig. Volgens betrokkene verloopt het allemaal heel goed thuis. Hij vindt het fijn om daar weer te verblijven.

3.3.

Op grond van artikel 1, vierde lid van de Wet zorg en dwang (Wzd) en het ‘Besluit van 20 april 2020, houdende wijziging van het Besluit zorg en dwang psychogeriatrische en verstandelijk gehandicapte cliënten in verband met het aanwijzen van ziekten en aandoeningen die gelijkgesteld worden met een psychogeriatrische aandoening of verstandelijke handicap’ (hierna: het Besluit) is NAH een ziekte of aandoening die gelijkgesteld is aan een psychogeriatrische aandoening of verstandelijke handicap, waarop de Wzd van toepassing kan zijn. Uit de nota van toelichting bij het Besluit volgt dat er dan wel sprake moet zijn van NAH in de chronische fase. Dit is de fase waarin duidelijk is welke stoornissen en beperkingen blijvend zijn.

3.4.

De advocaat van betrokkene stelt dat het, sinds betrokkene weer thuis woont, goed lijkt te gaan. De medische verklaring geeft volgens haar dan ook geen beeld van de actuele toestand van betrokkene, nu deze enkel is gebaseerd op het gedrag van betrokkene in de instelling. Daarnaast betwijfelt de advocaat of de toestand van betrokkene naar aanleiding van zijn NAH zich al in de chronische fase bevindt. Zij heeft daartoe aangevoerd dat het hartinfarct van betrokkene in oktober 2025 heeft plaatsgevonden en de medische verklaring binnen vier maanden na het infarct is opgesteld. Bij NAH kan er op den duur nog verbetering in de hersenfuncties plaatsvinden. De grootste verbeteringen vinden meestal binnen een half jaar na het ontstaan van het NAH plaats, maar soms zijn er verbeteringen te zien tot wel twee jaar na het ontstaan.

3.5.

De rechtbank overweegt het volgende. Uit de medische verklaring valt niet af te leiden of er sprake is van NAH in de chronische fase. Ook tijdens de zitting hebben de SOG en de arts, naar het oordeel van de rechtbank, onvoldoende kunnen toelichten of daarvan al sprake is. Wel heeft de SOG bevestigt dat er bij NAH geen progressief beeld hoeft te zijn. Om die reden komt de rechtbank tot het oordeel dat op dit moment onvoldoende is gebleken dat er sprake is van een ziekte of aandoening die gelijkgesteld is aan een psychogeriatrische aandoening of verstandelijke handicap, waarop de Wzd van toepassing is. Daarbij speelt ook een rol dat de beschreven toestand van betrokkene in de medische verklaring niet overeen lijkt te komen met het beeld van betrokkene in de thuissituatie. Het huis ziet er netjes uit, betrokkene en zijn echtgenote zien er verzorgd uit, betrokkene neemt zijn medicatie en de zoon van betrokkene bevestigt dat betrokkene het avondeten verzorgt en samen met de zoon de boodschappen doet. De SOG heeft tijdens de zitting aangegeven dat het zo kan zijn dat betrokkene beter functioneert in zijn vertrouwde omgeving. De rechtbank komt tot de conclusie dat het ernstige nadeel, zoals omschreven in de medische verklaring, op dit moment niet aanwezig lijkt te zijn in de thuissituatie. De SOG heeft tijdens de zitting bevestigt dat er, sinds betrokkene weer thuis is, niet is gebleken van acute/gevaarlijke situaties. Of dit op de langere termijn ook zo zal blijven is op dit moment niet duidelijk, maar dat vindt de rechtbank onvoldoende reden om nu al in te grijpen door middel van een rechterlijke machtiging. Ook speelt mee dat er momenteel geen hulp is in de thuissituatie voor betrokkene. Volgens de SOG en de arts is dit wel tweemaal aangevraagd, maar werd dit afgehouden door betrokkene. Betrokkene geeft op de zitting aan dat hij wel open staat voor hulp. De rechtbank vindt dat daar, gezien de ingrijpendheid van een rechterlijke machtiging, eerst (nogmaals) op ingezet moet worden. Tijdens de zitting is er gesproken over een casemanager NAH. De rechtbank kan zich voorstellen dat dit passend zou kunnen zijn. Mocht toch blijken dat de thuissituatie niet houdbaar is, dan kan er altijd met spoed een rechterlijke machtiging aangevraagd worden. De rechtbank hoopt dat dit niet nodig zal zijn.

4 De beslissing

De rechtbank wijst het verzoek af.

Deze beschikking is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 11 maart 2026 door mr. L.P. de Haas, rechter, in aanwezigheid van mr. I.R.S. Salomé, griffier, en op schrift gesteld op 24 maart 2026.

Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.

Aangehaald in

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.