Uitspraak · Personen- en familierecht
Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 10 juni 2026
ECLI:NL:RBZWB:2026:6247Zaaknummer C/02/447198 / KG ZA 26-195
- Instantie
- Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Datum uitspraak
- 10 juni 2026
- Publicatiedatum
- 17 augustus 2026
- Zaaknummer
- C/02/447198 / KG ZA 26-195
- Rechtsgebied
- Civiel recht, Personen- en familierecht
- Procedure
- Kort geding, Rekestprocedure
- Zittingsplaats
- Middelburg
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Kort geding. Partijafspraken ter zitting. Veroordeling tot nakoming van deze afspraken.
5 De beslissing
De voorzieningenrechter:
veroordeelt partijen tot nakoming van de tussen hen overeengekomen afspraken, zoals opgenomen in rechtsoverweging 4.3. van dit vonnis;
wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd;
bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt;
bepaalt dat de griffier de gecertifceerde instelling Jeugdbescherming west Zeeland te Middelburg een afschrift van dit vonnis zendt.
Dit vonnis is gewezen door mr. Dijkman, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken op 10 juni 2026 in tegenwoordigheid van mr. Boomaars, griffier.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
vonnis
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Middelburg
zaaknummer / rolnummer: C/02/447198 / KG ZA 26-195
Vonnis in kort geding van 10 juni 2026
in de zaak van
[de man],
wonende te [woonplaats 1],
eiser,
advocaat: mr. F.M. Bult te Schinnen,
tegen
[de vrouw],
wonende te [woonplaats 2],
gedaagde,
Partijen zullen hierna de man en de vrouw genoemd worden.
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
- de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg,
hierna te noemen: de Raad, om de voorzieningenrechter over de vorderingen te adviseren.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties;
- de mondelinge behandeling op 27 mei 2026.
De voorzieningenrechter heeft de zaak tijdens de mondelinge behandeling met gesloten deuren behandeld, omdat het belang van de minderjarige en/of de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van partijen dit eiste.
Tijdens de mondelinge behandeling zijn verschenen de man, bijgestaan door zijn advocaat, alsmede de vrouw. Daarnaast is verschenen een vertegenwoordiger van de Raad en een vertegenwoordiger van de gecertificeerde instelling Stichting Jeugdbescherming west Zeeland (hierna: GI).
Op voornoemde mondelinge behandeling is eveneens het verzoek van de Raad tot de ondertoezichtstelling van de minderjarigen in de zaak met kenmerk C/02/447718 / JE RK 26-763 behandeld. In die zaak is bij separate beschikking beslist.
De voorzieningenrechter heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar hun mening gevraagd. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben hierover een gesprek gevoerd met de voorzieningenrechter. Tijdens de zitting heeft de voorzieningenrechter samengevat wat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2 De feiten
Partijen hebben een affectieve relatie gehad, uit welke relatie de navolgende thans nog minderjarige kinderen zijn geboren:
- [minderjarige 1], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2013, hierna: [minderjarige 1],
- [minderjarige 2], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2014, hierna: [minderjarige 2].
De man heeft de minderjarigen erkend.
Partijen zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over de minderjarigen.
Partijen zijn in 2017 een ouderschapsplan overeengekomen, welke bij beschikking van deze rechtbank van 28 maart 2017 (met zaaknummer C/02/321852 / FA RK 16-5939) is aangehecht als onderdeel zijnde van die beschikking, waarin zij – onder meer – hebben opgenomen dat de minderjarigen hun hoofdverblijf hebben bij de vrouw.
Bij beschikking van deze rechtbank van 30 april 2021 (met zaaknummer C/02/365114 / FA RK 19-5708) is, voor zover thans van belang, bepaald dat de beschikking van 28 maart 2017 ten aanzien van de in het daaraan gehechte ouderschapsplan opgenomen verdeling van de zorg- en opvoedingstaken wordt gewijzigd in die zin dat de minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] de ene week van vrijdag uit school op vrijdag tot school bij de man verblijven en de andere week van vrijdag uit school op vrijdag tot school bij de vrouw verblijven, alsmede de helft van de zomervakantie en feestdagen op een in nader overleg tussen partijen te bepalen wijze.
Uit het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 17 december 2025 (in de zaak met zaaknummer C/02/441180 KG ZA 25-554) volgt dat partijen in een vaststellingsovereenkomst onder meer de volgende afspraken hebben gemaakt:
“…2. Beide partijen zijn het eens dat op de kortst mogelijke termijn ouderschapsbemiddeling door [zorginstelling] moet worden ingezet. De vrouw heeft zich inmiddels bij [zorginstelling] hiertoe akkoord verklaard. De man zal dit begin januari 2026 in het met [zorginstelling] geplande gesprek alsnog doen.
…3. Partijen zijn het erover eens dat er op de meest korte termijn contactherstel dient plaats te vinden tussen de minderjarigen en de vrouw. En dat moet worden toegewerkt naar de huidige week op week af regeling…
…5. … c. Vanaf vrijdag 16 januari 2026 waarna de oude regeling geldt…”.
Bij mondelinge uitspraak van 27 mei 2026 is de ondertoezichtstelling over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] uitgesproken, uit te voeren door Jeugdbescherming west Zeeland, met ingang van 27 mei 2026 en tot 27 november 2026, onder aanhouding van het resterende deel van het verzoek van de Raad.
3 Het geschil
De man vordert bij vonnis in kort geding, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
- de vrouw te veroordelen tot nakoming van de zorgregeling, uitgesproken bij beschikking van 30 april 2021, op straffe van een dwangsom van €50,- voor iedere dag of deel van de dag, met een maximum van €500,- als de vrouw zich hier niet aan houdt;
- althans te beslissen zoals de voorzieningenrechter juist en billijk acht.
Door en namens de man is daartoe in de stukken en tijdens de mondelinge behandeling, kort samengevat, het navolgende aangevoerd. De man heeft al vier maanden geen contact meer met de kinderen. De kinderen geven aan dat zij de man missen. Het is daarom belangrijk dat er zo snel mogelijk contact komt, bij voorkeur op de manier zoals het eerst was. De man heeft de kinderen al een lange tijd niet meer gesproken. Vorige week wilde de man het gesprek aangaan met de vrouw, maar zij heeft de telefoon niet opgenomen. Voorts licht de man toe dat hij een wapen aan de muur heeft hangen, hetgeen een erfstuk is van zijn oma. De zus van de man heeft, conform de afspraak, de wapens uit huis gehaald. Er liggen enkel nog messen in de keukenlade. De man heeft ook altijd meegewerkt met Veilig Thuis en is akkoord met het feit dat zijn huisarts door de jeugdbeschermer wordt benaderd om te vragen naar zijn situatie en dat door tussenkomst van de jeugdbeschermer, al dan niet in samenwerking met de politie, zijn woning wordt gechecked op wapens. De man is ook akkoord met het voorstel van de Raad dat zijn netwerk, te weten oma of tante, de fysieke omgang tussen de man en de kinderen begeleidt. Het is goed om wekelijks een dagdeel af te spreken, naast de belmomenten. De voorkeur van de man gaat uit naar dagelijkse belmomenten.
De vrouw voert verweer tegen de vorderingen van de man.
Ter onderbouwing van haar verweer voert de vrouw, kort samengevat, het navolgende aan. De vrouw heeft met de kinderen besproken dat er vandaag een belmoment zal zijn met de man. Deze belmomenten kunnen vaker worden afgesproken. Ze begrijpt dat het volledig afhouden van contact tussen de kinderen en de man niet in het belang is geweest van de kinderen. De vrouw hoopte dat de man daardoor zou inzien dat zijn medewerking aan de gemaakte afspraken noodzakelijk is. Ook wilde de vrouw graag de rust bewaren en maakte zij zich zorgen om de meldingen die er zijn gedaan over de man, zoals het feit dat er wapens in de woning van de man lagen en de manier waarop zijn ex-partner is vertrokken. Het vertrouwen van de vrouw in de man is volledig weg. De vrouw staat wel open voor contactherstel tussen de man en de kinderen, waarbij rekening moet worden gehouden met de hersenbeschadiging en verminderde draagkracht van de man. [minderjarige 2] heeft aangegeven dat zij graag tien dagen bij de vrouw wil verblijven en vier dagen bij de man, omdat ze twee dagen per twee weken te weinig vindt. Dit kan uiteindelijk het doel zijn. De vrouw is akkoord met het voorstel van de Raad dat het netwerk van de man, te weten oma of tante, een rol speelt bij de omgang tussen de man en de kinderen. Het staat de kinderen vrij om tussendoor bij de man langs te gaan, mits er meer vertrouwen is ontstaan en de situatie meer tot rust is gekomen.
Op de overige stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, ingegaan.
4 De beoordeling
Op grond van de gedingstukken en de toelichting door partijen tijdens de mondelinge behandeling staat naar het oordeel van de voorzieningenrechter het spoedeisend belang van de man bij zijn vordering vast.
De Raad heeft tijdens de mondelinge behandeling, kort samengevat, naar voren gebracht dat het goed is als de jeugdbeschermer contact opneemt met de huisarts van de man om navraag te doen naar zijn medicatie en eventuele zorgen. Ook is het belangrijk dat de GI contact opneemt met de politie om te vragen naar zorgen over de situatie van de man, zoals wapens. Daarnaast licht de Raad toe dat het goed is om een belafspraak tussen de man en de kinderen in te plannen, maar er moet zo snel mogelijk ook fysiek contact zijn. Het is belangrijk dat er niet direct overnachtingen plaatsvinden. De Raad stelt daarom voor om wekelijks een dagdeel af te spreken waarop de kinderen omgang zullen hebben met de man, hetgeen zal worden begeleid door iemand uit het netwerk van de man (oma of tante). Tot slot geeft de Raad aan dat het belangrijk is dat er zo snel mogelijk een vaste jeugdbeschermer betrokken wordt, zodat de GI kan beoordelen hoe de omgang tussen de man en de kinderen verder vormgegeven kan worden.
De voorzieningenrechter oordeelt als volgt. Tijdens de mondelinge behandeling zijn partijen, in aanwezigheid van de in het kader van de ondertoezichtstelling betrokken jeugdbeschermer, tot afspraken gekomen. Partijen hebben met elkaar afgesproken dat
- de man er aan meewerkt dat de jeugdbeschermer zicht krijgt op zijn medische situatie door in overleg met de huisarts te kunnen treden;
- de man er aan meewerkt dat de jeugdbeschermer, al dan niet door tussenkomst van de politie, zicht krijgt op mogelijke aanwezigheid van wapens in zijn huis;
- er voorlopig wekelijks op woensdag om 19:15 uur een belmoment zal plaatsvinden tussen de man en de kinderen, waarbij de man de vrouw belt op het telefoonnummer van de vrouw en de vrouw ervoor zorgt dat de kinderen op dat moment klaar zitten.
- de kinderen voorlopig wekelijks op zondagmiddag om 13:00 uur zelfstandig naar de man fietsen voor een omgangsmoment, waarna zij na het avondeten om 19:00 uur weer zelfstandig terug naar de vrouw fietsen. Het netwerk van de man, te weten de oma of tante, zal te allen tijde gedurende dit omgangsmoment bij de man aanwezig zijn.
- de jeugdbeschermer beslist over een verdere opbouw van de zorgregeling, al dan niet met gebruikmaking van de mogelijkheid om een daartoestrekkend verzoek aan de kinderrechter voor te leggen;
- partijen niet met de kinderen spreken over de situatie tussen de ouders en de procedure, alsmede over door de kinderen gedane uitspraken bij Veilig Thuis of bij de rechtbank.
De voorzieningenrechter acht de gemaakte afspraken in het belang van de minderjarigen en zal overeenkomstig de tussen partijen gemaakte afspraken beslissen, in die zin dat partijen zullen worden veroordeeld tot nakoming van de gemaakte afspraken. Het door de man meer of anders gevorderde zal worden afgewezen en de proceskosten zullen worden gecompenseerd
5 De beslissing
De voorzieningenrechter:
veroordeelt partijen tot nakoming van de tussen hen overeengekomen afspraken, zoals opgenomen in rechtsoverweging 4.3. van dit vonnis;
wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd;
bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt;
bepaalt dat de griffier de gecertifceerde instelling Jeugdbescherming west Zeeland te Middelburg een afschrift van dit vonnis zendt.
Dit vonnis is gewezen door mr. Dijkman, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken op 10 juni 2026 in tegenwoordigheid van mr. Boomaars, griffier.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.