Uitspraak · Personen- en familierecht
Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 9 juni 2026
ECLI:NL:RBZWB:2026:6207Zaaknummer C/02/415825 / FA RK 23-5262
- Instantie
- Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Datum uitspraak
- 9 juni 2026
- Publicatiedatum
- 17 augustus 2026
- Zaaknummer
- C/02/415825 / FA RK 23-5262
- Rechtsgebied
- Civiel recht, Personen- en familierecht
- Procedure
- Rekestprocedure, Beschikking
- Zittingsplaats
- Middelburg
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Echtscheiding niet uitgesproken, andere verzoeken wel
De rechtbank
bepaalt dat de vrouw alleen het gezag uitoefent over de kinderen:
- [minderjarige 1], geboren op [geboortedag 1] 2012 te [geboorteplaats], Roemenië,
- [minderjarige 2], geboren op [geboortedag 2] 2014 te [geboorteplaats], Roemenië;
verklaart de beslissing met betrekking het eenhoofdig gezag uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders verzochte.
| Deze beschikking is gegeven door mr. De Beer, rechter en tevens kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. Brouwer op 9 juni 2026. |
| Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.. |
Volledige tekst
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Middelburg
zaaknummer / rekestnummer: C/02/415825 / FA RK 23-5262
beschikking d.d. 9 juni 2026
in de zaak van
[naam vrouw], voor het huwelijk genaamd [de vrouw],
wonende te [woonplaats 1],
hierna te noemen de vrouw,
advocaat mr. J.J.R. Albicher te Roosendaal,
en
[de man],
wonende te [woonplaats 2],
hierna te noemen de man,
advocaat mr. J.L. Küppers-van Duivenbooden te Breda.
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
- de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, locatie Middelburg,
hierna te noemen: de Raad.
1 De procedure
1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de(tussen)beschikking van 4 juli 2025;
- het rapport van de Raad d.d. 13 maart 2026;
- een F-formulier van mr. Albicher d.d. 28 april 2026;
- een F-formulier van mr. Küppers-van Duivenbooden d.d. 28 april 2026.
1.2 Op verzoek van partijen heeft geen nadere mondelinge behandelingplaatsgevonden.
2 De verdere beoordeling
Bij (tussen)beschikking d.d. 4 juli 2025 heeft de rechtbank zich onbevoegd verklaard ten aanzien van het echtscheidingsverzoek, bepaald dat de minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hun hoofdverblijf hebben bij de vrouw, een kinderbijdrage ten laste van de man vastgesteld van € 260,= per maand per kind met ingang van 10 november 2023 en de verzoeken tot verdeling van de huwelijksgemeenschap afgewezen.
De rechtbank heeft daarnaast verzocht aan de Raad een onderzoek in te stellen ter beantwoording van de volgende vragen:
1. Welke verdeling van de zorg- en opvoedingstaken door ouders komt het meest tegemoet aan de belangen van de minderjarigen?
2. Hoe dient de regeling qua aard, duur en frequentie vorm gegeven te worden?
3. Is wijziging van de gezagsvoorziening, in de zin van beëindiging van het gezag van de man en de belasting van de vrouw met het eenhoofdig gezag over de minderjarigen in hun belang en/of noodzakelijk?
4. Welke andere feiten en/of omstandigheden zijn niet in de voorgaande vragen aan de orde gesteld, maar zijn wel van belang om te vermelden?
De behandeling van de zaak is tenslotte ten aanzien van de verzoeken van partijen betreffende het gezag en de zorg- c.q. omgangsregeling pro forma aangehouden in afwachting van het rapport en advies van de Raad. Partijen zijen in de gelegenheid gesteld te reageren op het rapport en advies van de Raad, alsmede zich uit te laten omtrent het door hen gewenste verdere procesverloop.
De Raad heeft op 13 maart 2026 een rapport uitgebracht, waarin als volgt is geadviseerd. De Raad acht het in het belang van de minderjarigen op dit moment geen contact tussen de man en de minderjarigen vast te stellen, omdat dit de nadrukkelijke wens is van zowel de man als de minderjarigen. Het vaststellen van een regeling is niet alleen praktisch ingewikkeld in verband met het werk van de man, maar ook emotioneel hebben de minderjarigen geen behoefte aan een regeling. De Raad ziet er daarom geen meerwaarde in om de man en de minderjarigen te forceren een zorgregeling op te volgen. De Raad hoopt en vertrouwt er op dat dat als de wens of behoefte van de man of de minderjarigen verandert, partijen hierover samen overleggen en de mogelijkheden bekijken, waarbij het belang van de minderjarigen altijd voorop dient te staan. Ten aanzien van het gezag adviseert de Raad een wijziging in het gezag, in die zin dat het gezamenlijk gezag van partijen wordt gewijzigd in eenhoofdig gezag van de vrouw. De Raad ziet duidelijk dat er praktische moeilijkheden zijn nu ouders gezamenlijk het gezag uitvoeren. De man is veel in het buitenland waarbij het onduidelijk is wanneer hij terugkomt. De man is zodoende moeilijk bereikbaar en niet altijd in staat tijdig te tekenen (voor toestemming) voor de minderjarigen, hetgeen zeer belemmerend is voor de uitoefening van het gezag. Bovendien is de man de afgelopen vier jaar weinig op de hoogte van het leven van de minderjarigen en daardoor onvoldoende in staat om belangrijke beslissingen over hen te nemen. De Raad heeft er ook hierbij vertrouwen in dat de vrouw haar verantwoordelijkheid neemt en de man onverminderd op de hoogte zal stellen over de minderjarigen.
De vrouw heeft bij F-formulier d.d. 28 april 2026 medegedeeld dat zij instemt met het advies van de Raad. Zij verzoekt om te bepalen dat zij voortaan alleen het gezag heeft over de minderjarigen. daarnaast verzoekt zij het verzoek van de man om een zorg- c.q. omgangsregeling tussen hem en de minderjarigen af te wijzen. De vrouw heeft geen behoefte aan een mondelinge behandeling en wenst de zaak schriftelijk af te doen.
De man heeft bij F-formulier d.d. 28 april 2026 medegedeeld dat hij heeft kennisgenomen van het F-formulier van de vrouw d.d. 28 april 2026 en dat hij akkoord gaat met de inhoud hiervan.
De rechtbank overweegt als volgt.
De Nederlandse rechter heeft bij beschikking van 4 juli 2025 reeds beoordeeld dat in casu de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft ten aanzien van de ouderlijke verantwoordelijkheid, waarbij het Nederlands recht dient te worden toegepast.
Gezien het verzoek van de vrouw om het eenhoofdig gezag, de instemming van de man daarmee en het advies van de Raad zoals verwoord in het rapport van 13 maart 2026, acht de rechtbank het in het belang van de minderjarigen dat de vrouw belast wordt met het eenhoofdig gezag over de minderjarigen. De rechtbank wijst het verzoek van de vrouw om haar te belasten met het eenhoofdig gezag over de minderjarigen dan ook toe.
Nu het verzoek van de vrouw om eenhoofdig gezag wordt toegewezen, heeft zij geen belang meer bij het verzoek om te bepalen dat de minderjarigen hun hoofdverblijf bij haar hebben. Haar verzoek dienaangaande wordt dan ook afgewezen.
Omdat het verzoek van de vrouw tot eenhoofdig gezag over de minderjarigen zal worden toegewezen zal de rechtbank hierna spreken over een omgangsregeling. Voor zover de man zijn verzoek tot vaststelling van een omgangsregeling al handhaaft, zal dit verzoek worden afgewezen. De rechtbank heeft hierbij in aanmerking genomen het verweer van de vrouw tegen de omgangsregeling en de instemming van de man met haar standpunt, alsmede het advies van de Raad om in het belang van de minderjarigen op dit moment geen omgangsregeling tussen de man en de minderjarigen vast te stellen.
De rechtbank merkt hierbij nadrukkelijk op dat ervan uit wordt gegaan dat de vrouw haar verantwoordelijkheid blijft nemen en de man onverminderd op de hoogte zal blijven stellen over het wel en wee van de minderjarigen, zoals ook de Raad heeft verwoord in het rapport.
De rechtbank zal deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad verklaren. Dit betekent dat de beschikking zal gelden ook wanneer één van de partijen daartegen hoger beroep zou instellen (hoger beroep schort de tenuitvoerlegging van de beschikking niet op).
3 De beslissing
De rechtbank
bepaalt dat de vrouw alleen het gezag uitoefent over de kinderen:
- [minderjarige 1], geboren op [geboortedag 1] 2012 te [geboorteplaats], Roemenië,
- [minderjarige 2], geboren op [geboortedag 2] 2014 te [geboorteplaats], Roemenië;
verklaart de beslissing met betrekking het eenhoofdig gezag uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders verzochte.
| Deze beschikking is gegeven door mr. De Beer, rechter en tevens kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. Brouwer op 9 juni 2026. |
| Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.. |
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.