Uitspraak · Personen- en familierecht
Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 9 juni 2026
ECLI:NL:RBZWB:2026:6206Zaaknummer C/02/448565 / JE RK 26-914
- Instantie
- Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Datum uitspraak
- 9 juni 2026
- Publicatiedatum
- 17 augustus 2026
- Zaaknummer
- C/02/448565 / JE RK 26-914
- Rechtsgebied
- Civiel recht, Personen- en familierecht
- Procedure
- Rekestprocedure, Beschikking
- Zittingsplaats
- Breda
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Geschillenregeling. Wijziging contactregeling. Minderjarige wil geen contact meer met de moeder. Toewijzen minimaal begeleid contact met regie door de GI.
6 De beslissing
De kinderrechter:
wijzigt de in voormelde beschikking van 17 december 2025 vastgestelde verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en bepaalt deze als volgt:
de moeder en [minderjarige] zijn met ingang van 1 augustus 2026 gerechtigd tot het hebben van begeleid contact met elkaar eenmaal per maand gedurende anderhalf uur, met inachtneming van hetgeen hiervoor onder 5.4. is overwogen, waarbij de regie en de beslissing tot uitbreiding van dit contact bij de GI ligt en er aangesloten wordt bij de behoeften en mogelijkheden van [minderjarige];
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
| Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 9 juni 2026 door mr. Phillips, kinderrechter, in aanwezigheid van Dekkers als griffier, en op schrift gesteld op 22 juni 2026. |
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
- degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/448565 / JE RK 26-914
Datum uitspraak: 9 juni 2026
Beschikking van de kinderrechter over een wijziging van de verdeling van zorg- en opvoedingstaken
in de zaak van
de gecertificeerde instelling
William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering,
gevestigd te Amsterdam, hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2015 in [geboorteplaats],
hierna te noemen [minderjarige].
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats 1],
[de vader],
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats 2],
advocaat mr. N. Schiettekatte uit Rotterdam.
1 Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 21 mei 2026;
- het e-mailbericht van de moeder van 29 mei 2026.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 9 juni 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de vader met zijn advocaat;
- een vertegenwoordiger van de GI.
De moeder is niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de moeder wel juist is opgeroepen. Bij voormeld e-mailbericht heeft de moeder zich afgemeld voor de zitting en heeft zij haar standpunt over het verzoek gegeven.
De zaak is gelijktijdig behandeld met de samenhangende zaak met nummer C/02/448168 JE RK 26-841. In de samenhangende zaak zal bij aparte beschikking worden beslist.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar haar mening gevraagd. Zij heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
2 De feiten
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige].
[minderjarige] woont bij de vader.
Bij beschikking van 17 december 2025 heeft de kinderrechter in deze rechtbank de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd met ingang van 28 december 2025 tot 28 juni 2026.
Bij beschikking, eveneens van 17 december 2025, heeft de kinderrechter de omgangsregeling zoals vastgesteld op 21 november 2023 gewijzigd en bepaald dat met ingang van 6 januari 2026 wekelijks omgang tussen de moeder en [minderjarige] plaatsvindt op de dinsdag, gedurende twee uur na schooltijd.
3 Het verzoek
De GI verzoekt, naar de kinderrechter begrijpt, de bij voormelde beschikking van
17 december 2025 vastgestelde verdeling van de zorg- en opvoedingstaken te wijzigen en te bepalen dat de moeder en [minderjarige] recht hebben op begeleid contact met elkaar eenmaal per twee weken. Ook verzoekt de GI de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Tijdens de zitting heeft de vertegenwoordiger van de GI dit bevestigd.
4 De standpunten
In het verzoekschrift is het verzoek en het standpunt van de GI toegelicht. Tijdens de zitting is namens de GI (in aanvulling daarop), samengevat, verklaard dat [minderjarige] boos is op de moeder en daarin standvastig is. Haar standpunt is niet veranderd: zij wil geen contact met de moeder. Naar eigen zeggen wil zij eerst contactherstel met haar halfzusje en dan ziet zij wel. Het is van belang dat [minderjarige] weer positieve ervaringen met de moeder opdoet zodat er weer een band tussen hen kan ontstaan en het vertrouwen van [minderjarige] kan herstellen. Dat is echter niet voldoende voor [minderjarige]. In de komende periode zal onderzocht worden of er een therapeutische basis kan zijn voor het contact tussen de moeder en [minderjarige]. Wanneer hierop niet wordt ingezet is de vrees dat de huidige situatie niet verandert. De eerdere contacten tussen de moeder en [minderjarige] verliepen goed, al vond [minderjarige] wekelijks contact te veel. Desgevraagd heeft [minderjarige] op dat moment aangegeven dat zij maandelijks contact wil. Na het contact liet [minderjarige] negatief gedrag zien en was er sprake van wantrouwen. Gelet op het verleden is dat begrijpelijk. In een gesprek met [minderjarige] en de moeder heeft de GI gesproken over de persoonlijke problematiek van de moeder. De vader spreekt dan negatief over de moeder wat het wantrouwen van [minderjarige] voedt. Van belang is dat ook daarnaar gekeken wordt. De verwachting is niet dat de vader het contact tussen de moeder en [minderjarige] zal tegenwerken. Hij heeft wel uitgesproken dat het hem rust geeft als er geen contact is tussen de moeder en [minderjarige] omdat het dan beter gaat met [minderjarige].
De vader heeft samengevat naar voren gebracht dat hij het lastig vindt om een mening te geven over een passende contactregeling tussen de moeder en [minderjarige]. Een wekelijkse regeling is te veel en [minderjarige] wil geen contact om de twee weken. De vader wil echter wel dat [minderjarige] contact blijft houden met de moeder, dat draagt hij ook nu naar haar uit. Sinds het contact tussen de moeder en [minderjarige] is gestopt, is [minderjarige] vrolijk. Dat is niet hoe het zou moeten zijn. De advocaat heeft daarop samengevat aangevuld dat er nu veel boosheid is bij [minderjarige] en zij nu geen contact met de moeder wil. Als echter het contact met haar halfzusje hersteld wordt biedt dat mogelijk een opening voor [minderjarige]. De advocaat refereert zich aan het oordeel van de kinderrechter in deze, in die zin dat er een minimale contactregeling kan worden vastgesteld, die onder regie van de GI kan worden uitgebreid op het tempo van [minderjarige].
In voormeld e-mailbericht van de moeder heeft zij samengevat gesteld dat zij het niet eens is met het verzoek. De contacten tussen haar en [minderjarige] verlopen heel positief. Nadat [minderjarige] heeft aangegeven dat zij geen contact meer wil, is door de GI direct verzocht om de contactregeling terug te draaien. In plaats daarvan hadden er ook gesprekken met alle betrokken partijen kunnen worden gevoerd. De moeder wil niet dat [minderjarige] klem zit. Om die reden heeft zij in het belang van [minderjarige] even afstand genomen van de situatie. De moeder meent dat [minderjarige] recht heeft op fijn contact met beide ouders.
5 De beoordeling
In artikel 1:265g lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW) staat, kort gezegd, dat de kinderrechter de hiervoor (onder 2.4.) genoemde regeling kan wijzigen, als na het geven van die beslissing de omstandigheden zijn gewijzigd, of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.
De kinderrechter is van oordeel dat de omstandigheden zijn gewijzigd, omdat er op dit moment geen contact tussen de moeder en [minderjarige] plaatsvindt. Aan de beoordeling van de kinderrechter ligt nu de vraag voor of wijziging van de eerder vastgestelde contactregeling in het belang van [minderjarige] is.
De kinderrechter neemt op grond van de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting het volgende in aanmerking.
Nadat de contactregeling tussen de moeder en [minderjarige] bij voormelde beschikking van
17 december 2025 is vastgesteld, is hieraan uitvoering gegeven. Naast deze regeling hebben de moeder en [minderjarige] iedere zaterdag een onbegeleid belmoment. De vader heeft bij de GI aangegeven dat [minderjarige] vooral na afloop van de contacten met de moeder negatief gedrag laat zien. De GI vindt het noodzakelijk dat hiervoor binnen de opvoedsituatie bij de vader op te starten hulpverlening aandacht komt, zodat de vader en [minderjarige] hierin ondersteund kunnen worden. Op of rond 25 april 2026 heeft er een escalatie plaatsgevonden waarna [minderjarige] heeft aangegeven dat zij de moeder niet meer wil zien tot er weer contact is tussen haar en haar halfzusje. Sinds een aantal maanden is er sprake van toenemende onrust en spanning tussen de ouders, waarbij zij ernstige verwijten naar elkaar doen. Hierdoor komt [minderjarige] klem te zitten. De moeder heeft na het besluit van [minderjarige] het contact met [minderjarige] stopgezet totdat [minderjarige] weer ruimte ziet voor contact met de moeder. Het contact tussen de moeder en [minderjarige] kent een instabiel verloop. De frequentie en duur van het contact is al meermalen gewijzigd en het contact is ook al vaker stopgezet. Daarnaast ervaart [minderjarige] een gevoel van onveiligheid tijdens het contact met de moeder. Hoewel het contact positief verloopt reageert [minderjarige] hier negatief op. De GI is tot de conclusie gekomen dat [minderjarige] meer nodig heeft in het contact met de moeder en wil daarom onderzoeken of er op therapeutische basis gewerkt kan worden aan het herstellen van het contact, de band tussen de moeder en [minderjarige] en het vertrouwen van [minderjarige]. De kinderrechter deelt deze visie van de GI. Zij acht het in het belang van [minderjarige] dat toegewerkt wordt naar een duidelijke, voorspelbare, structurele en veilige contactregeling tussen de moeder en [minderjarige]. Gebleken is dat wekelijks contact op dit moment te belastend is voor [minderjarige]. Zij heeft dan te weinig hersteltijd. De kinderrechter vindt het belangrijk dat [minderjarige] zich in deze gehoord voelt. Wanneer zij ervaart dat er naar haar mening geluisterd wordt, ontstaat er mogelijk een opening tot het aangaan van een positief en onbelast contact met de moeder. Dit komt ook ten goede van de opvoedsituatie bij de vader.
Gelet op alle voorgaande omstandigheden is de kinderrechter van oordeel dat voor nu een maandelijks, begeleid contact met de moeder in het belang van [minderjarige] is, waarbij met een door de GI te onderzoeken passende vorm van hulpverlening zal worden ingezet op de problematiek tussen de moeder en [minderjarige]. Wanneer er naast het hierna vast te stellen fysieke contact naar het oordeel van de GI ook belcontacten tussen de moeder en [minderjarige] kunnen zijn, zullen deze eveneens begeleid plaatsvinden voor zolang de GI dat nodig vindt.
Dit leidt tot de volgende beslissing.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
6 De beslissing
De kinderrechter:
wijzigt de in voormelde beschikking van 17 december 2025 vastgestelde verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en bepaalt deze als volgt:
de moeder en [minderjarige] zijn met ingang van 1 augustus 2026 gerechtigd tot het hebben van begeleid contact met elkaar eenmaal per maand gedurende anderhalf uur, met inachtneming van hetgeen hiervoor onder 5.4. is overwogen, waarbij de regie en de beslissing tot uitbreiding van dit contact bij de GI ligt en er aangesloten wordt bij de behoeften en mogelijkheden van [minderjarige];
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
| Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 9 juni 2026 door mr. Phillips, kinderrechter, in aanwezigheid van Dekkers als griffier, en op schrift gesteld op 22 juni 2026. |
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
- degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.