Uitspraak · Personen- en familierecht

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 9 juni 2026

ECLI:NL:RBZWB:2026:6216Zaaknummer C/02/436517 FA RK 25-3028

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
9 juni 2026
Publicatiedatum
17 augustus 2026
Zaaknummer
C/02/436517 FA RK 25-3028
Rechtsgebied
Civiel recht, Personen- en familierecht
Procedure
Rekestprocedure, Beschikking
Zittingsplaats
Middelburg
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Combizaak. Verwijzing UHA. Verzoeken ten aanzien van de zorgregeling, hoofdverblijf, inschrijving mjn op BRP-adres en kinderbijdrage. Voorlopige afspraken omtrent de kinderbijdrage.

De rechtbank

bepaalt, uitvoerbaar bij voorraad, onder wijziging van voormelde beschikking van 29 maart 2023 en het daaraan gehechte ouderschapsplan, c.q. vaststellingsovereenkomst voor zover dit ziet op de vakantieregeling (artikel 6), dat de volgende vakantieregeling geldt:

  • de herfstvakantie en de voorjaarsvakantie worden jaarlijks gewisseld;
  • in de meivakantie zijn de minderjarigen in de even jaren de eerste week bij de vrouw en de tweede week bij de man; in de oneven jaren wisselt dat;
  • in de zomervakantie zijn de minderjarigen in de even jaren de eerste drie weken bij de vrouw en de laatste drie weken bij de man; in de oneven jaren wisselt dat;
  • in de kerstvakantie zijn de minderjarigen in de even jaren de eerste week bij de vrouw en de tweede week bij de man; in de oneven jaren wisselt dat;
  • tweede kerstdag gaan de minderjarigen naar de andere ouder dan waar ze op dat moment verblijven, 26 december 11.00 uur tot 27 december 11.00 uur;
  • nieuwjaarsdag blijven de minderjarigen waar ze op dat moment verblijven volgens de vakantieregeling;

waarbij tijdens de vakanties telefonisch contact zal plaatsvinden met de ouder waar de minderjarigen op dat moment niet verblijven, eenmaal per week op de woensdag;

verwijst ouders en hun minderjarige kind(eren) voor een (jeugd)hulptraject ten behoeve van de hierboven genoemde resultaten naar het loket van de samenwerkende gemeenten in de regio [plaats 3]. Het loket zal ouders en kind(eren) vervolgens via de toegang van de woonplaatsgemeente van de minderjarige(n) verwijzen naar de zorgaanbieder;

verzoekt het loket om uiterlijk op de familiekamerrol van 8 december 2026 of zoveel eerder als mogelijk is, de UHA rapportage over het verloop en de resultaten van het (jeugd)hulpverleningstraject bij de griffie van de rechtbank in te dienen;

verzoekt het loket, wanneer het traject niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat, de UHA rapportage ook direct toe te sturen aan de Raad;

verzoekt de Raad binnen veertien dagen na binnenkomst van de UHA rapportage de rechtbank te informeren of hij aanleiding ziet een onderzoek of interventie te starten;

verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg wanneer het (jeugd)hulptraject niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat, dan wel als de Raad daartoe zelf aanleiding ziet, een onderzoek in te stellen ter beantwoording van de in rechtsoverweging 4.17. vermelde vragen en daarover te rapporteren en te adviseren;

verzoekt de Raad zijn rapport en advies binnen vier maanden nadat de Raad de rechtbank heeft laten weten dat een onderzoek of interventie zal worden verricht bij de rechtbank in te dienen;

wijst af de door de man verzochte voorlopige zorgregeling;

houdt aan de beslissing op de verzoeken met betrekking tot het hoofdverblijf en de inschrijving in het BRP, de zorgregeling en de kinderbijdrage.

.

Deze beschikking is gegeven door mr. Oomes, rechter, tevens kinderrechter, en, in tegenwoordigheid van mr. Krijger-de Keuning, griffier, in het openbaar uitgesproken op 9 juni 2026.

Mededeling van de griffier:

Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:

  • door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het

gerechtshof ’s-Hertogenbosch.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 2 De feiten
  2. 3 De verzoeken
  3. 4 De beoordeling
  4. 5 De beslissing

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team Familie- en Jeugdrecht

Middelburg

Zaaknummer: C/02/436517 FA RK 25-3028

beschikking van 9 juni 2026

in de zaak van

[de vrouw],

wonende te [plaats 1],

hierna te noemen de vrouw,

advocaat mr. E. Sijnesael te Middelburg,

en

[de man],

wonende te [plaats 2],

hierna te noemen de man,

advocaat mr. C.G.M. Baas te Bergen op Zoom.

Op grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, locatie Middelburg, (hierna: de Raad), de rechtbank over de verzoeken geadviseerd.

1 Het procesverloop

1.1 Dit blijkt uit de volgende stukken:

- het op 13 mei 2026 ontvangen verzoekschrift met bijlagen;

- het op 29 april 2026 ontvangen verweerschrift met bijlagen;

- het F9-formulier van 11 mei 2026 van mr. Baas met bijlage;

- de brief van 11 mei 2026 van mr. Sijnesael met bijlagen.

1.2 De zaak is behandeld op de mondelinge behandeling van 18 mei 2026. Bij die gelegenheid zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaat. Tevens was aanwezig een vertegenwoordiger van de Raad.

1.3 Na te noemen minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn gelet op hun leeftijd in staat gesteld hun mening kenbaar te maken tijdens een zogenoemd kindgesprek. Zij hebben op 12 mei 2026 een gesprek met een rechter gevoerd. De rechter heeft tijdens de zitting samengevat wat de kinderen naar voren hebben gebracht en partijen zijn in de gelegenheid gesteld om daarop te reageren.

2 De feiten

2.1

Partijen hebben een geregistreerd partnerschap gehad van 15 maart 2011 tot 4 april 2023. Bij de beschikking tot ontbinding van het geregistreerd partnerschap van 29 maart 2023 is bepaald dat het aangehechte convenant en ouderschapsplan deel uitmaken van de beschikking.

2.2.

Uit hun geregistreerd partnerschap zijn de volgende minderjarige kinderen geboren:

- [minderjarige 1] (hierna: [minderjarige 1] ), geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 2014;

- [minderjarige 2] (hierna: [minderjarige 2] ), geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 2] 2016;

- [minderjarige 3] (hierna: [minderjarige 3] ), geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedag 3] 2020.

2.3.

Ingevolge voormeld ouderschapsplan (c.q. de vaststellingsovereenkomst) geldt een

co-ouderschap. [minderjarige 3] en [minderjarige 1] zijn in de BRP bij de vrouw ingeschreven en [minderjarige 2] bij de man (artikel 4.1). Verder is in het ouderschapsplan (c.q. de vaststellingsovereenkomst) een zorgregeling opgenomen waarbij de kinderen om de twee dagen (nachten) bij de man en de vrouw verblijven, conform hun werkroosters. Daarbij plannen ouders de contactregeling iedere drie maanden van tevoren in, vanwege het bekend maken van de werkroosters bij de werkgever op dat moment (artikel 5.2). Daarbij is ook opgenomen een regeling omtrent de vakanties, feestdagen en andere vrije dagen (artikel 6).

2.4.

Omtrent de kinderalimentatie hebben partijen in het ouderschapsplan c.q. de vaststellingsovereenkomst, voor zover hier van belang, de navolgende afspraken gemaakt:

“11.2. Kinderalimentatie - hoogte en aanvang

De ouders komen overeen dat de vader maandelijks bij vooruitbetaling een totaalbedrag van € 330,= betaalt voor de 3 kinderen aan de moeder. Dat betekent een bedrag van € 110,= per kind. Hij stort dit bedrag iedere maand op een door de moeder aan te geven rekeningnummer. De betaling van de kinderalimentatie vangt aan per 1 maart 2023.

Deze alimentatie zal zijn onderworpen aan de wettelijke indexering als bedoeld in artikel 1:402a BW, voor het eerst per 1 januari 2024.

(..)

De ouders komen overeen, indien de kosten van de kinderalimentatie, kosten-overstijgend zijn, dat zij deze kosten naar rato van het netto besteedbaar inkomen aanvullen voor de kinderen, naast de kinderalimentatie. De kosten kunnen studie- of hobby-gerelateerd zijn, maar ook een rijbewijs voor de kinderen horen hierbij. De ouders verplichten zich op dat moment inzicht te geven in ieders salarisstrook.

11.3

Kinderbijslag en kindgebonden budget

De moeder en vader ontvangen het kindgebonden budget en kinderbijslag ten behoeve van de kinderen en zij zullen het kindgebonden budget behouden ter dekking van de kosten van zorg en levensonderhoud voor de kinderen. De kinderbijslag zal per 3 maanden worden doorgestort naar de ‘spaarrekening kinderen’, zoals genoemd in artikel 11.5.

Ter betaling van de kinderkosten openen partijen een nieuwe e/o rekening op beide namen, deze wordt beheerd door beide partijen. Partijen zullen de kinderbijslag doorstorten naar de ‘spaarrekening kinderen’, zoals genoemd in artikel 11.5.

(…)

11.5

Spaarrekening kinderen

(..) Ter betaling van de kinderkosten zullen de ouders een nieuwe e/o rekening openen op beide namen. Deze ‘spaarrekening kinderen’ kent géén kredietfaciliteit. De rekening wordt beheerd door de moeder en vader. De vader en moeder hebben inzicht in de rekening middels internetbankieren.

De moeder en vader zullen de kinderbijslag van de kinderen doorstorten naar de ‘spaarrekening kinderen’. Deze rekening wordt door de ouders gebruikt voor kosten overstijgende zaken omtrent de kinderen. Dit betekent dat de ouders een uitgave boven de € 110,= voor de kinderen of één van de kinderen, uit de ‘spaarrekening kinderen’ betalen.

Mocht de ‘spaarrekening kinderen’ niet toereikend zijn, zullen de ouders de rekening aanvullen, naar rato van het netto besteedbaar inkomen, zoals genoemd in artikel 11.2.”

3 De verzoeken

3.1.

De vrouw verzoekt, bij beschikking voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, met wijziging van de beschikking van 3 april 2023:

  • met wijziging van artikel 4.1 van de vaststellingsovereenkomst, te bepalen dat [minderjarige 2] met ingang van de datum van de beschikking op het adres van de vrouw staat ingeschreven;
  • met wijziging van artikel 5.2 en artikel 6.1 tot en met 6.4 en artikel 6.8, te bepalen dat:
  • de kinderen drie achtereenvolgende nachten bij de man en vervolgens drie achtereenvolgende nachten bij de vrouw verblijven met een wisseltijd om 16.00 uur;
  • voorjaarsvakantie: de kinderen zijn bij de man;
  • meivakantie: in de even jaren zijn de kinderen de eerste week bij de vrouw en de tweede bij de man. In de oneven jaren wisselt dat;
  • zomervakantie: in de even jaren zijn de kinderen de eerste drie weken bij de vrouw en de laatste drie weken bij de man. In de oneven jaren wisselt dat;
  • herfstvakantie: de kinderen zijn bij de vrouw;
  • kerstvakantie: in de even jaren zijn de kinderen in de eerste week bij de vrouw en de tweede week bij de man. In de oneven jaren wisselt dat;

De kinderen vieren de even jaren Tweede Kerstdag bij de man en in de oneven jaren bij de vrouw. Zij verblijven dan van 26 december 16.00 uur tot en met 27 december 16.00 uur bij die ouder. Op nieuwjaarsdag verblijven de kinderen vanaf 16.00 uur in de even jaren bij de vrouw en in de oneven jaren bij de man tot 2 januari 16.00 uur;

 in de vakanties hebben de kinderen telefonisch contact met de ouder waar zij op dat moment niet verblijven, namelijk op iedere zaterdag en woensdag. De kinderen en de andere ouder moeten op die dagen daadwerkelijk de kinderen kunnen spreken. Een poging tot contact is onvoldoende;

  • met wijziging van artikel 11, de man te veroordelen tot het voldoen van een bedrag van € 200,= per kind per maand aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen, bij vooruitbetaling te voldoen;
  • de man te veroordelen tot het voldoen van een bedrag van € 2.886,63 vermeerderd met de wettelijke rente over genoemd bedrag vanaf 19 september 2024 tot de dag van de algehele voldoening op de gezamenlijke spaarrekening op naam van ouders met bankrekeningnummer [iban].
3.2.

De man verzoekt, bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad, met wijziging van de

beschikking van 3 april 2023 en de vaststellingsovereenkomst:

  • te bepalen dat de kinderen hun hoofdverblijf bij de man hebben;
  • te bepalen dat de kinderen worden ingeschreven op het adres van de man;
  • te bepalen dat er een zorgregeling zal gelden waarbij de kinderen vier achtereenvolgende nachten bij de man verblijven en vervolgens twee achtereenvolgende nachten bij de vrouw;
  • te bepalen dat de vakanties verdeeld worden zoals vermeld in punt 7 van dit verweerschrift tevens zelfstandig verzoek;
  • te bepalen dat de vrouw een bedrag aan kinderalimentatie dient te voldoen van € 350,= per maand per kind, met ingang van de datum beschikking, althans een bijdrage en ingangsdatum als de rechtbank juist acht.

4 De beoordeling

Standpunten partijen en advies van de Raad ten aanzien van de zorgregeling

4.1.

De vrouw voert ter onderbouwing van haar verzoek ten aanzien van de zorgregeling het volgende aan. Sinds anderhalf jaar verblijven de minderjarigen nu drie nachten bij de ene ouder en vervolgens drie nachten bij de andere ouder. Deze overeengekomen zorgregeling wil de vrouw vastgelegd hebben. Daarop komt de man met zijn verzoek om de zorgregeling te wijzigen, aldus dat de minderjarigen vier nachten bij de man verblijven en vervolgens twee nachten bij de vrouw. De vrouw stelt dat de man niet ontvankelijk is in zijn verzoek nu hij niet echt wijzigingsgronden ten opzichte van de drie om drie regeling heeft aangevoerd. Indien de rechtbank de man ontvankelijk verklaart in zijn verzoek, dient dit te worden afgewezen. De man stelt dat de minderjarigen een wijziging in de regeling wensen zoals hij die nu vraagt, maar de vrouw ziet dat anders. De man heeft een andere opvoedstijl en de minderjarigen hebben last van de scheidingssituatie. Dat is geen reden voor een andere regeling. Dat de minderjarigen niet veilig zijn bij de vrouw ontkent zij. Het loopt goed bij de vrouw. De minderjarigen hebben een goede band met haar en de vrouw ondersteunt hen bij het opgroeien tot volwassenen. De vrouw wil beter communiceren met de man. Zoals het nu verloopt, gaat het niet langer. Zij wijst daarbij op de vele mailberichten die de man aan haar stuurde met kritiek op de wijze waarop het bij haar thuis gaat. Ook wilde de man haar aanspreken bij de overdracht van de minderjarigen en hij liep dan mee naar de auto om een reactie uit te lokken. De vrouw stelt dat zij het in de ogen van de man nooit goed kan doen. De vrouw wil over de minderjarigen communiceren met een schriftje, hetgeen de man niet wil. De vrouw heeft zich voor hulpverlening gewend tot ‘ [hulpverlening] ’. De vrouw wil het liefst dat partijen los van elkaar hulp krijgen. Tijdens de zitting heeft de vrouw aangegeven mee te willen werken aan hulpverlening via het Uniform Hulpaanbod (UHA). De vrouw wil dat tijdens het UHA-traject de zorgregeling die nu loopt, door blijft lopen. Dit traject moet worden afgewacht om te bezien of het verzoek van de man nog aan de orde kan zijn. De insteek voor hulpverlening voor [minderjarige 2] en [minderjarige 1] door de psycholoog is niet gelegen in de conflicten tussen partijen maar is om reden dat de kinderen sociaal niet ontwikkeld zijn.

4.2.

De man voert ter onderbouwing van zijn verzoek ten aanzien van de zorgregeling het volgende aan. Er is meer aan de hand dan alleen het verschil in opvoedstijlen tussen partijen. De minderjarigen geven bij hem aan dat zij liever meer bij hem zijn. De communicatie tussen partijen is slecht en daar hebben de minderjarigen last van. Partijen zijn goed uit elkaar gegaan. Toen de nieuwe partner van de vrouw in beeld kwam is het misgegaan. Zij bemoeit zich met de opvoeding van de minderjarigen. De man wil met de vrouw communiceren maar dat wil de vrouw niet. De man maakt zich zorgen over de minderjarigen nu zij met zorgelijke verhalen over de thuissituatie bij de vrouw bij hem komen. De zorgen waar de minderjarigen mee kwamen werden steeds groter en daarin zit de wijziging van omstandigheden. Zo worden de minderjarigen bij de vrouw thuis gekleineerd, mag de oudste niet naar het toilet gaan ’s nachts en heeft de vrouw [minderjarige 2] zonder overleg met de man van voetbalclub laten wisselen. Het is nodig dat partijen voor hulpverlening naar het UHA worden verwezen, aangezien ‘ [hulpverlening] ’ vrijwillig is. De man wil dat gedurende het UHA-traject de zorgregeling die hij nu verzoekt voorlopig gaat gelden.

4.3.

Namens de Raad is tijdens de zitting het volgende aangegeven. De Raad wijst op loyaliteitsproblematiek, die wordt zwaar kan worden onderschat. De Raad heeft grote zorgen. De minderjarigen zitten in een cruciale leeftijdsfase. Ouders moeten het anders gaan doen. Zij hebben deze overtuiging ook allebei maar zij zijn het niet eens over de wijze waarop. Waar de vrouw stelt dat partijen los van elkaar hulp moeten krijgen moet het anders. De man kan de verhalen van de minderjarigen niet zomaar voor waar aannemen en hij dient daarover niet op een verwijtende manier met de vrouw in gesprek te gaan. Er gaat veel negativiteit uit van het verweerschrift van de man. De hulpverlening kan partijen daarbij helpen. De man wordt voor nu geadviseerd om de verhalen aan te horen en de minderjarigen te troosten, niets te bevestigen en de minderjarigen te vertellen dat ouders beter gaan leren praten en dat hij het, samen met iemand anders, met de vrouw zal bespreken. De UHA-hulpverlening is niet geheel vrijblijvend; het voorwaardelijk Raadsonderzoek is een stok achter de deur. Als ‘ [hulpverlening] ’ niet in de wachtstand staat, zou daarmee kunnen worden gestart. Kind in Scheiding Zeeland (Kisz) zal partijen dan waarschijnlijk naar ‘ [hulpverlening] ’ doorsturen. Partijen moeten kritisch naar zichzelf gaan kijken. De minderjarigen moeten over een brug van de ene naar de andere ouder kunnen bewegen en die brug is er nu niet zodat de minderjarigen kunnen verdrinken. De Raad adviseert om nu geen wijziging in de zorgregeling aan te brengen, dat is voor nu niet in het belang van de minderjarigen omdat daarmee het probleem dat er is voor hen niet wordt opgelost. De overdracht blijft voor de minderjarigen in de door de man verzochte voorlopige regeling net zo moeilijk. Partijen dienen eerst aan de slag te gaan met de hulpverlening zodat de regeling die er nu is beter gaat lopen.

Zorgregeling, hoofdverblijf en inschrijving BRP minderjarigen

4.4.

Ingevolge artikel 1:253a lid 4 BW in samenhang met artikel 1:377e BW kan de rechter op verzoek van de ouders of een van hen een beslissing inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag alsmede een door de ouders onderling getroffen regeling daarover wijzigen op de grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Deze gewijzigde regeling kan, zoals in dit geval, omvatten:

a. een toedeling aan ieder der ouders van de zorg- en opvoedingstaken;

b. de beslissing bij welke ouder het kind zijn hoofdverblijfplaats heeft.

De rechtbank neemt dan een beslissing die zij in het belang van de minderjarigen acht.

Nu vaststaat dat de minderjarigen niet meer bij partijen verblijven conform de in het ouderschapsplan opgenomen zorgregeling en beide partijen nu ieder een andere zorgregeling verzoeken, is naar het oordeel van de rechtbank sprake van een wijziging van omstandigheden zodat partijen ontvankelijk zijn in hun verzoeken hieromtrent.

4.5.

De rechter moet eerst bekijken of de ouders met elkaar afspraken kunnen maken (artikel 1:253a lid 5 BW).

Uniform Hulpaanbod

4.6.

Er zijn zorgen over de minderjarigen. Gebleken is dat ouders andere opvoedstijlen hebben, dat zij niet communiceren en dat het hen niet lukt om samen de problemen tussen hen op te lossen. De vrouw geeft aan dat zij niet samen met de man rond de tafel wil, hetgeen voort komt uit een gebrek aan vertrouwen in de man. Zij wijst daarbij op de dwingende en bepalende houding van de man. De man heeft zorgen over de minderjarigen omdat zij bij hem thuis komen met zorgelijke verhalen over de thuissituatie bij de vrouw. Hij heeft daarvan enkele voorbeelden genoemd en hij wil dat daarin verandering komt. Zoals de Raad ook tijdens de zitting heeft aangegeven, dient de vrouw zich open te gaan stellen voor verschillende (door de hulpverlening aangereikte) mogelijkheden om tot een verbetering van de verstandhouding met de man te komen en dient de man op een andere manier om te leren gaan met en te handelen naar de zorgen die hij heeft ten aanzien van de vrouw. Daarbij hebben partijen hulpverlening nodig. Voorts dient met de hulpverlening te worden gesproken over de rol van de nieuwe partner van de vrouw in het leven van de minderjarigen.

4.7.

Gelet op het vorenstaande is de rechtbank, net als de Raad, van oordeel dat de problematiek van partijen dringend vraagt om de inzet van een passend (jeugd)hulpverleningstraject bij een zorgaanbieder. Ouders hebben tijdens de mondelinge behandeling ermee ingestemd dat de rechtbank hen voor (jeugd)hulpverlening verwijst naar het loket van de samenwerkende gemeenten in de regio [plaats 3]. De verwijzing heeft reeds plaatsgevonden met het verzenden van het verwijzingsformulier naar het loket. Deze beschikking geldt als bevestiging dat ouders met de doorverwijzing en de voorwaarden hebben ingestemd.

4.8.

De rechtbank wijst het loket er volledigheidshalve op dat partijen, zo ter zitting is gebleken, inmiddels zijn gestart met hulpverlening van ‘ [hulpverlening] ’. Nu de rechtbank het van belang acht dat op korte termijn met hulpverlening in het kader van het UHA wordt gestart, acht de rechtbank het raadzaam dat de al ingezette hulpverlening bij “ [hulpverlening] ” zo mogelijk wordt voortgezet in het kader van het UHA.

4.9.

Met partijen is, in verband met de wens van de vrouw om afzonderlijk van de man hulp te krijgen, ter zitting besproken dat het aan de hulpverlenende instanties is om te bepalen of met partijen (eerst) afzonderlijk of gelijktijdig het gesprek wordt aangegaan en dat het mogelijk is dat de hulpverlening aan partijen afzonderlijk van elkaar begint, maar mogelijk in een later stadium kan veranderen.

4.10.

Met de inzet van het (jeugd)hulptraject gaan de ouders, zo is met hen afgesproken, in ieder geval werken aan het behalen van de volgende resultaten: - de ouders hebben inzicht in de (psychologische) gevolgen van de scheiding voor het kind; - het kind heeft een stem in het scheidingsproces, voelt zich gehoord en gesteund.

4.11.

Gebleken is dat ouders daarnaast ook op andere onderdelen hulp en ondersteuning nodig hebben. Daarom heeft de rechter na overleg met de ouders besloten dat zij samen met een zorgaanbieder ook gaan werken aan het behalen van het (de) volgende resultaten:- de (gezagdragende) ouders zorgen voor afspraken en beslissingen die in het belang zijn van het kind; (keuze: lichte interventie);- het kind en de (gezagdragende) ouders hebben onbelast contact met elkaar;- er is inzicht in de mogelijkheden/belemmeringen van beide ouders en de hulp die nodig is om een stabiele opvoedsituatie voor het kind te realiseren (binnen de scheidingssituatie);- de nieuwe gezinssituaties zorgen gezamenlijk voor een goede basis voor de ontwikkeling van het kind.

4.12.

De resultaten heeft de rechtbank ook vastgelegd in een resultatenlijst. Deze lijst is bij deze beschikking gevoegd (bijlage 1).

4.13.

Na afloop van het (jeugd)hulpverleningstraject maakt de zorgaanbieder een rapportage op over het verloop en het resultaat van het traject. Deze rapportage wordt als bijlage bij het door de gemeente/toegang op te maken rapport gevoegd. De rechtbank verzoekt het loket om de volledige UHA rapportage uiterlijk op na te noemen pro forma datum (16 februari 2027) of zoveel eerder als mogelijk is, bij de rechtbank in te dienen.

4.14.

Als de hulp heeft geleid tot een positief resultaat, stelt de rechtbank ouders (en hun advocaten) in de gelegenheid zich binnen twee weken na ontvangst van de eindrapportage uit te laten of een mondelinge behandeling nodig is. De advocaten maken in hun reactie kenbaar wat het resultaat van de hulpverlening betekent voor de verzoeken met betrekking tot de kinderen, waaronder gelet op de rechtsoverwegingen 4.25. en 4.26., de verzoeken ten aanzien van de kinderbijdrage.

4.15.

Als de hulp niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat verzoekt de rechtbank het loket de volledige UHA rapportage ook direct toe te sturen aan de Raad. De Raad toetst en beoordeelt dan of een onderzoek of interventie zal worden verricht. De Raad informeert de rechtbank binnen twee weken na ontvangst van de eindrapportage of er aanleiding is een onderzoek of interventie te starten.

4.16.

Wanneer de Raad geen aanleiding ziet voor een onderzoek of interventie, maar op grond van de UHA rapportage direct een advies kan geven, stelt de rechtbank ouders (en hun advocaten) in de gelegenheid zich over dit advies, alsmede over het verdere procesverloop uit te laten.

4.17.

Wanneer de Raad een onderzoek wel noodzakelijk vindt, dan verzoekt de rechtbank de Raad dit onderzoek te verrichten en daarover bij de rechtbank een rapport en advies in te dienen ter beantwoording van de volgende vragen:

- in hoeverre komt een wijziging van de zorgregeling door de ouders tegemoet aan de

belangen van de minderjarigen?

- in hoeverre komt een wijziging van de hoofdverblijfplaats, conform het verzoek van

de man, tegemoet aan de belangen van de minderjarigen?

- welke andere feiten en/of omstandigheden die uit het onderzoek naar voren zijn gekomen, zijn niet in voorgaande vragen aan de orde gesteld en zijn wel van belang om te vermelden?

4.18.

Deze beschikking is een verzoek aan de Raad om dit onderzoek te verrichten, indien het traject niet is gestart of niet positief wordt afgesloten én de Raad dat onderzoek noodzakelijk acht.

4.19.

Na een onderzoek of interventie van de Raad stelt de rechtbank ouders (en hun advocaten) in de gelegenheid op de rapportage van de Raad te reageren en zich uit te laten over het verdere procesverloop.

4.20.

De ouders zijn tijdens de mondelinge behandeling geïnformeerd over de privacy aspecten van de doorverwijzing (bijlage 2). Zij hebben met het delen van de privacy gegevens en de voorwaarden waaronder de verwijzing plaatsvindt ingestemd.

4.21.

Omdat ouders in de gelegenheid worden gesteld deel te nemen aan het (jeugd)hulpverleningstraject beslist de rechtbank nu niet op de verzoeken met betrekking tot de zorgregeling, het hoofdverblijf en de inschrijving in het BRP, maar houdt zij de beslissing daarover (anders dan in het verwijzingsformulier is aangegeven) aan tot 8 december 2026. Op verzoek van het loket en/of de gemeente/toegang kan de rechtbank deze termijn verlengen. Dit verzoek moet gemotiveerd worden gedaan. Als de verlenging wordt toegestaan dan geeft de rechtbank een nieuwe pro forma datum door.

Voorlopige zorgregeling

4.22.

De vrouw heeft tijdens de zitting aangegeven dat zij wil dat tijdens het UHA-traject de zorgregeling waar partijen nu feitelijk uitvoering aan geven door blijft lopen. De man vraagt om gedurende het UHA-traject de zorgregeling die hij verzoekt als voorlopige regeling vast te leggen. De rechtbank volgt dat verzoek van de man nu niet. Met de Raad is de rechtbank van oordeel dat het, voorlopig, vastleggen van de door de man verzochte regeling de problematiek tussen partijen niet oplost en overigens wordt ook onvoldoende aanleiding gezien om de huidige feitelijke zorgregeling nu, al dan niet voorlopig, te wijzigen vooruitlopend op de resultaten die in het UHA-traject behaald kunnen worden. Partijen dienen zich nu met de hulpverlening in het kader van het UHA in te zetten om in onderling overleg te komen tot een zorgregeling, in het belang van de minderjarigen. De beslissing op de definitieve zorgregeling wordt aangehouden. Dit betekent dat gedurende het hulpverleningstraject de zorgregeling waar partijen feitelijk uitvoering aan geven, waarbij de minderjarigen drie nachten bij de vrouw en vervolgens drie nachten bij de man verblijven, voor nu gehandhaafd blijft.

Vakantieregeling en telefonisch contact tijdens de vakanties

4.23.

Tijdens de zitting heeft de vrouw ingestemd met de door de man verzochte vakantieregeling. Deze regeling luidt als volgt:

  • de herfstvakantie en voorjaarsvakantie worden jaarlijks gewisseld;
  • in de meivakantie zijn de minderjarigen in de even jaren de eerste week bij de vrouw en de tweede week bij de man; in de oneven jaren wisselt dat;
  • in de zomervakantie zijn de minderjarigen in de even jaren de eerste drie weken bij de vrouw en de laatste drie weken bij de man; in de oneven jaren wisselt dat;
  • in de kerstvakantie zijn de minderjarigen in de even jaren de eerste week bij de vrouw en de tweede week bij de man; in de oneven jaren wisselt dat;
  • tweede kerstdag gaan de minderjarigen naar de andere ouder dan waar ze op dat moment verblijven, 26 december 11.00 uur tot 27 december 11.00 uur;
  • nieuwjaarsdag blijven de minderjarigen waar ze op dat moment verblijven volgens de vakantieregeling.

Verder zijn partijen het tijdens de zitting eens geworden over het telefonisch contact tijdens de vakanties met de ouder waar zij op dat moment niet verblijven in die zin dat dit eenmaal per week op de woensdag zal plaatsvinden.

Nu partijen het over deze regeling eens zijn en zij deze regeling als definitieve regeling vastgelegd willen hebben, zal de rechtbank conform de overeenstemming beslissen en de verzoeken van partijen over de vakantieregeling in zoverre toewijzen.

Afspraken tussen partijen met betrekking tot verzoek in andere zaak

4.24.

Tijdens de zitting hebben partijen voorts afspraken gemaakt over de tussen hen aanhangige zaak waarin de vrouw een verzoek heeft gedaan om vervangende toestemming voor behandeling van een psycholoog voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2]. De man heeft toegezegd zijn toestemming te verlenen en de vrouw heeft aangegeven dat zij op het moment dat de man zijn toestemming verleend heeft, haar verzoek zal intrekken.

Kinderbijdrage

4.25.

Tijdens de zitting zijn de verzoeken en standpunten van partijen met betrekking tot de kinderbijdrage besproken. Vervolgens is de mondelinge behandeling onderbroken om partijen en hun advocaten in de gelegenheid te stellen in onderling overleg tot afspraken te komen. Na hervatting van de mondelinge behandeling hebben partijen te kennen gegeven dat zij de regeling uit de vaststellingsovereenkomst voorlopig willen voortzetten en dat zij hierover (werk)afspraken hebben gemaakt en dit onderwerp mee zullen nemen ter bespreking in het kader van het UHA, teneinde in onderling overleg te komen tot een definitieve regeling. Zij hebben de navolgende afspraken gemaakt:

  • de man stort het – tussen partijen niet ter discussie staande – bedrag van € 2.866,63, terug op de “spaarrekening van de kinderen”;
  • de vrouw gaat vanaf heden (net als de man) ook de kinderbijslag weer storten op voornoemde rekening;
  • de man gaat vanaf heden weer de kinderbijdrage van € 110,= per minderjarige per maand, inclusief indexering, aan de vrouw betalen;
  • de vrouw betaalt middels de bijdrage die de man aan haar betaalt de kleding voor alle minderjarigen en alle verblijfsoverstijgende kosten worden van voornoemde rekening voldaan;
  • partijen storten, nu de rekening vaak niet toereikend is, maandelijks 5% van hun salaris op voornoemde rekening.
4.26.

De rechtbank zal, gelet op voornoemde overeenstemming, de zaak ten aanzien van de kinderbijdrage, eveneens in afwachting van de uitkomst van de hulpverlening in het kader van het UHA, aanhouden tot de familiekamerrol van dinsdag 8 december 2026.

4.27.

Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

5 De beslissing

De rechtbank

bepaalt, uitvoerbaar bij voorraad, onder wijziging van voormelde beschikking van 29 maart 2023 en het daaraan gehechte ouderschapsplan, c.q. vaststellingsovereenkomst voor zover dit ziet op de vakantieregeling (artikel 6), dat de volgende vakantieregeling geldt:

  • de herfstvakantie en de voorjaarsvakantie worden jaarlijks gewisseld;
  • in de meivakantie zijn de minderjarigen in de even jaren de eerste week bij de vrouw en de tweede week bij de man; in de oneven jaren wisselt dat;
  • in de zomervakantie zijn de minderjarigen in de even jaren de eerste drie weken bij de vrouw en de laatste drie weken bij de man; in de oneven jaren wisselt dat;
  • in de kerstvakantie zijn de minderjarigen in de even jaren de eerste week bij de vrouw en de tweede week bij de man; in de oneven jaren wisselt dat;
  • tweede kerstdag gaan de minderjarigen naar de andere ouder dan waar ze op dat moment verblijven, 26 december 11.00 uur tot 27 december 11.00 uur;
  • nieuwjaarsdag blijven de minderjarigen waar ze op dat moment verblijven volgens de vakantieregeling;

waarbij tijdens de vakanties telefonisch contact zal plaatsvinden met de ouder waar de minderjarigen op dat moment niet verblijven, eenmaal per week op de woensdag;

verwijst ouders en hun minderjarige kind(eren) voor een (jeugd)hulptraject ten behoeve van de hierboven genoemde resultaten naar het loket van de samenwerkende gemeenten in de regio [plaats 3]. Het loket zal ouders en kind(eren) vervolgens via de toegang van de woonplaatsgemeente van de minderjarige(n) verwijzen naar de zorgaanbieder;

verzoekt het loket om uiterlijk op de familiekamerrol van 8 december 2026 of zoveel eerder als mogelijk is, de UHA rapportage over het verloop en de resultaten van het (jeugd)hulpverleningstraject bij de griffie van de rechtbank in te dienen;

verzoekt het loket, wanneer het traject niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat, de UHA rapportage ook direct toe te sturen aan de Raad;

verzoekt de Raad binnen veertien dagen na binnenkomst van de UHA rapportage de rechtbank te informeren of hij aanleiding ziet een onderzoek of interventie te starten;

verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg wanneer het (jeugd)hulptraject niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat, dan wel als de Raad daartoe zelf aanleiding ziet, een onderzoek in te stellen ter beantwoording van de in rechtsoverweging 4.17. vermelde vragen en daarover te rapporteren en te adviseren;

verzoekt de Raad zijn rapport en advies binnen vier maanden nadat de Raad de rechtbank heeft laten weten dat een onderzoek of interventie zal worden verricht bij de rechtbank in te dienen;

wijst af de door de man verzochte voorlopige zorgregeling;

houdt aan de beslissing op de verzoeken met betrekking tot het hoofdverblijf en de inschrijving in het BRP, de zorgregeling en de kinderbijdrage.

.

Deze beschikking is gegeven door mr. Oomes, rechter, tevens kinderrechter, en, in tegenwoordigheid van mr. Krijger-de Keuning, griffier, in het openbaar uitgesproken op 9 juni 2026.

Mededeling van de griffier:

Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:

  • door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het

gerechtshof ’s-Hertogenbosch.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.